Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-1.mp3
| 19:1 | וַיְדַבֵּר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה וְאֶֽל־אַהֲרֹן לֵאמֹֽר׃ | Vaydaber Adonai el-Moshe veel-Aharon lemor | En de Eeuwige sprak tot Mosje en tot Aharon, zeggende: |
| 19:2 | זֹאת חֻקַּת הַתּוֹרָה אֲשֶׁר־צִוָּה יְהוָה לֵאמֹר דַּבֵּר ׀ אֶל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וְיִקְחוּ אֵלֶיךָ פָרָה אֲדֻמָּה תְּמִימָה אֲשֶׁר אֵֽין־בָּהּ מוּם אֲשֶׁר לֹא־עָלָה עָלֶיהָ עֹֽל׃ | Zot jukat hatorah asher-tzivah Adonai lemor daber el-beney Yisrael veyikju eleyja farah adumah temimah asher eyn-bah mum asher lo-'alah 'aleyha 'ol | Dit is de inzetting van de Tora die de Eeuwige geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij u een rode koe brengen, gaaf, waarin geen gebrek is, waarop nog geen juk gekomen is. |
| 19:3 | וּנְתַתֶּם אֹתָהּ אֶל־אֶלְעָזָר הַכֹּהֵן וְהוֹצִיא אֹתָהּ אֶל־מִחוּץ לַֽמַּחֲנֶה וְשָׁחַט אֹתָהּ לְפָנָֽיו׃ | Untatem otah el-Elazar hakohen vehotzi otah el-mijutz lamajaneh veshajat otah lefanayv | En gij zult haar geven aan Elazar, de priester; en hij zal haar buiten de legerplaats laten brengen, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten. |
| 19:4 | וְלָקַח אֶלְעָזָר הַכֹּהֵן מִדָּמָהּ בְּאֶצְבָּעוֹ וְהִזָּה אֶל־נֹכַח פְּנֵי אֹֽהֶל־מוֹעֵד מִדָּמָהּ שֶׁבַע פְּעָמִֽים׃ | Velakaj Elazar hakohen midamah beetzba'o vehizah el-nojaj peney ohel-mo'ed midamah sheva' pe'amim | En Elazar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen en zevenmaal sprenkelen in de richting van de voorzijde van de Tent der Samenkomst. |
| 19:5 | וְשָׂרַף אֶת־הַפָּרָה לְעֵינָיו אֶת־עֹרָהּ וְאֶת־בְּשָׂרָהּ וְאֶת־דָּמָהּ עַל־פִּרְשָׁהּ יִשְׂרֹֽף׃ | Vesaraf et-haparah le'eynayv et-'orah veet-besarah veet-damah 'al-pirshah yisrof | En men zal de koe voor zijn ogen verbranden: haar huid, haar vlees en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden. |
| 19:6 | וְלָקַח הַכֹּהֵן עֵץ אֶרֶז וְאֵזוֹב וּשְׁנִי תוֹלָעַת וְהִשְׁלִיךְ אֶל־תּוֹךְ שְׂרֵפַת הַפָּרָֽה׃ | Velakaj hakohen 'etz erez veezov ushni tola'at vehishlij el-toj serefat haparah | En de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen, en die midden in het vuur werpen waarin de koe verbrand wordt. |
| 19:7 | וְכִבֶּס בְּגָדָיו הַכֹּהֵן וְרָחַץ בְּשָׂרוֹ בַּמַּיִם וְאַחַר יָבוֹא אֶל־הַֽמַּחֲנֶה וְטָמֵא הַכֹּהֵן עַד־הָעָֽרֶב׃ | Vejibes begadayv hakohen verajatz besaro bamayim veajar yavo el-hamajaneh vetame hakohen 'ad-ha'arev | En de priester zal zijn klederen wassen en zijn lichaam in water baden, en daarna zal hij in de legerplaats komen; en de priester zal onrein zijn tot de avond. |
| 19:8 | וְהַשֹּׂרֵף אֹתָהּ יְכַבֵּס בְּגָדָיו בַּמַּיִם וְרָחַץ בְּשָׂרוֹ בַּמָּיִם וְטָמֵא עַד־הָעָֽרֶב׃ | Vehasoref otah yejabes begadayv bamayim verajatz besaro bamayim vetame 'ad-ha'arev | En wie haar verbrand heeft, zal zijn klederen in water wassen en zijn lichaam in water baden, en hij zal onrein zijn tot de avond. |
| 19:9 | וְאָסַף ׀ אִישׁ טָהוֹר אֵת אֵפֶר הַפָּרָה וְהִנִּיחַ מִחוּץ לַֽמַּחֲנֶה בְּמָקוֹם טָהוֹר וְהָיְתָה לַעֲדַת בְּנֵֽי־יִשְׂרָאֵל לְמִשְׁמֶרֶת לְמֵי נִדָּה חַטָּאת הִֽוא׃ | Veasaf ish tahor et efer haparah vehinija mijutz lamajaneh bemakom tahor vehaytah la'adat beney-Yisrael lemishmeret lemey nidah jatat hiv | En een rein man zal de as van de koe verzamelen en haar buiten de legerplaats neerleggen op een reine plaats; en zij zal voor de gemeente der kinderen Israëls bewaard worden, voor het reinigingswater: het is een zondoffer. |
| 19:10 | וְכִבֶּס הָאֹסֵף אֶת־אֵפֶר הַפָּרָה אֶת־בְּגָדָיו וְטָמֵא עַד־הָעָרֶב וְֽהָיְתָה לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל וְלַגֵּר הַגָּר בְּתוֹכָם לְחֻקַּת עוֹלָֽם׃ | Vejibes haosef et-efer haparah et-begadayv vetame 'ad-ha'arev vehaytah livney Yisrael velager hagar betojam lejukat 'olam | En wie de as van de koe verzameld heeft, zal zijn klederen wassen, en hij zal onrein zijn tot de avond; en het zal voor de kinderen Israëls en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft, tot een eeuwige inzetting zijn. |
| 19:11 | הַנֹּגֵעַ בְּמֵת לְכָל־נֶפֶשׁ אָדָם וְטָמֵא שִׁבְעַת יָמִֽים׃ | Hanoge'a bemet lejal-nefesh adam vetame shiv'at yamim | Wie een dode aanraakt, enig dood lichaam van een mens, zal zeven dagen onrein zijn. |
| 19:12 | הוּא יִתְחַטָּא־בוֹ בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי יִטְהָר וְאִם־לֹא יִתְחַטָּא בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי לֹא יִטְהָֽר׃ | Hu yitjata-vo bayom hashlishi uvayom hashvi'i yithar veim-lo yitjata bayom hashlishi uvayom hashvi'i lo yithar | Hij zal zich daarmee [het water] op de derde dag ontzondigen, en op de zevende dag zal hij rein zijn; en indien hij zich niet op de derde dag ontzondigt, dan zal hij op de zevende dag niet rein zijn. |
| 19:13 | כָּֽל־הַנֹּגֵעַ בְּמֵת בְּנֶפֶשׁ הָאָדָם אֲשֶׁר־יָמוּת וְלֹא יִתְחַטָּא אֶת־מִשְׁכַּן יְהוָה טִמֵּא וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מִיִּשְׂרָאֵל כִּי מֵי נִדָּה לֹא־זֹרַק עָלָיו טָמֵא יִהְיֶה עוֹד טֻמְאָתוֹ בֽוֹ׃ | Kal-hanoge'a bemet benefesh haadam asher-yamut velo yitjata et-mishkan Adonai time venijrtah hanefesh hahiv miyisrael ki mey nidah lo-zorak 'alayv tame yihyeh 'od tumato vo | Ieder die een dode aanraakt, het lichaam van een mens die gestorven is, en zich niet ontzondigt, heeft de Tabernakel van de Eeuwige verontreinigd; en die ziel zal uit Israël worden uitgeroeid, want het reinigingswater is niet over hem gesprenkeld, onrein is hij; nog is zijn onreinheid op hem. |
| 19:14 | זֹאת הַתּוֹרָה אָדָם כִּֽי־יָמוּת בְּאֹהֶל כָּל־הַבָּא אֶל־הָאֹהֶל וְכָל־אֲשֶׁר בָּאֹהֶל יִטְמָא שִׁבְעַת יָמִֽים׃ | Zot hatorah adam ki-yamut beohel kal-haba el-haohel vejal-asher baohel yitma shiv'at yamim | Dit is de Tora: wanneer een mens in een tent sterft, zal ieder die de tent binnengaat, en alles wat in de tent is, zeven dagen onrein zijn. |
| 19:15 | וְכֹל כְּלִי פָתוּחַ אֲשֶׁר אֵין־צָמִיד פָּתִיל עָלָיו טָמֵא הֽוּא׃ | Vejol keli fatuja asher eyn-tzamid patil 'alayv tame hu | En elk open vat, waarop geen vastgebonden deksel is, is onrein. |
| 19:16 | וְכֹל אֲשֶׁר־יִגַּע עַל־פְּנֵי הַשָּׂדֶה בַּֽחֲלַל־חֶרֶב אוֹ בְמֵת אֽוֹ־בְעֶצֶם אָדָם אוֹ בְקָבֶר יִטְמָא שִׁבְעַת יָמִֽים׃ | Vejol asher-yiga' 'al-peney hasadeh bjalal-jerev o vemet o-ve'etzem adam o vekaver yitma shiv'at yamim | En ieder die op het open veld iemand aanraakt die door het zwaard gedood is, of een dode, of een mensenbeen, of een graf, zal zeven dagen onrein zijn. |
| 19:17 | וְלָֽקְחוּ לַטָּמֵא מֵעֲפַר שְׂרֵפַת הַֽחַטָּאת וְנָתַן עָלָיו מַיִם חַיִּים אֶל־כֶּֽלִי׃ | Velakju latame me'afar serefat hajatat venatan 'alayv mayim jayim el-keli | En men zal voor de onreine nemen van de as van de verbranding [van de koe] der ontzondiging, en men zal daarover levend [bron]water doen in een vat. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-2.mp3
| 19:18 | וְלָקַח אֵזוֹב וְטָבַל בַּמַּיִם אִישׁ טָהוֹר וְהִזָּה עַל־הָאֹהֶל וְעַל־כָּל־הַכֵּלִים וְעַל־הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר הָֽיוּ־שָׁם וְעַל־הַנֹּגֵעַ בַּעֶצֶם אוֹ בֶֽחָלָל אוֹ בַמֵּת אוֹ בַקָּֽבֶר׃ | Velakaj ezov vetaval bamayim ish tahor vehizah 'al-haohel ve'al-kal-hakelim ve'al-hanfashot asher hayu-sham ve'al-hanoge'a ba'etzem o vejalal o vamet o vakaver | En een rein man zal hysop nemen en die in het water dopen, en sprenkelen op de tent, op alle voorwerpen en op de personen die daar waren, en op hem die het been heeft aangeraakt, of de door het zwaard gedode, of de dode, of het graf. |
| 19:19 | וְהִזָּה הַטָּהֹר עַל־הַטָּמֵא בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי וְחִטְּאוֹ בַּיּוֹם הַשְּׁבִיעִי וְכִבֶּס בְּגָדָיו וְרָחַץ בַּמַּיִם וְטָהֵר בָּעָֽרֶב׃ | Vehizah hatahor 'al-hatame bayom hashlishi uvayom hashvi'i vejito bayom hashvi'i vejibes begadayv verajatz bamayim vetaher ba'arev | En de reine zal op de onreine sprenkelen op de derde dag en op de zevende dag, en hem op de zevende dag ontzondigen; en [de onreine] zal zijn klederen wassen en zich in water baden, en hij zal ’s avonds rein zijn. |
| 19:20 | וְאִישׁ אֲשֶׁר־יִטְמָא וְלֹא יִתְחַטָּא וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מִתּוֹךְ הַקָּהָל כִּי אֶת־מִקְדַּשׁ יְהוָה טִמֵּא מֵי נִדָּה לֹא־זֹרַק עָלָיו טָמֵא הֽוּא׃ | Veish asher-yitma velo yitjata venijrtah hanefesh hahiv mitoj hakahal ki et-mikdash Adonai time mey nidah lo-zorak 'alayv tame hu | En de man die onrein geworden is en zich niet ontzondigt, die ziel zal uit het midden van de gemeente worden uitgeroeid, want hij heeft het Heiligdom van de Eeuwige verontreinigd; het reinigingswater is niet over hem gesprenkeld, onrein is hij. |
| 19:21 | וְהָיְתָה לָּהֶם לְחֻקַּת עוֹלָם וּמַזֵּה מֵֽי־הַנִּדָּה יְכַבֵּס בְּגָדָיו וְהַנֹּגֵעַ בְּמֵי הַנִּדָּה יִטְמָא עַד־הָעָֽרֶב׃ | Vehaytah lahem lejukat 'olam umazeh mey-hanidah yejabes begadayv vehanoge'a bemey hanidah yitma 'ad-ha'arev | En het zal hun tot een eeuwige inzetting zijn; en wie het reinigingswater sprenkelt, zal zijn klederen wassen, en wie het reinigingswater aanraakt, zal onrein zijn tot de avond. |
| 19:22 | וְכֹל אֲשֶׁר־יִגַּע־בּוֹ הַטָּמֵא יִטְמָא וְהַנֶּפֶשׁ הַנֹּגַעַת תִּטְמָא עַד־הָעָֽרֶב׃ | Vejol asher-yiga'-bo hatame yitma vehanefesh hanoga'at titma 'ad-ha'arev | En alles wat de onreine aanraakt, zal onrein zijn; en de persoon die [hem] aanraakt, zal onrein zijn tot de avond. |
| 20:1 | וַיָּבֹאוּ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵל כָּל־הָעֵדָה מִדְבַּר־צִן בַּחֹדֶשׁ הָֽרִאשׁוֹן וַיֵּשֶׁב הָעָם בְּקָדֵשׁ וַתָּמָת שָׁם מִרְיָם וַתִּקָּבֵר שָֽׁם׃ | Vayavou veney-Yisrael kal-ha'edah midbar-Tzin bajodesh harishon vayeshev ha'am bekadesh vatamat sham Miryam vatikaver sham | En de kinderen Israëls kwamen, de gehele gemeente, in de woestijn Tzin, in de eerste maand; en het volk vestigde zich in Kadesj. En daar stierf Mirjam, en daar werd zij begraven. |
| 20:2 | וְלֹא־הָיָה מַיִם לָעֵדָה וַיִּקָּהֲלוּ עַל־מֹשֶׁה וְעַֽל־אַהֲרֹֽן׃ | Velo-hayah mayim la'edah vayikahalu 'al-Moshe ve'al-Aharon | En er was geen water voor de gemeente, en zij verzamelden zich tegen Mosje en tegen Aharon. |
| 20:3 | וַיָּרֶב הָעָם עִם־מֹשֶׁה וַיֹּאמְרוּ לֵאמֹר וְלוּ גָוַעְנוּ בִּגְוַע אַחֵינוּ לִפְנֵי יְהוָֽה׃ | Vayarev ha'am 'im-Moshe vayomru lemor velu gava'nu bigva' ajeynu lifney Adonai | En het volk twistte met Mosje, en zij spraken, zeggende: Waren wij toch maar omgekomen, toen onze broeders omkwamen voor het aangezicht van de Eeuwige! |
| 20:4 | וְלָמָה הֲבֵאתֶם אֶת־קְהַל יְהוָה אֶל־הַמִּדְבָּר הַזֶּה לָמוּת שָׁם אֲנַחְנוּ וּבְעִירֵֽנוּ׃ | Velamah havetem et-kehal Adonai el-hamidbar hazeh lamut sham anajnu uv'irenu | En waarom hebt gij de gemeente van de Eeuwige in deze woestijn gebracht, om hier te sterven, wij en ons vee? |
| 20:5 | וְלָמָה הֶֽעֱלִיתֻנוּ מִמִּצְרַיִם לְהָבִיא אֹתָנוּ אֶל־הַמָּקוֹם הָרָע הַזֶּה לֹא ׀ מְקוֹם זֶרַע וּתְאֵנָה וְגֶפֶן וְרִמּוֹן וּמַיִם אַיִן לִשְׁתּֽוֹת׃ | Velamah he'elitunu mimitzrayim lehavi otanu el-hamakom hara' hazeh lo mekom zera' utenah vegefen verimon umayim ayin lishtot | En waarom hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, om ons naar deze kwade plaats te brengen? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgenboom, noch van wijnstok, noch van granaatappel, en er is geen water om te drinken. |
| 20:6 | וַיָּבֹא מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן מִפְּנֵי הַקָּהָל אֶל־פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד וַֽיִּפְּלוּ עַל־פְּנֵיהֶם וַיֵּרָא כְבוֹד־יְהוָה אֲלֵיהֶֽם׃ | Vayavo Moshe veaharon mipney hakahal el-petaj ohel mo'ed vayiplu 'al-peneyhem vayera jevod-Adonai aleyhem | En Mosje en Aharon kwamen van de vergadering weg naar de ingang van de Tent der Samenkomst en vielen op hun aangezicht; en de heerlijkheid van de Eeuwige verscheen hun. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-3.mp3
| 20:7 | וַיְדַבֵּר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה לֵּאמֹֽר׃ | Vaydaber Adonai el-Moshe lemor | En de Eeuwige sprak tot Mosje, zeggende: |
| 20:8 | קַח אֶת־הַמַּטֶּה וְהַקְהֵל אֶת־הָעֵדָה אַתָּה וְאַהֲרֹן אָחִיךָ וְדִבַּרְתֶּם אֶל־הַסֶּלַע לְעֵינֵיהֶם וְנָתַן מֵימָיו וְהוֹצֵאתָ לָהֶם מַיִם מִן־הַסֶּלַע וְהִשְׁקִיתָ אֶת־הָעֵדָה וְאֶת־בְּעִירָֽם׃ | Kaj et-hamateh vehakhel et-ha'edah atah veaharon ajija vedibartem el-hasela' le'eyneyhem venatan meymayv vehotzeta lahem mayim min-hasela' vehishkita et-ha'edah veet-be'iram | Neem de staf en verzamel de gemeente, gij en Aharon, uw broeder, en spreekt tot de rots voor hun ogen, dat zij haar water geve; en gij zult voor hen water uit de rots doen voortkomen, en de gemeente en haar vee laten drinken. |
| 20:9 | וַיִּקַּח מֹשֶׁה אֶת־הַמַּטֶּה מִלִּפְנֵי יְהוָה כַּאֲשֶׁר צִוָּֽהוּ׃ | Vayikaj Moshe et-hamateh milifney Adonai kaasher tzivahu | En Mosje nam de staf van voor het aangezicht van de Eeuwige, zoals Hij hem geboden had. |
| 20:10 | וַיַּקְהִלוּ מֹשֶׁה וְאַהֲרֹן אֶת־הַקָּהָל אֶל־פְּנֵי הַסָּלַע וַיֹּאמֶר לָהֶם שִׁמְעוּ־נָא הַמֹּרִים הֲמִן־הַסֶּלַע הַזֶּה נוֹצִיא לָכֶם מָֽיִם׃ | Vayakhilu Moshe veaharon et-hakahal el-peney hasala' vayomer lahem shim'u-na hamorim hamin-hasela' hazeh notzi lajem mayim | En Mosje en Aharon verzamelden de gemeente voor de rots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, weerspannigen! Zullen wij u uit deze rots water doen voortkomen? |
| 20:11 | וַיָּרֶם מֹשֶׁה אֶת־יָדוֹ וַיַּךְ אֶת־הַסֶּלַע בְּמַטֵּהוּ פַּעֲמָיִם וַיֵּצְאוּ מַיִם רַבִּים וַתֵּשְׁתְּ הָעֵדָה וּבְעִירָֽם׃ | Vayarem Moshe et-yado vayaj et-hasela' bematehu pa'amayim vayetzu mayim rabim vatesht ha'edah uv'iram | En Mosje hief zijn hand op en sloeg de rots tweemaal met zijn staf, en er kwam veel water uit, en de gemeente dronk, en haar vee. |
| 20:12 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה וְאֶֽל־אַהֲרֹן יַעַן לֹא־הֶאֱמַנְתֶּם בִּי לְהַקְדִּישֵׁנִי לְעֵינֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לָכֵן לֹא תָבִיאוּ אֶת־הַקָּהָל הַזֶּה אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר־נָתַתִּי לָהֶֽם׃ | Vayomer Adonai el-Moshe veel-Aharon ya'an lo-heemantem bi lehakdisheni le'eyney beney Yisrael lajen lo taviu et-hakahal hazeh el-haaretz asher-natati lahem | En de Eeuwige zeide tot Mosje en tot Aharon: Omdat gij Mij niet geloofd hebt om Mij te heiligen voor de ogen der kinderen Israëls, daarom zult gij deze gemeente niet brengen in het land dat Ik hun gegeven heb. |
| 20:13 | הֵמָּה מֵי מְרִיבָה אֲשֶׁר־רָבוּ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵל אֶת־יְהוָה וַיִּקָּדֵשׁ בָּֽם׃ | Hemah mey merivah asher-ravu veney-Yisrael et-Adonai vayikadesh bam | Dit zijn de wateren van Meriva [van de twist], waar de kinderen Israëls met de Eeuwige twistten, en Hij Zich onder hen heiligde. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-4.mp3
| 20:14 | וַיִּשְׁלַח מֹשֶׁה מַלְאָכִים מִקָּדֵשׁ אֶל־מֶלֶךְ אֱדוֹם כֹּה אָמַר אָחִיךָ יִשְׂרָאֵל אַתָּה יָדַעְתָּ אֵת כָּל־הַתְּלָאָה אֲשֶׁר מְצָאָֽתְנוּ׃ | Vayishlaj Moshe malajim mikadesh el-melej Edom koh amar ajija Yisrael atah yada'ta et kal-hatlaah asher metzaatnu | En Mosje zond boden van Kadesj naar de koning van Edom: Zo zegt uw broeder Israël: gij kent alle moeite die ons overkomen is. |
| 20:15 | וַיֵּרְדוּ אֲבֹתֵינוּ מִצְרַיְמָה וַנֵּשֶׁב בְּמִצְרַיִם יָמִים רַבִּים וַיָּרֵעוּ לָנוּ מִצְרַיִם וְלַאֲבֹתֵֽינוּ׃ | Vayerdu avoteynu mitzraymah vaneshev bemitzrayim yamim rabim vayare'u lanu Mitzrayim velaavoteynu | Dat onze vaderen naar Egypte zijn afgedaald, en wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en de Egyptenaren ons en onze vaderen kwalijk behandeld hebben. |
| 20:16 | וַנִּצְעַק אֶל־יְהוָה וַיִּשְׁמַע קֹלֵנוּ וַיִּשְׁלַח מַלְאָךְ וַיֹּצִאֵנוּ מִמִּצְרָיִם וְהִנֵּה אֲנַחְנוּ בְקָדֵשׁ עִיר קְצֵה גְבוּלֶֽךָ׃ | Vanitz'ak el-Adonai vayishma' kolenu vayishlaj malaj vayotzienu mimitzrayim vehineh anajnu vekadesh 'ir ketzeh gevuleja | En wij riepen tot de Eeuwige, en Hij hoorde onze stem, en zond een engel, en voerde ons uit Egypte; en zie, wij zijn in Kadesj, een stad aan de rand van uw gebied. |
| 20:17 | נַעְבְּרָה־נָּא בְאַרְצֶךָ לֹא נַעֲבֹר בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם וְלֹא נִשְׁתֶּה מֵי בְאֵר דֶּרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ לֹא נִטֶּה יָמִין וּשְׂמֹאול עַד אֲשֶֽׁר־נַעֲבֹר גְּבוּלֶֽךָ׃ | Na'brah-na veartzeja lo na'avor besadeh uvjerem velo nishteh mey veer derej hamelej nelej lo niteh yamin usmovl 'ad asher-na'avor gevuleja | Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door akker of wijngaard, noch water uit een put drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken naar rechts noch naar links, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. |
| 20:18 | וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֱדוֹם לֹא תַעֲבֹר בִּי פֶּן־בַּחֶרֶב אֵצֵא לִקְרָאתֶֽךָ׃ | Vayomer elayv Edom lo ta'avor bi pen-bajerev etze likrateja | En Edom zeide tot hem: Gij zult niet door mij trekken, anders zal ik u met het zwaard tegemoet trekken. |
| 20:19 | וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו בְּנֵֽי־יִשְׂרָאֵל בַּֽמְסִלָּה נַעֲלֶה וְאִם־מֵימֶיךָ נִשְׁתֶּה אֲנִי וּמִקְנַי וְנָתַתִּי מִכְרָם רַק אֵין־דָּבָר בְּרַגְלַי אֶֽעֱבֹֽרָה׃ | Vayomru elayv beney-Yisrael bamsilah na'aleh veim-meymeyja nishteh ani umiknay venatati mijram rak eyn-davar beraglay e'evorah | En de kinderen Israëls zeiden tot hem: Wij zullen langs de heerweg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zal ik de prijs ervan betalen; alleen — niets meer — laat mij te voet doortrekken. |
| 20:20 | וַיֹּאמֶר לֹא תַעֲבֹר וַיֵּצֵא אֱדוֹם לִקְרָאתוֹ בְּעַם כָּבֵד וּבְיָד חֲזָקָֽה׃ | Vayomer lo ta'avor vayetze Edom likrato be'am kaved uvyad jazakah | En hij zeide: Gij zult niet doortrekken. En Edom trok hem tegemoet met talrijk volk en met sterke hand. |
| 20:21 | וַיְמָאֵן ׀ אֱדוֹם נְתֹן אֶת־יִשְׂרָאֵל עֲבֹר בִּגְבֻלוֹ וַיֵּט יִשְׂרָאֵל מֵעָלָֽיו׃ | Vaymaen Edom neton et-Yisrael 'avor bigvulo vayet Yisrael me'alayv | Zo weigerde Edom Israël door zijn gebied te laten trekken, en Israël week van hem af. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-5.mp3
| 20:22 | וַיִּסְעוּ מִקָּדֵשׁ וַיָּבֹאוּ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵל כָּל־הָעֵדָה הֹר הָהָֽר׃ | Vayis'u mikadesh vayavou veney-Yisrael kal-ha'edah Hor hahar | En zij braken op uit Kadesj, en de kinderen Israëls kwamen, de gehele gemeente, bij de berg Hor. |
| 20:23 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה וְאֶֽל־אַהֲרֹן בְּהֹר הָהָר עַל־גְּבוּל אֶֽרֶץ־אֱדוֹם לֵאמֹֽר׃ | Vayomer Adonai el-Moshe veel-Aharon behor hahar 'al-gevul eretz-Edom lemor | En de Eeuwige sprak tot Mosje en tot Aharon bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom, zeggende: |
| 20:24 | יֵאָסֵף אַהֲרֹן אֶל־עַמָּיו כִּי לֹא יָבֹא אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַתִּי לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל עַל אֲשֶׁר־מְרִיתֶם אֶת־פִּי לְמֵי מְרִיבָֽה׃ | Yeasef Aharon el-'amayv ki lo yavo el-haaretz asher natati livney Yisrael 'al asher-meritem et-pi lemey merivah | Aharon zal tot zijn volk vergaderd worden, want hij zal niet komen in het land dat Ik de kinderen Israëls gegeven heb, omdat gij weerspannig zijt geweest tegen Mijn woord bij de wateren van Meriva. |
| 20:25 | קַח אֶֽת־אַהֲרֹן וְאֶת־אֶלְעָזָר בְּנוֹ וְהַעַל אֹתָם הֹר הָהָֽר׃ | Kaj et-Aharon veet-Elazar beno veha'al otam Hor hahar | Neem Aharon en Elazar, zijn zoon, en laat hen opklimmen op de berg Hor. |
| 20:26 | וְהַפְשֵׁט אֶֽת־אַהֲרֹן אֶת־בְּגָדָיו וְהִלְבַּשְׁתָּם אֶת־אֶלְעָזָר בְּנוֹ וְאַהֲרֹן יֵאָסֵף וּמֵת שָֽׁם׃ | Vehafshet et-Aharon et-begadayv vehilbashtam et-Elazar beno veaharon yeasef umet sham | En trek Aharon zijn klederen uit en bekleed daarmee Elazar, zijn zoon; en Aharon zal vergaderd worden [tot zijn volk] en daar sterven. |
| 20:27 | וַיַּעַשׂ מֹשֶׁה כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה וַֽיַּעֲלוּ אֶל־הֹר הָהָר לְעֵינֵי כָּל־הָעֵדָֽה׃ | Vaya'as Moshe kaasher tzivah Adonai vya'alu el-Hor hahar le'eyney kal-ha'edah | En Mosje deed zoals de Eeuwige geboden had, en zij klommen op de berg Hor voor de ogen van de gehele gemeente. |
| 20:28 | וַיַּפְשֵׁט מֹשֶׁה אֶֽת־אַהֲרֹן אֶת־בְּגָדָיו וַיַּלְבֵּשׁ אֹתָם אֶת־אֶלְעָזָר בְּנוֹ וַיָּמָת אַהֲרֹן שָׁם בְּרֹאשׁ הָהָר וַיֵּרֶד מֹשֶׁה וְאֶלְעָזָר מִן־הָהָֽר׃ | Vayafshet Moshe et-Aharon et-begadayv vayalbesh otam et-Elazar beno vayamat Aharon sham berosh hahar vayered Moshe veel'azar min-hahar | En Mosje trok Aharon zijn klederen uit en bekleedde daarmee Elazar, zijn zoon; en Aharon stierf daar, op de top van de berg; en Mosje en Elazar daalden van de berg af. |
| 20:29 | וַיִּרְאוּ כָּל־הָעֵדָה כִּי גָוַע אַהֲרֹן וַיִּבְכּוּ אֶֽת־אַהֲרֹן שְׁלֹשִׁים יוֹם כֹּל בֵּית יִשְׂרָאֵֽל׃ | Vayiru kal-ha'edah ki gava' Aharon vayivku et-Aharon sheloshim yom kol beyt Yisrael | En de gehele gemeente zag dat Aharon gestorven was, en zij beweenden Aharon dertig dagen, het gehele huis Israëls. |
| 21:1 | וַיִּשְׁמַע הַכְּנַעֲנִי מֶֽלֶךְ־עֲרָד יֹשֵׁב הַנֶּגֶב כִּי בָּא יִשְׂרָאֵל דֶּרֶךְ הָאֲתָרִים וַיִּלָּחֶם בְּיִשְׂרָאֵל וַיִּשְׁבְּ ׀ מִמֶּנּוּ שֶֽׁבִי׃ | Vayishma' hakna'ani melej-'arad yoshev hanegev ki ba Yisrael derej haatarim vayilajem beyisrael vayishb mimenu shevi | En de Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, hoorde dat Israël langs de weg van Atarim kwam; en hij streed tegen Israël, en nam gevangenen van hen. |
| 21:2 | וַיִּדַּר יִשְׂרָאֵל נֶדֶר לַֽיהוָה וַיֹּאמַר אִם־נָתֹן תִּתֵּן אֶת־הָעָם הַזֶּה בְּיָדִי וְהַֽחֲרַמְתִּי אֶת־עָרֵיהֶֽם׃ | Vayidar Yisrael neder laAdonai vayomar im-naton titen et-ha'am hazeh beyadi vehjaramti et-'areyhem | En Israël deed de Eeuwige een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk in mijn hand geeft, zal ik hun steden met de ban slaan. |
| 21:3 | וַיִּשְׁמַע יְהוָה בְּקוֹל יִשְׂרָאֵל וַיִּתֵּן אֶת־הַֽכְּנַעֲנִי וַיַּחֲרֵם אֶתְהֶם וְאֶת־עָרֵיהֶם וַיִּקְרָא שֵׁם־הַמָּקוֹם חָרְמָֽה׃ | Vayishma' Adonai bekol Yisrael vayiten et-hakna'ani vayajarem ethem veet-'areyhem vayikra shem-hamakom jarmah | En de Eeuwige hoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaäniet over; en zij sloegen hen en hun steden met de ban, en men noemde de plaats Chorma. |
| 21:4 | וַיִּסְעוּ מֵהֹר הָהָר דֶּרֶךְ יַם־סוּף לִסְבֹב אֶת־אֶרֶץ אֱדוֹם וַתִּקְצַר נֶֽפֶשׁ־הָעָם בַּדָּֽרֶךְ׃ | Vayis'u mehor hahar derej yam-suf lisvov et-eretz Edom vatiktzar nefesh-ha'am badarej | En zij braken op van de berg Hor, langs de weg naar de Schelfzee, om het land Edom te omtrekken; en de ziel van het volk werd ongeduldig onderweg. |
| 21:5 | וַיְדַבֵּר הָעָם בֵּֽאלֹהִים וּבְמֹשֶׁה לָמָה הֶֽעֱלִיתֻנוּ מִמִּצְרַיִם לָמוּת בַּמִּדְבָּר כִּי אֵין לֶחֶם וְאֵין מַיִם וְנַפְשֵׁנוּ קָצָה בַּלֶּחֶם הַקְּלֹקֵֽל׃ | Vaydaber ha'am belohim uvmosheh lamah he'elitunu mimitzrayim lamut bamidbar ki eyn lejem veeyn mayim venafshenu katzah balejem haklokel | En het volk sprak tegen God en tegen Mosje: Waarom hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, om in de woestijn te sterven? Want er is geen brood en geen water, en onze ziel walgt van dit ellendige brood. |
| 21:6 | וַיְשַׁלַּח יְהוָה בָּעָם אֵת הַנְּחָשִׁים הַשְּׂרָפִים וַֽיְנַשְּׁכוּ אֶת־הָעָם וַיָּמָת עַם־רָב מִיִּשְׂרָאֵֽל׃ | Vayshalaj Adonai ba'am et hanjashim hasrafim vaynashju et-ha'am vayamat 'am-rav miyisrael | En de Eeuwige zond onder het volk vurige slangen, die het volk beten, en veel volk van Israël stierf. |
| 21:7 | וַיָּבֹא הָעָם אֶל־מֹשֶׁה וַיֹּאמְרוּ חָטָאנוּ כִּֽי־דִבַּרְנוּ בַֽיהוָה וָבָךְ הִתְפַּלֵּל אֶל־יְהוָה וְיָסֵר מֵעָלֵינוּ אֶת־הַנָּחָשׁ וַיִּתְפַּלֵּל מֹשֶׁה בְּעַד הָעָֽם׃ | Vayavo ha'am el-Moshe vayomru jatanu ki-dibarnu vaAdonai vavaj hitpalel el-Adonai veyaser me'aleynu et-hanajash vayitpalel Moshe be'ad ha'am | En het volk kwam tot Mosje en zeide: Wij hebben gezondigd, want wij hebben gesproken tegen de Eeuwige en tegen u; bid tot de Eeuwige, dat Hij de slangen van ons wegneme. En Mosje bad voor het volk. |
| 21:8 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה עֲשֵׂה לְךָ שָׂרָף וְשִׂים אֹתוֹ עַל־נֵס וְהָיָה כָּל־הַנָּשׁוּךְ וְרָאָה אֹתוֹ וָחָֽי׃ | Vayomer Adonai el-Moshe 'aseh leja saraf vesim oto 'al-nes vehayah kal-hanashuj veraah oto vajay | En de Eeuwige zeide tot Mosje: Maak u een vurige slang en zet haar op een staak; en het zal geschieden dat ieder die gebeten is, haar aanziet en leeft. |
| 21:9 | וַיַּעַשׂ מֹשֶׁה נְחַשׁ נְחֹשֶׁת וַיְשִׂמֵהוּ עַל־הַנֵּס וְהָיָה אִם־נָשַׁךְ הַנָּחָשׁ אֶת־אִישׁ וְהִבִּיט אֶל־נְחַשׁ הַנְּחֹשֶׁת וָחָֽי׃ | Vaya'as Moshe nejash nejoshet vaysimehu 'al-hanes vehayah im-nashaj hanajash et-ish vehibit el-nejash hanjoshet vajay | En Mosje maakte een koperen slang en zette haar op de staak; en het geschiedde, wanneer een slang iemand gebeten had, dat hij naar de koperen slang keek en bleef leven. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-6.mp3
| 21:10 | וַיִּסְעוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וַֽיַּחֲנוּ בְּאֹבֹֽת׃ | Vayis'u beney Yisrael vayajanu beovot | En de kinderen Israëls braken op en legerden zich in Ovot. |
| 21:11 | וַיִּסְעוּ מֵאֹבֹת וַֽיַּחֲנוּ בְּעִיֵּי הָֽעֲבָרִים בַּמִּדְבָּר אֲשֶׁר עַל־פְּנֵי מוֹאָב מִמִּזְרַח הַשָּֽׁמֶשׁ׃ | Vayis'u meovot vayajanu be'iyey ha'avarim bamidbar asher 'al-peney Moav mimizraj hashamesh | En zij braken op uit Ovot en legerden zich in Ijë-Avarim, in de woestijn die tegenover Moav ligt, naar de opgang der zon. |
| 21:12 | מִשָּׁם נָסָעוּ וַֽיַּחֲנוּ בְּנַחַל זָֽרֶד׃ | Misham nasa'u vayajanu benajal zared | Vandaar braken zij op en legerden zich in het dal Zered. |
| 21:13 | מִשָּׁם נָסָעוּ וַֽיַּחֲנוּ מֵעֵבֶר אַרְנוֹן אֲשֶׁר בַּמִּדְבָּר הַיֹּצֵא מִגְּבוּל הָֽאֱמֹרִי כִּי אַרְנוֹן גְּבוּל מוֹאָב בֵּין מוֹאָב וּבֵין הָאֱמֹרִֽי׃ | Misham nasa'u vayajanu me'ever Arnon asher bamidbar hayotze migvul haEmori ki Arnon gevul Moav beyn Moav uveyn haEmori | Vandaar braken zij op en legerden zich aan de overzijde van de Arnon, die in de woestijn is, die uit het gebied van de Emoriet komt; want de Arnon is de grens van Moav, tussen Moav en de Emoriet. |
| 21:14 | עַל־כֵּן יֵֽאָמַר בְּסֵפֶר מִלְחֲמֹת יְהוָה אֶת־וָהֵב בְּסוּפָה וְאֶת־הַנְּחָלִים אַרְנֽוֹן׃ | 'Al-ken yeamar besefer miljamot Adonai et-Vahev besufah veet-hanjalim Arnon | Daarom wordt gezegd in het Boek der Oorlogen van de Eeuwige: Wat Hij deed bij de Schelfzee en bij de beken van de Arnon, |
| 21:15 | וְאֶשֶׁד הַנְּחָלִים אֲשֶׁר נָטָה לְשֶׁבֶת עָר וְנִשְׁעַן לִגְבוּל מוֹאָֽב׃ | Veeshed hanjalim asher natah leshevet 'ar venish'an ligvul Moav | en de helling der beken die zich neigt naar de woonplaats Ar, en zich aansluit bij de grens van Moav. |
| 21:16 | וּמִשָּׁם בְּאֵרָה הִוא הַבְּאֵר אֲשֶׁר אָמַר יְהוָה לְמֹשֶׁה אֱסֹף אֶת־הָעָם וְאֶתְּנָה לָהֶם מָֽיִם׃ | Umisham beerah hiv haber asher amar Adonai lemosheh esof et-ha'am veetnah lahem mayim | En vandaar [trokken zij] naar Beer [de put]; dit is de put waarvan de Eeuwige tot Mosje zeide: Verzamel het volk, en Ik zal hun water geven. |
| 21:17 | אָז יָשִׁיר יִשְׂרָאֵל אֶת־הַשִּׁירָה הַזֹּאת עֲלִי בְאֵר עֱנוּ־לָֽהּ׃ | Az yashir Yisrael et-hashirah hazot 'ali veer 'enu-lah | Toen zong Israël dit lied: Welop, gij put! Zingt haar toe! |
| 21:18 | בְּאֵר חֲפָרוּהָ שָׂרִים כָּרוּהָ נְדִיבֵי הָעָם בִּמְחֹקֵק בְּמִשְׁעֲנֹתָם וּמִמִּדְבָּר מַתָּנָֽה׃ | Beer jafaruha sarim karuha nedivey ha'am bimjokek bemish'anotam umimidbar Matanah | Put, die vorsten gegraven hebben, die de edelen des volks uitgehouwen hebben, met de scepter, met hun staven. En uit de woestijn [trokken zij] naar Mattana; |
| 21:19 | וּמִמַּתָּנָה נַחֲלִיאֵל וּמִנַּחֲלִיאֵל בָּמֽוֹת׃ | Umimatanah Najaliel uminajaliel Bamot | en van Mattana naar Nachaliël; en van Nachaliël naar Bamot; |
| 21:20 | וּמִבָּמוֹת הַגַּיְא אֲשֶׁר בִּשְׂדֵה מוֹאָב רֹאשׁ הַפִּסְגָּה וְנִשְׁקָפָה עַל־פְּנֵי הַיְשִׁימֹֽן׃ | Umibamot hagay asher bisdeh Moav rosh hapisgah venishkafah 'al-peney hayshimon | en van Bamot naar het dal dat in het veld van Moav ligt, naar de top van de Pisga, die uitziet over de woestijn. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/aliya-7.mp3
| 21:21 | וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים אֶל־סִיחֹן מֶֽלֶךְ־הָאֱמֹרִי לֵאמֹֽר׃ | Vayishlaj Yisrael malajim el-Sijon melej-haEmori lemor | En Israël zond boden tot Sichon, de koning der Emorieten, zeggende: |
| 21:22 | אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ לֹא נִטֶּה בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם לֹא נִשְׁתֶּה מֵי בְאֵר בְּדֶרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ עַד אֲשֶֽׁר־נַעֲבֹר גְּבֻלֶֽךָ׃ | E'brah veartzeja lo niteh besadeh uvjerem lo nishteh mey veer bederej hamelej nelej 'ad asher-na'avor gevuleja | Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afwijken naar akker of wijngaard, wij zullen geen water uit een put drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. |
| 21:23 | וְלֹא־נָתַן סִיחֹן אֶת־יִשְׂרָאֵל עֲבֹר בִּגְבֻלוֹ וַיֶּאֱסֹף סִיחֹן אֶת־כָּל־עַמּוֹ וַיֵּצֵא לִקְרַאת יִשְׂרָאֵל הַמִּדְבָּרָה וַיָּבֹא יָהְצָה וַיִּלָּחֶם בְּיִשְׂרָאֵֽל׃ | Velo-natan Sijon et-Yisrael 'avor bigvulo vayeesof Sijon et-kal-'amo vayetze likrat Yisrael hamidbarah vayavo yahtzah vayilajem beyisrael | En Sichon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken; en Sichon verzamelde al zijn volk, en trok Israël tegemoet in de woestijn, en kwam naar Jahaz, en streed tegen Israël. |
| 21:24 | וַיַּכֵּהוּ יִשְׂרָאֵל לְפִי־חָרֶב וַיִּירַשׁ אֶת־אַרְצוֹ מֵֽאַרְנֹן עַד־יַבֹּק עַד־בְּנֵי עַמּוֹן כִּי עַז גְּבוּל בְּנֵי עַמּֽוֹן׃ | Vayakehu Yisrael lefi-jarev vayirash et-artzo mearnon 'ad-Yabok 'ad-beney 'amon ki 'az gevul beney 'amon | En Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan [het gebied van] de kinderen Ammons; want sterk was de grens der kinderen Ammons. |
| 21:25 | וַיִּקַּח יִשְׂרָאֵל אֵת כָּל־הֶעָרִים הָאֵלֶּה וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּכָל־עָרֵי הָֽאֱמֹרִי בְּחֶשְׁבּוֹן וּבְכָל־בְּנֹתֶֽיהָ׃ | Vayikaj Yisrael et kal-he'arim haeleh vayeshev Yisrael bejal-'arey haEmori bejeshbon uvjal-benoteyha | En Israël nam al deze steden, en Israël woonde in alle steden der Emorieten, in Chesjbon en in al haar dorpen. |
| 21:26 | כִּי חֶשְׁבּוֹן עִיר סִיחֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי הִוא וְהוּא נִלְחַם בְּמֶלֶךְ מוֹאָב הָֽרִאשׁוֹן וַיִּקַּח אֶת־כָּל־אַרְצוֹ מִיָּדוֹ עַד־אַרְנֹֽן׃ | Ki Jeshbon 'ir Sijon melej haEmori hiv vehu niljam bemelej Moav harishon vayikaj et-kal-artzo miyado 'ad-Arnon | Want Chesjbon was de stad van Sichon, koning der Emorieten, die gestreden had tegen de vorige koning van Moav, en zijn gehele land uit diens hand genomen had, tot aan de Arnon. |
| 21:27 | עַל־כֵּן יֹאמְרוּ הַמֹּשְׁלִים בֹּאוּ חֶשְׁבּוֹן תִּבָּנֶה וְתִכּוֹנֵן עִיר סִיחֽוֹן׃ | 'Al-ken yomru hamoshlim bou Jeshbon tibaneh vetikonen 'ir Sijon | Daarom zeggen de spreukendichters: Komt naar Chesjbon; herbouwd en hersteld worde de stad van Sichon. |
| 21:28 | כִּי־אֵשׁ יָֽצְאָה מֵֽחֶשְׁבּוֹן לֶהָבָה מִקִּרְיַת סִיחֹן אָֽכְלָה עָר מוֹאָב בַּעֲלֵי בָּמוֹת אַרְנֹֽן׃ | Ki-esh yatzah mejeshbon lehavah mikiryat Sijon ajlah 'ar Moav ba'aley Bamot Arnon | Want vuur ging uit van Chesjbon, een vlam uit de stad van Sichon; het verteerde Ar-Moav, de heren der hoogten van de Arnon. |
| 21:29 | אוֹי־לְךָ מוֹאָב אָבַדְתָּ עַם־כְּמוֹשׁ נָתַן בָּנָיו פְּלֵיטִם וּבְנֹתָיו בַּשְּׁבִית לְמֶלֶךְ אֱמֹרִי סִיחֽוֹן׃ | Oy-leja Moav avadta 'am-kemosh natan banayv peleytim uvnotayv bashvit lemelej Emori Sijon | Wee u, Moav! Gij zijt verloren, volk van Kemosj; hij gaf zijn zonen prijs als vluchtelingen, en zijn dochters in gevangenschap, aan Sichon, koning der Emorieten. |
| 21:30 | וַנִּירָם אָבַד חֶשְׁבּוֹן עַד־דִּיבוֹן וַנַּשִּׁים עַד־נֹפַח אֲשֶׁרׄ עַד־מֵֽידְבָֽא׃ | Vaniram avad Jeshbon 'ad-divon vanashim 'ad-Nofaj asher 'ad-meydva | En wij sloegen hen neer; Chesjbon ging te gronde tot Divon toe; en wij verwoestten tot Nofach, dat tot Medeva reikt. |
| 21:31 | וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּאֶרֶץ הָאֱמֹרִֽי׃ | Vayeshev Yisrael beeretz haEmori | En Israël woonde in het land der Emorieten. |
| 21:32 | וַיִּשְׁלַח מֹשֶׁה לְרַגֵּל אֶת־יַעְזֵר וַֽיִּלְכְּדוּ בְּנֹתֶיהָ ויירש [וַיּוֹרֶשׁ] אֶת־הָאֱמֹרִי אֲשֶׁר־שָֽׁם׃ | Vayishlaj Moshe leragel et-ya'zer vayilkdu benoteyha vyyrsh vayoresh et-haEmori asher-sham | En Mosje zond uit om Jazer te verkennen, en zij namen haar dorpen in, en verdreven de Emoriet die daar was. |
| 21:33 | וַיִּפְנוּ וַֽיַּעֲלוּ דֶּרֶךְ הַבָּשָׁן וַיֵּצֵא עוֹג מֶֽלֶךְ־הַבָּשָׁן לִקְרָאתָם הוּא וְכָל־עַמּוֹ לַמִּלְחָמָה אֶדְרֶֽעִי׃ | Vayifnu vaya'alu derej habashan vayetze 'og melej-habashan likratam hu vejal-'amo lamiljamah edre'i | En zij wendden zich en trokken op langs de weg naar Basjan; en Og, koning van Basjan, trok hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd bij Edreï. |
| 21:34 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל־מֹשֶׁה אַל־תִּירָא אֹתוֹ כִּי בְיָדְךָ נָתַתִּי אֹתוֹ וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ וְאֶת־אַרְצוֹ וְעָשִׂיתָ לּוֹ כַּאֲשֶׁר עָשִׂיתָ לְסִיחֹן מֶלֶךְ הָֽאֱמֹרִי אֲשֶׁר יוֹשֵׁב בְּחֶשְׁבּֽוֹן׃ | Vayomer Adonai el-Moshe al-tira oto ki veyadja natati oto veet-kal-'amo veet-artzo ve'asita lo kaasher 'asita lesijon melej haEmori asher yoshev bejeshbon | En de Eeuwige zeide tot Mosje: Vrees hem niet, want Ik heb hem in uw hand gegeven, hem en al zijn volk en zijn land; en gij zult met hem doen zoals gij met Sichon, koning der Emorieten, die in Chesjbon woonde, gedaan hebt. |
| 21:35 | וַיַּכּוּ אֹתוֹ וְאֶת־בָּנָיו וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ עַד־בִּלְתִּי הִשְׁאִֽיר־לוֹ שָׂרִיד וַיִּֽירְשׁוּ אֶת־אַרְצֽוֹ׃ | Vayaku oto veet-banayv veet-kal-'amo 'ad-bilti hishir-lo sarid vayirshu et-artzo | En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, totdat hem geen ontkomene overbleef; en zij namen zijn land in bezit. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/maftir.mp3
| 22:1 | וַיִּסְעוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וַֽיַּחֲנוּ בְּעַֽרְבוֹת מוֹאָב מֵעֵבֶר לְיַרְדֵּן יְרֵחֽוֹ׃ | Vayis'u beney Yisrael vayajanu be'arvot Moav me'ever leyarden Yerejo | En de kinderen Israëls braken op en legerden zich in de vlakten van Moav, aan de overzijde van de Jordaan, tegenover Jericho. |
Audio van de lezing ·
audio/nl/haftarah.mp3
| Rechters 11:1 | וְיִפְתָּח הַגִּלְעָדִי הָיָה גִּבּוֹר חַיִל וְהוּא בֶּן־אִשָּׁה זוֹנָה וַיּוֹלֶד גִּלְעָד אֶת־יִפְתָּֽח׃ | Veyiftaj hagil'adi hayah gibor jayil vehu ben-ishah zonah vayoled Gil'ad et-Yiftaj | En Jiftach, de Gileadiet, was een dapper held, maar hij was de zoon van een hoer; en Gilead verwekte Jiftach. |
| Rechters 11:2 | וַתֵּלֶד אֵֽשֶׁת־גִּלְעָד לוֹ בָּנִים וַיִּגְדְּלוּ בְֽנֵי־הָאִשָּׁה וַיְגָרְשׁוּ אֶת־יִפְתָּח וַיֹּאמְרוּ לוֹ לֹֽא־תִנְחַל בְּבֵית־אָבִינוּ כִּי בֶּן־אִשָּׁה אַחֶרֶת אָֽתָּה׃ | Vateled eshet-Gil'ad lo banim vayigdlu veney-haishah vaygarshu et-Yiftaj vayomru lo lo-tinjal beveyt-avinu ki ben-ishah ajeret atah | En de vrouw van Gilead baarde hem zonen; en de zonen der vrouw groeiden op, en zij verdreven Jiftach, en zeiden tot hem: Gij zult niet erven in het huis van onze vader, want gij zijt de zoon van een andere vrouw. |
| Rechters 11:3 | וַיִּבְרַח יִפְתָּח מִפְּנֵי אֶחָיו וַיֵּשֶׁב בְּאֶרֶץ טוֹב וַיִּֽתְלַקְּטוּ אֶל־יִפְתָּח אֲנָשִׁים רֵיקִים וַיֵּצְאוּ עִמּֽוֹ׃ | Vayivraj Yiftaj mipney ejayv vayeshev beeretz Tov vayitlaktu el-Yiftaj anashim reykim vayetzu 'imo | Toen vluchtte Jiftach voor zijn broeders, en woonde in het land Tob; en er verzamelden zich bij Jiftach lichtzinnige mannen, en zij trokken met hem uit. |
| Rechters 11:4 | וַיְהִי מִיָּמִים וַיִּלָּחֲמוּ בְנֵֽי־עַמּוֹן עִם־יִשְׂרָאֵֽל׃ | Vayhi miyamim vayilajamu veney-'amon 'im-Yisrael | En het geschiedde na verloop van tijd, dat de kinderen Ammons oorlog voerden tegen Israël. |
| Rechters 11:5 | וַיְהִי כַּאֲשֶׁר־נִלְחֲמוּ בְנֵֽי־עַמּוֹן עִם־יִשְׂרָאֵל וַיֵּֽלְכוּ זִקְנֵי גִלְעָד לָקַחַת אֶת־יִפְתָּח מֵאֶרֶץ טֽוֹב׃ | Vayhi kaasher-niljamu veney-'amon 'im-Yisrael vayelju zikney Gil'ad lakajat et-Yiftaj meeretz Tov | En het geschiedde, toen de kinderen Ammons oorlog voerden tegen Israël, dat de oudsten van Gilead gingen om Jiftach te halen uit het land Tob. |
| Rechters 11:6 | וַיֹּאמְרוּ לְיִפְתָּח לְכָה וְהָיִיתָה לָּנוּ לְקָצִין וְנִֽלָּחֲמָה בִּבְנֵי עַמּֽוֹן׃ | Vayomru leyiftaj lejah vehayitah lanu lekatzin venilajamah bivney 'amon | En zij zeiden tot Jiftach: Kom, en wees onze aanvoerder, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. |
| Rechters 11:7 | וַיֹּאמֶר יִפְתָּח לְזִקְנֵי גִלְעָד הֲלֹא אַתֶּם שְׂנֵאתֶם אוֹתִי וַתְּגָרְשׁוּנִי מִבֵּית אָבִי וּמַדּוּעַ בָּאתֶם אֵלַי עַתָּה כַּאֲשֶׁר צַר לָכֶֽם׃ | Vayomer Yiftaj lezikney Gil'ad halo atem senetem oti vatgarshuni mibeyt avi umadu'a batem elay 'atah kaasher tzar lajem | En Jiftach zeide tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij niet gehaat, en mij verdreven uit het huis van mijn vader? En waarom komt gij nu tot mij, nu gij in nood zijt? |
| Rechters 11:8 | וַיֹּאמְרוּ זִקְנֵי גִלְעָד אֶל־יִפְתָּח לָכֵן עַתָּה שַׁבְנוּ אֵלֶיךָ וְהָלַכְתָּ עִמָּנוּ וְנִלְחַמְתָּ בִּבְנֵי עַמּוֹן וְהָיִיתָ לָּנוּ לְרֹאשׁ לְכֹל יֹשְׁבֵי גִלְעָֽד׃ | Vayomru zikney Gil'ad el-Yiftaj lajen 'atah shavnu eleyja vehalajta 'imanu veniljamta bivney 'amon vehayita lanu lerosh lejol yoshvey Gil'ad | En de oudsten van Gilead zeiden tot Jiftach: Daarom zijn wij nu tot u teruggekeerd, opdat gij met ons trekt en strijdt tegen de kinderen Ammons, en gij zult ons tot hoofd zijn over alle inwoners van Gilead. |
| Rechters 11:9 | וַיֹּאמֶר יִפְתָּח אֶל־זִקְנֵי גִלְעָד אִם־מְשִׁיבִים אַתֶּם אוֹתִי לְהִלָּחֵם בִּבְנֵי עַמּוֹן וְנָתַן יְהוָה אוֹתָם לְפָנָי אָנֹכִי אֶהְיֶה לָכֶם לְרֹֽאשׁ׃ | Vayomer Yiftaj el-zikney Gil'ad im-meshivim atem oti lehilajem bivney 'amon venatan Adonai otam lefanay anoji ehyeh lajem lerosh | En Jiftach zeide tot de oudsten van Gilead: Indien gij mij terugbrengt om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de Eeuwige hen voor mijn aangezicht geeft, zal ik dan uw hoofd zijn? |
| Rechters 11:10 | וַיֹּאמְרוּ זִקְנֵֽי־גִלְעָד אֶל־יִפְתָּח יְהוָה יִהְיֶה שֹׁמֵעַ בֵּֽינוֹתֵינוּ אִם־לֹא כִדְבָרְךָ כֵּן נַעֲשֶֽׂה׃ | Vayomru zikney-Gil'ad el-Yiftaj Adonai yihyeh shome'a beynoteynu im-lo jidvarja ken na'aseh | En de oudsten van Gilead zeiden tot Jiftach: De Eeuwige zij getuige tussen ons, indien wij niet doen naar uw woord. |
| Rechters 11:11 | וַיֵּלֶךְ יִפְתָּח עִם־זִקְנֵי גִלְעָד וַיָּשִׂימוּ הָעָם אוֹתוֹ עֲלֵיהֶם לְרֹאשׁ וּלְקָצִין וַיְדַבֵּר יִפְתָּח אֶת־כָּל־דְּבָרָיו לִפְנֵי יְהוָה בַּמִּצְפָּֽה׃ | Vayelej Yiftaj 'im-zikney Gil'ad vayasimu ha'am oto 'aleyhem lerosh ulkatzin vaydaber Yiftaj et-kal-devarayv lifney Adonai bamitzpah | Toen trok Jiftach met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot hoofd en aanvoerder over zich; en Jiftach sprak al zijn woorden voor het aangezicht van de Eeuwige te Mitspa. |
| Rechters 11:12 | וַיִּשְׁלַח יִפְתָּח מַלְאָכִים אֶל־מֶלֶךְ בְּנֵֽי־עַמּוֹן לֵאמֹר מַה־לִּי וָלָךְ כִּֽי־בָאתָ אֵלַי לְהִלָּחֵם בְּאַרְצִֽי׃ | Vayishlaj Yiftaj malajim el-melej beney-'amon lemor mah-li valaj ki-vata elay lehilajem beartzi | En Jiftach zond boden tot de koning der kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben wij met elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt om oorlog te voeren in mijn land? |
| Rechters 11:13 | וַיֹּאמֶר מֶלֶךְ בְּנֵי־עַמּוֹן אֶל־מַלְאֲכֵי יִפְתָּח כִּֽי־לָקַח יִשְׂרָאֵל אֶת־אַרְצִי בַּעֲלוֹתוֹ מִמִּצְרַיִם מֵאַרְנוֹן וְעַד־הַיַּבֹּק וְעַד־הַיַּרְדֵּן וְעַתָּה הָשִׁיבָה אֶתְהֶן בְּשָׁלֽוֹם׃ | Vayomer melej beney-'amon el-malajey Yiftaj ki-lakaj Yisrael et-artzi ba'aloto mimitzrayim mearnon ve'ad-hayabok ve'ad-hayarden ve'atah hashivah ethen beshalom | En de koning der kinderen Ammons zeide tot de boden van Jiftach: Omdat Israël mijn land genomen heeft, toen het uit Egypte optrok, van de Arnon tot de Jabbok en tot de Jordaan; geeft het nu derhalve in vrede terug. |
| Rechters 11:14 | וַיּוֹסֶף עוֹד יִפְתָּח וַיִּשְׁלַח מַלְאָכִים אֶל־מֶלֶךְ בְּנֵי עַמּֽוֹן׃ | Vayosef 'od Yiftaj vayishlaj malajim el-melej beney 'amon | En Jiftach zond opnieuw boden tot de koning der kinderen Ammons, |
| Rechters 11:15 | וַיֹּאמֶר לוֹ כֹּה אָמַר יִפְתָּח לֹֽא־לָקַח יִשְׂרָאֵל אֶת־אֶרֶץ מוֹאָב וְאֶת־אֶרֶץ בְּנֵי עַמּֽוֹן׃ | Vayomer lo koh amar Yiftaj lo-lakaj Yisrael et-eretz Moav veet-eretz beney 'amon | en zeide tot hem: Zo zegt Jiftach: Israël heeft noch het land van Moav, noch het land der kinderen Ammons genomen. |
| Rechters 11:16 | כִּי בַּעֲלוֹתָם מִמִּצְרָיִם וַיֵּלֶךְ יִשְׂרָאֵל בַּמִּדְבָּר עַד־יַם־סוּף וַיָּבֹא קָדֵֽשָׁה׃ | Ki ba'alotam mimitzrayim vayelej Yisrael bamidbar 'ad-yam-suf vayavo kadeshah | Want toen zij uit Egypte optrokken, trok Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam naar Kadesj. |
| Rechters 11:17 | וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים ׀ אֶל־מֶלֶךְ אֱדוֹם ׀ לֵאמֹר אֶעְבְּרָה־נָּא בְאַרְצֶךָ וְלֹא שָׁמַע מֶלֶךְ אֱדוֹם וְגַם אֶל־מֶלֶךְ מוֹאָב שָׁלַח וְלֹא אָבָה וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּקָדֵֽשׁ׃ | Vayishlaj Yisrael malajim el-melej Edom lemor e'brah-na veartzeja velo shama' melej Edom vegam el-melej Moav shalaj velo avah vayeshev Yisrael bekadesh | En Israël zond boden tot de koning van Edom, zeggende: Laat mij toch door uw land trekken; maar de koning van Edom hoorde niet. Ook tot de koning van Moav zond het, en deze wilde niet; en Israël bleef in Kadesj. |
| Rechters 11:18 | וַיֵּלֶךְ בַּמִּדְבָּר וַיָּסָב אֶת־אֶרֶץ אֱדוֹם וְאֶת־אֶרֶץ מוֹאָב וַיָּבֹא מִמִּזְרַח־שֶׁמֶשׁ לְאֶרֶץ מוֹאָב וַֽיַּחֲנוּן בְּעֵבֶר אַרְנוֹן וְלֹא־בָאוּ בִּגְבוּל מוֹאָב כִּי אַרְנוֹן גְּבוּל מוֹאָֽב׃ | Vayelej bamidbar vayasav et-eretz Edom veet-eretz Moav vayavo mimizraj-shemesh leeretz Moav vayajanun be'ever Arnon velo-vau bigvul Moav ki Arnon gevul Moav | En het trok door de woestijn en omtrok het land Edom en het land Moav, en kwam van de opgang der zon naar het land Moav, en zij legerden zich aan de overzijde van de Arnon; maar zij kwamen niet in het gebied van Moav, want de Arnon was de grens van Moav. |
| Rechters 11:19 | וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים אֶל־סִיחוֹן מֶֽלֶךְ־הָאֱמֹרִי מֶלֶךְ חֶשְׁבּוֹן וַיֹּאמֶר לוֹ יִשְׂרָאֵל נַעְבְּרָה־נָּא בְאַרְצְךָ עַד־מְקוֹמִֽי׃ | Vayishlaj Yisrael malajim el-Sijon melej-haEmori melej Jeshbon vayomer lo Yisrael na'brah-na veartzja 'ad-mekomi | En Israël zond boden tot Sichon, koning der Emorieten, koning van Chesjbon, en Israël zeide tot hem: Laat ons toch door uw land trekken naar mijn plaats. |
| Rechters 11:20 | וְלֹא־הֶאֱמִין סִיחוֹן אֶת־יִשְׂרָאֵל עֲבֹר בִּגְבֻלוֹ וַיֶּאֱסֹף סִיחוֹן אֶת־כָּל־עַמּוֹ וַֽיַּחֲנוּ בְּיָהְצָה וַיִּלָּחֶם עִם־יִשְׂרָאֵֽל׃ | Velo-heemin Sijon et-Yisrael 'avor bigvulo vayeesof Sijon et-kal-'amo vayajanu beyahtzah vayilajem 'im-Yisrael | Maar Sichon vertrouwde Israël niet om door zijn gebied te trekken; en Sichon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jahaz, en hij streed tegen Israël. |
| Rechters 11:21 | וַיִּתֵּן יְהוָה אֱלֹהֵֽי־יִשְׂרָאֵל אֶת־סִיחוֹן וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ בְּיַד יִשְׂרָאֵל וַיַּכּוּם וַיִּירַשׁ יִשְׂרָאֵל אֵת כָּל־אֶרֶץ הָאֱמֹרִי יוֹשֵׁב הָאָרֶץ הַהִֽיא׃ | Vayiten Adonai elohey-Yisrael et-Sijon veet-kal-'amo beyad Yisrael vayakum vayirash Yisrael et kal-eretz haEmori yoshev haaretz hahi | En de Eeuwige, de God van Israël, gaf Sichon en al zijn volk in de hand van Israël, en zij sloegen hen; en Israël nam het gehele land der Emorieten in bezit, die in dat land woonden. |
| Rechters 11:22 | וַיִּירְשׁוּ אֵת כָּל־גְּבוּל הָאֱמֹרִי מֵֽאַרְנוֹן וְעַד־הַיַּבֹּק וּמִן־הַמִּדְבָּר וְעַד־הַיַּרְדֵּֽן׃ | Vayirshu et kal-gevul haEmori mearnon ve'ad-hayabok umin-hamidbar ve'ad-hayarden | En zij namen het gehele gebied der Emorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, en van de woestijn tot de Jordaan. |
| Rechters 11:23 | וְעַתָּה יְהוָה ׀ אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל הוֹרִישׁ אֶת־הָאֱמֹרִי מִפְּנֵי עַמּוֹ יִשְׂרָאֵל וְאַתָּה תִּירָשֶֽׁנּוּ׃ | Ve'atah Adonai elohey Yisrael horish et-haEmori mipney 'amo Yisrael veatah tirashenu | En nu, de Eeuwige, de God van Israël, heeft de Emoriet voor het aangezicht van Zijn volk Israël verdreven, en zoudt gij het in bezit nemen? |
| Rechters 11:24 | הֲלֹא אֵת אֲשֶׁר יוֹרִֽישְׁךָ כְּמוֹשׁ אֱלֹהֶיךָ אוֹתוֹ תִירָשׁ וְאֵת כָּל־אֲשֶׁר הוֹרִישׁ יְהוָה אֱלֹהֵינוּ מִפָּנֵינוּ אוֹתוֹ נִירָֽשׁ׃ | Halo et asher yorishja kemosh eloheyja oto tirash veet kal-asher horish Adonai eloheynu mipaneynu oto nirash | Bezit gij niet wat Kemosj, uw god, u doet bezitten? En alles wat de Eeuwige, onze God, voor ons aangezicht verdreven heeft, dat zullen wij bezitten. |
| Rechters 11:25 | וְעַתָּה הֲטוֹב טוֹב אַתָּה מִבָּלָק בֶּן־צִפּוֹר מֶלֶךְ מוֹאָב הֲרוֹב רָב עִם־יִשְׂרָאֵל אִם־נִלְחֹם נִלְחַם בָּֽם׃ | Ve'atah hatov Tov atah mibalak ben-tzipor melej Moav harov rav 'im-Yisrael im-niljom niljam bam | En nu, zijt gij dan beter dan Balak, de zoon van Tsippor, koning van Moav? Heeft hij ooit getwist met Israël, of ooit tegen hen gestreden? |
| Rechters 11:26 | בְּשֶׁבֶת יִשְׂרָאֵל בְּחֶשְׁבּוֹן וּבִבְנוֹתֶיהָ וּבְעַרְעוֹר וּבִבְנוֹתֶיהָ וּבְכָל־הֶֽעָרִים אֲשֶׁר עַל־יְדֵי אַרְנוֹן שְׁלֹשׁ מֵאוֹת שָׁנָה וּמַדּוּעַ לֹֽא־הִצַּלְתֶּם בָּעֵת הַהִֽיא׃ | Beshevet Yisrael bejeshbon uvivnoteyha uv'ar'or uvivnoteyha uvjal-he'arim asher 'al-yedey Arnon shelosh meot shanah umadu'a lo-hitzaltem ba'et hahi | Terwijl Israël driehonderd jaar in Chesjbon en haar dorpen woonde, in Aroër en haar dorpen, en in alle steden die aan de Arnon liggen, waarom hebt gij ze in die tijd niet teruggewonnen? |
| Rechters 11:27 | וְאָֽנֹכִי לֹֽא־חָטָאתִי לָךְ וְאַתָּה עֹשֶׂה אִתִּי רָעָה לְהִלָּחֶם בִּי יִשְׁפֹּט יְהוָה הַשֹּׁפֵט הַיּוֹם בֵּין בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וּבֵין בְּנֵי עַמּֽוֹן׃ | Veanoji lo-jatati laj veatah 'oseh iti ra'ah lehilajem bi yishpot Adonai hashofet hayom beyn beney Yisrael uveyn beney 'amon | Ik nu heb niet tegen u gezondigd, maar gij handelt kwalijk met mij door tegen mij te strijden. De Eeuwige, de Rechter, oordele heden tussen de kinderen Israëls en de kinderen Ammons. |
| Rechters 11:28 | וְלֹא שָׁמַע מֶלֶךְ בְּנֵי עַמּוֹן אֶל־דִּבְרֵי יִפְתָּח אֲשֶׁר שָׁלַח אֵלָֽיו׃ | Velo shama' melej beney 'amon el-divrey Yiftaj asher shalaj elayv | Maar de koning der kinderen Ammons luisterde niet naar de woorden van Jiftach, die hij hem gezonden had. |
| Rechters 11:29 | וַתְּהִי עַל־יִפְתָּח רוּחַ יְהוָה וַיַּעֲבֹר אֶת־הַגִּלְעָד וְאֶת־מְנַשֶּׁה וַֽיַּעֲבֹר אֶת־מִצְפֵּה גִלְעָד וּמִמִּצְפֵּה גִלְעָד עָבַר בְּנֵי עַמּֽוֹן׃ | Vathi 'al-Yiftaj ruja Adonai vaya'avor et-hagil'ad veet-menasheh vaya'avor et-mitzpeh Gil'ad umimitzpeh Gil'ad 'avar beney 'amon | En de geest van de Eeuwige kwam over Jiftach, en hij trok door Gilead en Menasje, en trok door Mitspe-Gilead, en van Mitspe-Gilead trok hij over naar de kinderen Ammons. |
| Rechters 11:30 | וַיִּדַּר יִפְתָּח נֶדֶר לַיהוָה וַיֹּאמַר אִם־נָתוֹן תִּתֵּן אֶת־בְּנֵי עַמּוֹן בְּיָדִֽי׃ | Vayidar Yiftaj neder laAdonai vayomar im-naton titen et-beney 'amon beyadi | En Jiftach deed de Eeuwige een gelofte, en zeide: Indien Gij de kinderen Ammons inderdaad in mijn hand geeft, |
| Rechters 11:31 | וְהָיָה הַיּוֹצֵא אֲשֶׁר יֵצֵא מִדַּלְתֵי בֵיתִי לִקְרָאתִי בְּשׁוּבִי בְשָׁלוֹם מִבְּנֵי עַמּוֹן וְהָיָה לַֽיהוָה וְהַעֲלִיתִהוּ עוֹלָֽה׃ | Vehayah hayotze asher yetze midaltey veyti likrati beshuvi veshalom mibney 'amon vehayah laAdonai veha'alitihu 'olah | dan zal hetgeen uit de deuren van mijn huis mij tegemoet komt, wanneer ik in vrede van de kinderen Ammons terugkeer, voor de Eeuwige zijn, en ik zal het ten brandoffer brengen. |
| Rechters 11:32 | וַיַּעֲבֹר יִפְתָּח אֶל־בְּנֵי עַמּוֹן לְהִלָּחֶם בָּם וַיִתְּנֵם יְהוָה בְּיָדֽוֹ׃ | Vaya'avor Yiftaj el-beney 'amon lehilajem bam vayitnem Adonai beyado | En Jiftach trok over naar de kinderen Ammons om tegen hen te strijden, en de Eeuwige gaf hen in zijn hand. |
| Rechters 11:33 | וַיַּכֵּם מֵעֲרוֹעֵר וְעַד־בּוֹאֲךָ מִנִּית עֶשְׂרִים עִיר וְעַד אָבֵל כְּרָמִים מַכָּה גְּדוֹלָה מְאֹד וַיִּכָּֽנְעוּ בְּנֵי עַמּוֹן מִפְּנֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃ | Vayakem me'aro'er ve'ad-boaja minit 'esrim 'ir ve'ad avel keramim makah gedolah meod vayikan'u beney 'amon mipney beney Yisrael | En hij sloeg hen van Aroër af tot waar men bij Minnit komt, twintig steden, en tot Avel-Keramim toe, met een zeer grote nederlaag; en de kinderen Ammons werden onderworpen voor het aangezicht der kinderen Israëls. |