Parasjat Devarim — פָּרָשַׁת דְּבָרִים

שַׁבָּת חָזוֹן
Devarim (Deuteronomium) 1:1–3:22 · Sefer Devarim · Sjabbat Chazon · Sofer & Eliyahu BaYona | Yonah Productions NY
AUDI7

Over deze Parasja

Devarim ("Woorden") opent Sefer Devarim (Deuteronomium), het laatste van de Vijf Boeken van de Tora. Mosje begint, op de vlakten van Moav, zijn grote afscheidsrede tot Israël: hij blikt terug op de veertig jaren in de woestijn, het aanstellen van rechters, het voorval met de Meraglim (verspieders), en de verovering van de koninkrijken van Sichon en Og. Deze Sjabbat heet Sjabbat Chazon ("Sjabbat van het Visioen"), de laatste van de Drie Weken vóór Tisja beAv, en de bijbehorende Haftara —Jesaja 1:1-27— wordt traditioneel gezongen op de melodie van Eecha.

Eerste Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 1:1-10  ·  10 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 1 · Perek 1
1אֵלֶּה הַדְּבָרִים, אֲשֶׁר דִּבֶּר מֹשֶׁה אֶל־כָּל־יִשְׂרָאֵל, בְּעֵבֶר, הַיַּרְדֵּן: בַּמִּדְבָּר בָּעֲרָבָה מוֹל סוּף בֵּין־פָּארָן וּבֵין־תֹּפֶל, וְלָבָן וַחֲצֵרֹת--וְדִי זָהָב.Éleh ha-devarím, asher dibér Moshé el-kol-Israel, be'éver ha-Yardén: bamidbár ba'arabá mol Suf bein-Parán uvein-Tófel, veLavan vaChatserót vedí Zahav.Dit zijn de woorden die Mosje sprak tot heel Israël, aan de overzijde van de Jordaan: in de woestijn, in de Arava, tegenover Soef, tussen Paran en Tofel, en Lavan, en Chatserot, en Di-Zahav.
2אַחַד עָשָׂר יוֹם, מֵחֹרֵב, דֶּרֶךְ הַר־שֵׂעִיר, עַד קָדֵשׁ בַּרְנֵעַ.Achad asár yom, meChorév, dérech Har-Se'ír, ad Kadésh Barnéa.Elf dagreizen is het van Chorev tot Kadesj Barnea, via de weg naar de berg Seïr.
3וַיְהִי בְּאַרְבָּעִים שָׁנָה, בְּעַשְׁתֵּי־עָשָׂר חֹדֶשׁ בְּאֶחָד לַחֹדֶשׁ; דִּבֶּר מֹשֶׁה, אֶל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל, כְּכֹל אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֹתוֹ, אֲלֵהֶם.Vayehí be'arba'ím shanáh, be'ashté-asár chódesh be'echád lachódesh; dibér Moshé, el-bené Israel, kechól asher tsivá Adonái otó, alehém.En het gebeurde in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mosje tot de kinderen van Israël sprak, geheel overeenkomstig alles wat de Eeuwige hem voor hen geboden had.
4אַחֲרֵי הַכֹּתוֹ, אֵת סִיחֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי, אֲשֶׁר יוֹשֵׁב, בְּחֶשְׁבּוֹן--וְאֵת, עוֹג מֶלֶךְ הַבָּשָׁן, אֲשֶׁר־יוֹשֵׁב בְּעַשְׁתָּרֹת, בְּאֶדְרֶעִי.Acharé hakotó, et Sichón mélech ha'Emorí, asher yoshév beCheshbón, ve'ét Og mélech haBashán, asher-yoshév be'Ashtarót, be'Edréi.nadat hij Sichon, de koning van de Emorieten, die in Chesjbon woonde, verslagen had, en Og, de koning van Basjan, die in Asjtarot woonde, in Edreï.
5בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן, בְּאֶרֶץ מוֹאָב, הוֹאִיל מֹשֶׁה, בֵּאֵר אֶת־הַתּוֹרָה הַזֹּאת לֵאמֹר.Be'éver haYardén, be'érets Moáv, ho'íl Moshé, be'ér et-haTorá hazot lemór.Aan de overzijde van de Jordaan, in het land Moav, begon Mosje deze Tora uit te leggen, zeggende:
6יְהוָה אֱלֹהֵינוּ דִּבֶּר אֵלֵינוּ, בְּחֹרֵב לֵאמֹר: רַב־לָכֶם שֶׁבֶת, בָּהָר הַזֶּה.Adonái Elohénu dibér elénu, beChorév lemór: rav-lachém shévet, bahár hazé.De Eeuwige, onze God, sprak tot ons bij Chorev, zeggende: 'Lang genoeg zijn jullie op deze berg gebleven.'
7פְּנוּ וּסְעוּ לָכֶם, וּבֹאוּ הַר הָאֱמֹרִי וְאֶל־כָּל־שְׁכֵנָיו, בָּעֲרָבָה בָהָר וּבַשְּׁפֵלָה וּבַנֶּגֶב, וּבְחוֹף הַיָּם--אֶרֶץ הַכְּנַעֲנִי וְהַלְּבָנוֹן, עַד־הַנָּהָר הַגָּדֹל נְהַר־פְּרָת.Penú use'ú lachém, uvó'u har ha'Emorí ve'el-kol-shechenáv, ba'arabá vahár uvashefeláh uvanégev, uvechóf hayám érets haKena'aní vehaLevanón, ad-hanahár hagadól nehár-Perát.Keert u om en trekt op; gaat naar het bergland van de Emorieten en naar al zijn buren, in de Arava, op de berg, in de Sjefela, in de Negev, en aan de zeekust, het land van de Kena'anieten en de Levanon, tot aan de grote rivier, de rivier de Peraat.
8רְאֵה נָתַתִּי לִפְנֵיכֶם, אֶת־הָאָרֶץ; בֹּאוּ, וּרְשׁוּ אֶת־הָאָרֶץ, אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתֵיכֶם לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּלְיַעֲקֹב לָתֵת לָהֶם, וּלְזַרְעָם אַחֲרֵיהֶם.Re'é natáti lifnechém, et-ha'árets; bó'u, ureshú et-ha'árets, asher nishbá Adonái la'avotechém le'Avrahám le'Yitschák ule'Ya'akóv latét lahém, ulezar'ám acharehém.Zie, Ik heb het land vóór u gegeven; gaat erin en neemt het in bezit, het land dat de Eeuwige uw vaderen gezworen heeft, aan Avraham, aan Jitschak en aan Ja'akov, om het aan hen te geven en aan hun nageslacht na hen.
9וָאֹמַר אֲלֵכֶם, בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹר: לֹא־אוּכַל לְבַדִּי, שְׂאֵת אֶתְכֶם.Va'ómar alechém, ba'ét hahí lemór: lo-uchál levadí, se'ét etchém.En ik zei tot u in die tijd: 'Ik kan u niet alleen dragen.'
10יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם, הִרְבָּה אֶתְכֶם; וְהִנְּכֶם הַיּוֹם, כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם לָרֹב.Adonái Elohechém, hirbáh etchém; vehinchém hayóm, kechochvé hashamáyim larov.De Eeuwige, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en zie, heden zijt gij zo talrijk als de sterren des hemels.
Tweede Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 1:11-21  ·  11 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 1 · Perek 1
11יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבוֹתֵכֶם, יֹסֵף עֲלֵיכֶם כָּכֶם--אֶלֶף פְּעָמִים; וִיבָרֵךְ אֶתְכֶם, כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר לָכֶם.Adonái Elohé avotechém, yosef alechém kachém élef pe'amím; vivarech etchém, ka'ashér dibér lachém.Moge de Eeuwige, de God van uw vaderen, u duizendmaal talrijker maken dan gij zijt, en u zegenen zoals Hij u beloofd heeft.
12אֵיכָה אֶשָּׂא, לְבַדִּי, טָרְחֲכֶם וּמַשַּׂאֲכֶם, וְרִיבְכֶם.Eicháh essá, levadí, torchachém umassa'achém, verivchém.Hoe zou ik alleen uw last, uw vracht en uw twisten kunnen dragen?
13הָבוּ לָכֶם אֲנָשִׁים חֲכָמִים וּנְבֹנִים, וִידֻעִים--לְשִׁבְטֵיכֶם; וַאֲשִׂימֵם, בְּרָאשֵׁיכֶם.Havú lachém anashím chachamím unevoním, vidu'ím leshivtechém; va'asimém, berashechém.Kiest u wijze, verstandige en bekende mannen uit naar uw stammen, en ik zal hen tot uw hoofden aanstellen.
14וַתַּעֲנוּ, אֹתִי; וַתֹּאמְרוּ, טוֹב־הַדָּבָר אֲשֶׁר־דִּבַּרְתָּ לַעֲשׂוֹת.Vata'anú otí; vatomerú, tov-hadavár asher-dibárta la'asót.En gij antwoorddet mij en zeidet: 'Goed is het wat gij gezegd hebt te doen.'
15וָאֶקַּח אֶת־רָאשֵׁי שִׁבְטֵיכֶם, אֲנָשִׁים חֲכָמִים וִידֻעִים, וָאֶתֵּן אוֹתָם רָאשִׁים, עֲלֵיכֶם: שָׂרֵי אֲלָפִים וְשָׂרֵי מֵאוֹת, וְשָׂרֵי חֲמִשִּׁים וְשָׂרֵי עֲשָׂרֹת, וְשֹׁטְרִים, לְשִׁבְטֵיכֶם.Va'ekách et-rashé shivtechém, anashím chachamím vidu'ím, va'etén otám rashím alechém: saré alafím vesaré me'ót, vesaré chamishím vesaré assarót, veshotrím leshivtechém.En ik nam de hoofden van uw stammen, wijze en bekende mannen, en stelde hen tot hoofden over u aan: oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, oversten van tien, en opzichters voor uw stammen.
16וָאֲצַוֶּה, אֶת־שֹׁפְטֵיכֶם, בָּעֵת הַהִוא, לֵאמֹר: שָׁמֹעַ בֵּין־אֲחֵיכֶם וּשְׁפַטְתֶּם צֶדֶק, בֵּין־אִישׁ וּבֵין־אָחִיו וּבֵין גֵּרוֹ.Va'atsavéh, et-shoftechém, ba'ét hahí, lemór: shamóa ben-achechém ushfattém tsédek, ben-ísh uvén achív uvén guerró.En ik gebood in die tijd aan uw rechters, zeggende: 'Hoort de geschillen tussen uw broeders, en oordeelt rechtvaardig tussen een man en zijn broeder, en de vreemdeling die bij hem is.'
17לֹא־תַכִּירוּ פָנִים בַּמִּשְׁפָּט, כַּקָּטֹן כַּגָּדֹל תִּשְׁמָעוּן--לֹא תָגוּרוּ מִפְּנֵי־אִישׁ, כִּי הַמִּשְׁפָּט לֵאלֹהִים הוּא; וְהַדָּבָר אֲשֶׁר יִקְשֶׁה מִכֶּם, תַּקְרִבוּן אֵלַי וּשְׁמַעְתִּיו.Lo-takíru faním bamishpát, kakatón kagadól tishme'ún; lo tagúru mipené ísh, kí hamishpát lElohím hu; vehadavár asher yikshé mikém, takrivún elái ushma'tív.Gij zult geen aanzien des persoons hebben in het gericht; hoort zowel de kleine als de grote; weest voor niemand bevreesd, want het gericht behoort aan God. En de zaak die voor u te moeilijk is, brengt die tot mij, en ik zal ze horen.
18וָאֲצַוֶּה אֶתְכֶם, בָּעֵת הַהִוא, אֵת כָּל־הַדְּבָרִים, אֲשֶׁר תַּעֲשׂוּן.Va'atsavéh etchém, ba'ét hahí, et kol-hadevarím, asher ta'assún.En ik gebood u in die tijd alles wat gij zoudt doen.
19וַנִּסַּע מֵחֹרֵב, וַנֵּלֶךְ אֵת כָּל־הַמִּדְבָּר הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא הַהוּא אֲשֶׁר רְאִיתֶם דֶּרֶךְ הַר הָאֱמֹרִי, כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֵינוּ, אֹתָנוּ; וַנָּבֹא, עַד קָדֵשׁ בַּרְנֵעַ.Vanissá meChorév, vanélech et kol-hamidbár hagadól vehanorá hahú asher re'itém dérech har ha'Emorí, ka'ashér tsivá Adonái Elohénu otánu; vanavó, ad Kadésh Barnéa.Wij trokken op van Chorev en doorkruisten die gehele grote en vreselijke woestijn die gij gezien hebt, op weg naar het bergland van de Emorieten, zoals de Eeuwige, onze God, ons geboden had, en wij kwamen tot Kadesj Barnea.
20וָאֹמַר, אֲלֵכֶם: בָּאתֶם עַד־הַר הָאֱמֹרִי, אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֵינוּ נֹתֵן לָנוּ.Va'ómar, alechém: batém ad-har ha'Emorí, asher-Adonái Elohénu notén lánu.En ik zei tot u: 'Gij zijt gekomen tot het bergland van de Emorieten, dat de Eeuwige, onze God, ons geeft.'
21רְאֵה נָתַן יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, לְפָנֶיךָ--אֶת־הָאָרֶץ: עֲלֵה רֵשׁ, כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ לָךְ--אַל־תִּירָא, וְאַל־תֵּחָת.Re'é natán Adonái Elohécha, lefanécha et-ha'árets; aléh resh, ka'ashér dibér Adonái Elohé avotécha lách; al-tirá, ve'al-techát.Zie, de Eeuwige, uw God, heeft het land vóór u gegeven; trekt op en neemt het in bezit, zoals de Eeuwige, de God van uw vaderen, u gezegd heeft; weest niet bevreesd en wordt niet moedeloos.
Derde Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 1:22-38  ·  17 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 1 · Perek 1
22וַתִּקְרְבוּן אֵלַי, כֻּלְּכֶם, וַתֹּאמְרוּ נִשְׁלְחָה אֲנָשִׁים לְפָנֵינוּ, וְיַחְפְּרוּ־לָנוּ אֶת־הָאָרֶץ; וְיָשִׁבוּ אֹתָנוּ, דָּבָר--אֶת־הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר נַעֲלֶה־בָּהּ, וְאֵת הֶעָרִים אֲשֶׁר נָבֹא אֲלֵיהֶן.Vatikrevún elái, kulechém, vatomerú nishlecháh anashím lefanénu, veyachperú-lánu et-ha'árets; veyashívu otánu davár; et-hadérech asher na'aléh-báh, ve'ét he'arím asher navó alehén.Toen naderdet gij allen tot mij en zeidet: 'Laten wij mannen voor ons uit zenden, opdat zij het land voor ons verkennen en ons bericht brengen over de weg waarlangs wij moeten optrekken, en over de steden waar wij zullen komen.'
23וַיִּיטַב בְּעֵינַי, הַדָּבָר; וָאֶקַּח מִכֶּם שְׁנֵים עָשָׂר אֲנָשִׁים, אִישׁ אֶחָד לַשָּׁבֶט.Vayitáv be'ényai, hadavár; va'ekách mikém shnéim assár anashím, ísh echád lashávet.En de zaak was goed in mijn ogen, en ik nam uit u twaalf mannen, één man voor elke stam.
24וַיִּפְנוּ וַיַּעֲלוּ הָהָרָה, וַיָּבֹאוּ עַד־נַחַל אֶשְׁכֹּל; וַיְרַגְּלוּ, אֹתָהּ.Vayifnú vaya'alú hahárah, vayavó'u ad-náchal Eshkól; vayeraguelú, otáh.En zij keerden zich en trokken op naar het bergland, en kwamen tot het dal Esjkol, en verkenden het.
25וַיִּקְחוּ בְיָדָם מִפְּרִי הָאָרֶץ, וַיּוֹרִדוּ אֵלֵינוּ; וַיָּשִׁבוּ אֹתָנוּ דָבָר, וַיֹּאמְרוּ, טוֹבָה הָאָרֶץ, אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֵינוּ נֹתֵן לָנוּ.Vayikchú veyadám mipri ha'árets, vayorídu elénu; vayashívu otánu davár, vayomerú, továh ha'árets, asher-Adonái Elohénu notén lánu.Zij namen van de vrucht van het land in hun handen en brachten die tot ons, en brachten ons bericht, zeggende: 'Goed is het land dat de Eeuwige, onze God, ons geeft.'
26וְלֹא אֲבִיתֶם, לַעֲלֹת; וַתַּמְרוּ, אֶת־פִּי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם.Veló avitém, la'alót; vatamrú, et-pí Adonái Elohechém.Maar gij waart niet bereid op te trekken, en verzette u tegen het woord van de Eeuwige, uw God.
27וַתֵּרָגְנוּ בְאָהֳלֵיכֶם, וַתֹּאמְרוּ, בְּשִׂנְאַת יְהוָה אֹתָנוּ, הוֹצִיאָנוּ מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם--לָתֵת אֹתָנוּ בְּיַד הָאֱמֹרִי, לְהַשְׁמִידֵנוּ.Vateraguenú ve'aholechém, vatomerú, besin'át Adonái otánu, hotsi'ánu me'érets Mitsráyim, latét otánu beyád ha'Emorí, lehashmidénu.En gij mordet in uw tenten, zeggende: 'Uit haat heeft de Eeuwige ons uit het land Mitsrajim geleid, om ons in de hand van de Emorieten over te geven, om ons te verdelgen.'
28אָנָה אֲנַחְנוּ עֹלִים, אַחֵינוּ הֵמַסּוּ אֶת־לְבָבֵנוּ לֵאמֹר עַם גָּדוֹל וָרָם מִמֶּנּוּ, עָרִים גְּדֹלֹת וּבְצוּרֹת, בַּשָּׁמָיִם; וְגַם־בְּנֵי עֲנָקִים, רָאִינוּ שָׁם.Ánah anáchnu olím, achénu hemássu et-levavénu lemór, am gadól varám miménu, arím guedolót uvetsurót bashamáyim; vegám-bené Anakím ra'ínu shám.Waarheen zullen wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen wegsmelten, zeggende: een volk groter en langer dan wij, steden groot en versterkt tot aan de hemel, en bovendien hebben wij daar de kinderen van de Anakieten gezien.
29וָאֹמַר, אֲלֵכֶם: לֹא־תַעַרְצוּן וְלֹא־תִירְאוּן, מֵהֶם.Va'ómar, alechém: lo-ta'artsún veló-tir'ún, mehém.En ik zei tot u: 'Weest niet verschrikt en vreest hen niet.'
30יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם הַהֹלֵךְ לִפְנֵיכֶם, הוּא יִלָּחֵם לָכֶם: כְּכֹל אֲשֶׁר עָשָׂה אִתְּכֶם, בְּמִצְרַיִם--לְעֵינֵיכֶם.Adonái Elohechém haholéch lifnechém, hu yiláchem lachém; kechól asher assáh itchém, beMitsráyim, le'enechém.De Eeuwige, uw God, die vóór u uit gaat, Hij zal voor u strijden, geheel zoals Hij voor u gedaan heeft in Mitsrajim voor uw ogen;
31וּבַמִּדְבָּר, אֲשֶׁר רָאִיתָ, אֲשֶׁר נְשָׂאֲךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ, כַּאֲשֶׁר יִשָּׂא־אִישׁ אֶת־בְּנוֹ--בְּכָל־הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר הֲלַכְתֶּם, עַד־בֹּאֲכֶם עַד־הַמָּקוֹם הַזֶּה.Uvamidbár, asher ra'íta, asher nessa'acha Adonái Elohécha, ka'ashér yisá-ísh et-benó, bechól-hadérech asher halachtém, ad-bo'achém ad-hamakóm hazé.en in de woestijn, waar gij gezien hebt hoe de Eeuwige, uw God, u droeg, zoals een man zijn zoon draagt, op de gehele weg die gij gegaan zijt, totdat gij op deze plaats gekomen zijt.
32וּבַדָּבָר, הַזֶּה--אֵינְכֶם, מַאֲמִינִם, בַּיהוָה, אֱלֹהֵיכֶם.Uvadavár, hazé; enchém, ma'aminím, baAdonái, Elohechém.En ondanks dit alles vertroudet gij niet op de Eeuwige, uw God,
33הַהֹלֵךְ לִפְנֵיכֶם בַּדֶּרֶךְ, לָתוּר לָכֶם מָקוֹם--לַחֲנֹתְכֶם: בָּאֵשׁ לַיְלָה, לַרְאֹתְכֶם בַּדֶּרֶךְ אֲשֶׁר תֵּלְכוּ־בָהּ, וּבֶעָנָן, יוֹמָם.Haholéch lifnechém badérech, latúr lachém makóm, lachanotchém; ba'ésh láylah, lar'otchém badérech asher telchu-váh, uve'anán yomám.die vóór u uit ging op de weg, om voor u een plaats te zoeken om te legeren: bij nacht in het vuur, om u de weg te tonen waarlangs gij moest gaan, en bij dag in de wolk.
34וַיִּשְׁמַע יְהוָה, אֶת־קוֹל דִּבְרֵיכֶם; וַיִּקְצֹף, וַיִּשָּׁבַע לֵאמֹר.Vayishmá Adonái, et-kol divrechém; vayiktsóf, vayishavá lemór.En de Eeuwige hoorde de stem van uw woorden, en werd toornig, en zwoer, zeggende:
35אִם־יִרְאֶה אִישׁ בָּאֲנָשִׁים הָאֵלֶּה, הַדּוֹר הָרָע הַזֶּה--אֵת, הָאָרֶץ הַטּוֹבָה, אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי, לָתֵת לַאֲבֹתֵיכֶם.Im-yir'éh ísh ba'anashím ha'éleh, hadór hará hazé, et ha'árets hatováh, asher nishbáti, latét la'avotechém.'Niemand van deze mannen, van dit boze geslacht, zal het goede land zien dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven,'
36זוּלָתִי כָּלֵב בֶּן־יְפֻנֶּה, הוּא יִרְאֶנָּה, וְלוֹ־אֶתֵּן אֶת־הָאָרֶץ אֲשֶׁר דָּרַךְ־בָּהּ, וּלְבָנָיו--יַעַן, אֲשֶׁר מִלֵּא אַחֲרֵי יְהוָה.Zulatí Kalév ben-Yefunéh, hu yir'énah, veló-etén et-ha'árets asher darach-báh, ulevanáv; yá'an asher milé acharé Adonái.behalve Kalev, de zoon van Jefoenne; hij zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven dat hij betreden heeft, en aan zijn kinderen, omdat hij de Eeuwige volkomen gevolgd heeft.
37גַּם־בִּי הִתְאַנַּף יְהוָה, בִּגְלַלְכֶם לֵאמֹר: גַּם־אַתָּה, לֹא־תָבֹא שָׁם.Gam-bí hit'anáf Adonái, biglalchém lemór: gam-atáh, lo-tavó shám.Ook op mij werd de Eeuwige toornig om uwentwil, zeggende: 'Ook gij zult daar niet binnenkomen.'
38יְהוֹשֻׁעַ בִּן־נוּן הָעֹמֵד לְפָנֶיךָ, הוּא יָבֹא שָׁמָּה; אֹתוֹ חַזֵּק, כִּי־הוּא יַנְחִלֶנָּה אֶת־יִשְׂרָאֵל.Yehoshúa bin-Nun ha'omíd lefanécha, hu yavó shámah; otó chazék, ki-hu yanchilénah et-Israel.Jehosjoea, de zoon van Noen, die vóór u staat, hij zal daar binnenkomen; sterkt hem, want hij zal Israël het doen beërven.
Vierde Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 1:39-2:1  ·  9 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 1 · Perek 1
39וְטַפְּכֶם אֲשֶׁר אֲמַרְתֶּם לָבַז יִהְיֶה, וּבְנֵיכֶם אֲשֶׁר לֹא־יָדְעוּ הַיּוֹם טוֹב וָרָע--הֵמָּה, יָבֹאוּ שָׁמָּה; וְלָהֶם אֶתְּנֶנָּה, וְהֵם יִירָשׁוּהָ.Vetapechém asher amartém lavaz yihyéh, uvenechém asher lo-yad'ú hayóm tov varáh, hémah yavó'u shámah; velahém etnénah, vehém yirashúha.'En uw kleine kinderen, van wie gij zeidet dat zij ten roof zouden worden, en uw zonen die heden goed noch kwaad kennen, zij zullen daar binnenkomen; aan hen zal Ik het geven, en zij zullen het beërven.'
40וְאַתֶּם, פְּנוּ לָכֶם; וּסְעוּ הַמִּדְבָּרָה, דֶּרֶךְ יַם־סוּף.Ve'atém, penú lachém; use'ú hamidbáráh, dérech Yam-Suf.'En gij, keert u om en trekt naar de woestijn, op de weg naar de Rietzee.'
41וַתַּעֲנוּ וַתֹּאמְרוּ אֵלַי, חָטָאנוּ לַיהוָה--אֲנַחְנוּ נַעֲלֶה וְנִלְחַמְנוּ, כְּכֹל אֲשֶׁר־צִוָּנוּ יְהוָה אֱלֹהֵינוּ; וַתַּחְגְּרוּ, אִישׁ אֶת־כְּלֵי מִלְחַמְתּוֹ, וַתָּהִינוּ, לַעֲלֹת הָהָרָה.Vata'anú vatomerú elái, chatánu laAdonái; anáchnu na'aléh vennilchámnu, kechól asher-tsivánu Adonái Elohénu; vatachgrú, ísh et-kelé milchamtó, vatahínu, la'alót hahárah.Gij antwoorddet en zeidet tot mij: 'Wij hebben gezondigd tegen de Eeuwige; wij zullen optrekken en strijden, geheel zoals de Eeuwige, onze God, ons geboden heeft.' En ieder gordde zijn oorlogswapens aan, en gij waagdet het bergland op te trekken.
42וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי, אֱמֹר לָהֶם לֹא תַעֲלוּ וְלֹא־תִלָּחֲמוּ--כִּי אֵינֶנִּי, בְּקִרְבְּכֶם; וְלֹא, תִּנָּגְפוּ, לִפְנֵי, אֹיְבֵיכֶם.Vayómer Adonái elái, emór lahém lo ta'alú veló-tilachamú; ki enéni bekirbechém; veló, tinaguefú, lifné, oyevechém.En de Eeuwige zei tot mij: 'Zeg hun: trekt niet op en strijdt niet, want Ik ben niet in uw midden; opdat gij niet verslagen wordt voor uw vijanden.'
43וָאֲדַבֵּר אֲלֵיכֶם, וְלֹא שְׁמַעְתֶּם; וַתַּמְרוּ אֶת־פִּי יְהוָה, וַתָּזִדוּ וַתַּעֲלוּ הָהָרָה.Va'adabér alechém, veló shma'tém; vatamrú et-pí Adonái, vatazídu vata'alú hahárah.Ik sprak tot u, maar gij luisterdet niet; gij verzettet u tegen het woord van de Eeuwige, en trokt vermetel het bergland op.
44וַיֵּצֵא הָאֱמֹרִי הַיֹּשֵׁב בָּהָר הַהוּא, לִקְרַאתְכֶם, וַיִּרְדְּפוּ אֶתְכֶם, כַּאֲשֶׁר תַּעֲשֶׂינָה הַדְּבֹרִים; וַיַּכְּתוּ אֶתְכֶם בְּשֵׂעִיר, עַד־חָרְמָה.Vayetsé ha'Emorí hayoshév bahár hahú, likratchém, vayirdefú etchém, ka'ashér ta'asénah hadevorím; vayaktú etchém beSe'ír, ad-Chormáh.En de Emoriet die op dat bergland woonde, trok uit u tegemoet, en achtervolgde u zoals bijen doen, en versloeg u in Seïr tot aan Chorma.
45וַתָּשֻׁבוּ וַתִּבְכּוּ, לִפְנֵי יְהוָה; וְלֹא־שָׁמַע יְהוָה בְּקֹלְכֶם, וְלֹא הֶאֱזִין אֲלֵיכֶם.Vatashúvu vativkú, lifné Adonái; veló-shamá Adonái bekolchém, veló he'ezín alechém.En gij keerdet terug en weendet voor de Eeuwige, maar de Eeuwige hoorde niet naar uw stem en leende geen oor aan u.
46וַתֵּשְׁבוּ בְקָדֵשׁ, יָמִים רַבִּים, כַּיָּמִים, אֲשֶׁר יְשַׁבְתֶּם.Vateshvú veKadésh, yamím rabím, kayamím, asher yeshavtém.En gij bleeft in Kadesj vele dagen, zoveel dagen als gij daar verbleven waart.
Devarim — Hoofdstuk 2 · Perek 2
1וַנֵּפֶן וַנִּסַּע הַמִּדְבָּרָה, דֶּרֶךְ יַם־סוּף, כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יְהוָה, אֵלָי; וַנָּסָב אֶת־הַר־שֵׂעִיר, יָמִים רַבִּים.Vanéfen vanissá hamidbáráh, dérech Yam-Suf, ka'ashér dibér Adonái, elái; vanassóv et-Har-Se'ír, yamím rabím.En wij keerden ons om en trokken naar de woestijn, op de weg naar de Rietzee, zoals de Eeuwige mij gezegd had; en wij trokken vele dagen om de berg Seïr heen.
Vijfde Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 2:2-30  ·  29 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 2 · Perek 2
2וַיֹּאמֶר יְהוָה, אֵלַי לֵאמֹר.Vayómer Adonái, elái lemór.En de Eeuwige sprak tot mij, zeggende:
3רַב־לָכֶם, סֹב אֶת־הָהָר הַזֶּה; פְּנוּ לָכֶם, צָפֹנָה.Rav-lachém, sov et-hahár hazé; penú lachém, tsafónah.'Lang genoeg hebt gij deze berg omgetrokken; keert u naar het noorden.'
4וְאֶת־הָעָם, צַו לֵאמֹר, אַתֶּם עֹבְרִים בִּגְבוּל אֲחֵיכֶם בְּנֵי־עֵשָׂו, הַיֹּשְׁבִים בְּשֵׂעִיר; וְיִירְאוּ מִכֶּם, וְנִשְׁמַרְתֶּם מְאֹד.Ve'et-ha'ám, tsav lemór, atém ovrím bigvúl achechém bené-Essáv, hayoshvím beSe'ír; veyir'ú mikém, venishmartém me'ód.En gebied het volk, zeggende: gij trekt door het gebied van uw broeders, de kinderen van Esav, die in Seïr wonen; zij zullen bevreesd voor u zijn, weest daarom zeer op uw hoede.
5אַל־תִּתְגָּרוּ בָם--כִּי לֹא־אֶתֵּן לָכֶם מֵאַרְצָם, עַד מִדְרַךְ כַּף־רָגֶל: כִּי־יְרֻשָּׁה לְעֵשָׂו, נָתַתִּי אֶת־הַר שֵׂעִיר.Al-titgárú vam; ki lo-etén lachém me'artsám, ad midrách kaf-rágel; ki-yerusháh le'Essáv, natáti et-Har Se'ír.Tergt hen niet, want Ik zal u van hun land niets geven, zelfs niet zoveel als een voetzool, want aan Esav heb Ik de berg Seïr tot een bezitting gegeven.
6אֹכֶל תִּשְׁבְּרוּ מֵאִתָּם בַּכֶּסֶף, וַאֲכַלְתֶּם; וְגַם־מַיִם תִּכְרוּ מֵאִתָּם, בַּכֶּסֶף--וּשְׁתִיתֶם.Óchel tishberú me'itám bakésef, va'achaltém; vegám-máyim tichrú me'itám, bakésef ushtitém.Voedsel zult gij van hen kopen voor geld, en eten; en ook water zult gij van hen kopen voor geld, en drinken.
7כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בֵּרַכְךָ, בְּכֹל מַעֲשֵׂה יָדֶךָ--יָדַע לֶכְתְּךָ, אֶת־הַמִּדְבָּר הַגָּדֹל הַזֶּה: זֶה אַרְבָּעִים שָׁנָה, יְהוָה אֱלֹהֶיךָ עִמָּךְ--לֹא חָסַרְתָּ, דָּבָר.Ki Adonái Elohécha berachchá, bechól ma'assé yadécha; yadá lechtechá, et-hamidbár hagadól hazé; zeh arba'ím shanáh, Adonái Elohécha imách, lo chasártah davár.Want de Eeuwige, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw handen; Hij kent uw gaan door deze grote woestijn: deze veertig jaren is de Eeuwige, uw God, met u geweest; het heeft u aan niets ontbroken.
8וַנַּעֲבֹר מֵאֵת אַחֵינוּ בְנֵי־עֵשָׂו, הַיֹּשְׁבִים בְּשֵׂעִיר, מִדֶּרֶךְ הָעֲרָבָה, מֵאֵילַת וּמֵעֶצְיֹן גָּבֶר; וַנֵּפֶן, וַנַּעֲבֹר, דֶּרֶךְ, מִדְבַּר מוֹאָב.Vana'avór me'ét achénu vené-Essáv, hayoshvím beSe'ír, midérech ha'arabáh, me'Elát ume'Etsyón Gáver; vanéfen, vana'avór, dérech, midbár Moáv.En wij trokken voorbij onze broeders, de kinderen van Esav die in Seïr wonen, weg van de weg van de Arava, van Elat en van Etsjon-Gaver; en wij keerden ons om en trokken op de weg van de woestijn van Moav.
9וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי, אַל־תָּצַר אֶת־מוֹאָב, וְאַל־תִּתְגָּר בָּם, מִלְחָמָה: כִּי לֹא־אֶתֵּן לְךָ מֵאַרְצוֹ, יְרֻשָּׁה--כִּי לִבְנֵי־לוֹט, נָתַתִּי אֶת־עָר יְרֻשָּׁה.Vayómer Adonái elái, al-tátsar et-Moáv, ve'al-titgár bam milchamáh; ki lo-etén lechá me'artsó, yerusháh; ki livné-Lot, natáti et-Ar yerusháh.En de Eeuwige zei tot mij: 'Bestrijdt Moav niet, en voert geen oorlog met hen, want Ik zal u van hun land geen bezitting geven, want aan de kinderen van Lot heb Ik Ar tot een bezitting gegeven.'
10הָאֵמִים לְפָנִים, יָשְׁבוּ בָהּ--עַם גָּדוֹל וְרַב וָרָם, כָּעֲנָקִים.Ha'Emím lefaním, yashvú váh; am gadól verav varám, ka'Anakím.De Emieten woonden daar voorheen, een volk groot en talrijk en lang als de Anakieten.
11רְפָאִים יֵחָשְׁבוּ אַף־הֵם, כָּעֲנָקִים; וְהַמֹּאָבִים, יִקְרְאוּ לָהֶם אֵמִים.Refa'ím yechashvú af-hém, ka'Anakím; vehaMo'avím, yikre'ú lahém Emím.Ook zij worden als Refaïeten gerekend, zoals de Anakieten; maar de Moavieten noemen hen Emieten.
12וּבְשֵׂעִיר יָשְׁבוּ הַחֹרִים, לְפָנִים, וּבְנֵי עֵשָׂו יִירָשׁוּם וַיַּשְׁמִידוּם מִפְּנֵיהֶם, וַיֵּשְׁבוּ תַּחְתָּם: כַּאֲשֶׁר עָשָׂה יִשְׂרָאֵל, לְאֶרֶץ יְרֻשָּׁתוֹ, אֲשֶׁר־נָתַן יְהוָה, לָהֶם.Uveseír yashvú hachorím, lefaním, uvené Essáv yirashúm vayashmidúm mipenehém, vayeshvú tachtám; ka'ashér assáh Israel, le'érets yerusható, asher-natán Adonái, lahém.En in Seïr woonden voorheen de Chorieten, en de kinderen van Esav verdreven hen en verdelgden hen van voor hun aangezicht, en woonden in hun plaats, zoals Israël gedaan heeft met het land van zijn bezitting dat de Eeuwige hun gegeven heeft.
13עַתָּה, קֻמוּ וְעִבְרוּ לָכֶם--אֶת־נַחַל זָרֶד; וַנַּעֲבֹר, אֶת־נַחַל זָרֶד.Atáh, kúmu ve'ivrú lachém et-náchal Zárd; vana'avór, et-náchal Zárd.'Nu, staat op en trekt over de beek Zered.' En wij trokken over de beek Zered.
14וְהַיָּמִים אֲשֶׁר־הָלַכְנוּ מִקָּדֵשׁ בַּרְנֵעַ, עַד אֲשֶׁר־עָבַרְנוּ אֶת־נַחַל זֶרֶד, שְׁלֹשִׁים וּשְׁמֹנֶה, שָׁנָה--עַד־תֹּם כָּל־הַדּוֹר אַנְשֵׁי הַמִּלְחָמָה, מִקֶּרֶב הַמַּחֲנֶה, כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה, לָהֶם.Vehayamím asher-haláchnu miKadésh Barnéa, ad asher-avárnu et-náchal Zéred, shloshím ushmonéh sháná; ad-tom kol-hadór anshé hamilchamáh, mikérev hamachanéh, ka'ashér nishbá Adonái, lahém.En de dagen die wij van Kadesj Barnea gingen totdat wij over de beek Zered trokken, waren achtendertig jaar, totdat het gehele geslacht van de strijdbare mannen uit het midden van de legerplaats verdwenen was, zoals de Eeuwige hun gezworen had.
15וְגַם יַד־יְהוָה הָיְתָה בָּם, לְהֻמָּם מִקֶּרֶב הַמַּחֲנֶה, עַד, תֻּמָּם.Vegám yad-Adonái haytáh bam, lehumám mikérev hamachanéh, ad, tumám.En ook was de hand van de Eeuwige tegen hen, om hen te verdelgen uit het midden van de legerplaats, totdat zij verdwenen waren.
16וַיְהִי כַאֲשֶׁר־תַּמּוּ כָּל־אַנְשֵׁי הַמִּלְחָמָה, לָמוּת--מִקֶּרֶב הָעָם.Vayehí ka'ashér-támu kol-anshé hamilchamáh, lamút mikérev ha'ám.En het gebeurde, toen alle strijdbare mannen gestorven waren uit het midden van het volk,
17וַיְדַבֵּר יְהוָה, אֵלַי לֵאמֹר.Vayedabér Adonái, elái lemór.sprak de Eeuwige tot mij, zeggende:
18אַתָּה עֹבֵר הַיּוֹם אֶת־גְּבוּל מוֹאָב, אֶת־עָר.Atáh ovér hayóm et-guevúl Moáv, et-Ar.'Gij trekt heden over de grens van Moav, bij Ar.'
19וְקָרַבְתָּ, מוּל בְּנֵי עַמּוֹן--אַל־תְּצֻרֵם, וְאַל־תִּתְגָּר בָּם: כִּי לֹא־אֶתֵּן מֵאֶרֶץ בְּנֵי־עַמּוֹן לְךָ, יְרֻשָּׁה--כִּי לִבְנֵי־לוֹט, נְתַתִּיהָ יְרֻשָּׁה.Vekaravtá, mul bené Amón; al-tetsurém, ve'al-titgár bam; ki lo-etén me'érets bené-Amón lechá, yerusháh; ki livné-Lot, netatíha yerusháh.En gij zult naderen tegenover de kinderen van Ammon; bestrijdt hen niet, en voert geen oorlog met hen, want Ik zal u van het land van de kinderen van Ammon geen bezitting geven, want aan de kinderen van Lot heb Ik het tot een bezitting gegeven.
20אֶרֶץ־רְפָאִים תֵּחָשֵׁב, אַף־הִוא: רְפָאִים יָשְׁבוּ־בָהּ, לְפָנִים, וְהָעַמֹּנִים, יִקְרְאוּ לָהֶם זַמְזֻמִּים.Érets-Refa'ím techashév, af-hí; Refa'ím yashvu-váh, lefaním, veha'Amoním, yikre'ú lahém Zamzumím.Ook dat land wordt als land van Refaïeten gerekend; Refaïeten woonden daar voorheen, en de Ammonieten noemen hen Zamzoemieten,
21עַם גָּדוֹל וְרַב וָרָם, כָּעֲנָקִים; וַיַּשְׁמִידֵם יְהוָה מִפְּנֵיהֶם, וַיִּירָשֻׁם וַיֵּשְׁבוּ תַחְתָּם.Am gadól verav varám, ka'Anakím; vayashmidém Adonái mipenehém, vayirashúm vayeshvú tachtám.een volk groot en talrijk en lang als de Anakieten; maar de Eeuwige verdelgde hen van voor hun aangezicht, en zij verdreven hen en woonden in hun plaats,
22כַּאֲשֶׁר עָשָׂה לִבְנֵי עֵשָׂו, הַיֹּשְׁבִים בְּשֵׂעִיר--אֲשֶׁר הִשְׁמִיד אֶת־הַחֹרִי, מִפְּנֵיהֶם, וַיִּירָשֻׁם וַיֵּשְׁבוּ תַחְתָּם, עַד הַיּוֹם הַזֶּה.Ka'ashér assáh livné Essáv, hayoshvím beSe'ír; asher hishmíd et-hachorí, mipenehém, vayirashúm vayeshvú tachtám, ad hayóm hazé.zoals Hij gedaan heeft voor de kinderen van Esav, die in Seïr wonen, toen Hij de Chorieten van voor hen verdelgde; en zij verdreven hen en woonden in hun plaats tot op deze dag.
23וְהָעַוִּים הַיֹּשְׁבִים בַּחֲצֵרִים, עַד־עַזָּה--כַּפְתֹּרִים הַיֹּצְאִים מִכַּפְתֹּר, הִשְׁמִידֻם וַיֵּשְׁבוּ תַחְתָּם.Veha'Avím hayoshvím bachatserím, ad-Azáh; Kaftorím hayotsím miKaftór, hishmidúm vayeshvú tachtám.En de Avvieten, die in dorpen woonden tot aan Azza, de Kaftorieten, die uit Kaftor kwamen, verdelgden hen en woonden in hun plaats.
24קוּמוּ סְּעוּ, וְעִבְרוּ אֶת־נַחַל אַרְנֹן--רְאֵה נָתַתִּי בְיָדְךָ אֶת־סִיחֹן מֶלֶךְ־חֶשְׁבּוֹן הָאֱמֹרִי וְאֶת־אַרְצוֹ, הָחֵל רָשׁ; וְהִתְגָּר בּוֹ, מִלְחָמָה.Kúmu se'ú, ve'ivrú et-náchal Arnón; re'é natáti veyadchá et-Sichón mélech-Cheshbón ha'Emorí ve'et-artsó, hachél rash; vehitgár bo, milchamáh.'Staat op, trekt op, en trekt over de beek Arnon; zie, Ik heb in uw hand gegeven Sichon, de koning van Chesjbon, de Emoriet, en zijn land; begint het in bezit te nemen, en voert oorlog met hem.'
25הַיּוֹם הַזֶּה, אָחֵל תֵּת פַּחְדְּךָ וְיִרְאָתְךָ, עַל־פְּנֵי הָעַמִּים, תַּחַת כָּל־הַשָּׁמָיִם--אֲשֶׁר יִשְׁמְעוּן שִׁמְעֲךָ, וְרָגְזוּ וְחָלוּ מִפָּנֶיךָ.Hayóm hazé, achél tet pachdechá veyir'atchá, al-pené ha'amím, táchat kol-hashamáyim; asher yishme'ún shim'achá, veragzú vechálu mipanécha.Heden zal Ik beginnen de vrees en de schrik voor u te leggen op de volken onder de gehele hemel, die, wanneer zij van u horen, zullen sidderen en angstig worden voor u.
26וָאֶשְׁלַח מַלְאָכִים מִמִּדְבַּר קְדֵמוֹת, אֶל־סִיחוֹן מֶלֶךְ חֶשְׁבּוֹן, דִּבְרֵי שָׁלוֹם, לֵאמֹר.Va'eshlách mal'achím mimidbár Kedemót, el-Sichón mélech Cheshbón, divré shalóm, lemór.En ik zond boden uit de woestijn Kedemot tot Sichon, de koning van Chesjbon, met woorden van vrede, zeggende:
27אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ, בַּדֶּרֶךְ בַּדֶּרֶךְ אֵלֵךְ: לֹא אָסוּר, יָמִין וּשְׂמֹאול.E'ebráh ve'artsécha, badérech badérech eléch; lo assúr, yamín usmol.'Laat mij door uw land trekken; alleen langs de weg zal ik gaan, zonder af te wijken naar rechts of naar links.'
28אֹכֶל בַּכֶּסֶף תַּשְׁבִּרֵנִי וְאָכַלְתִּי, וּמַיִם בַּכֶּסֶף תִּתֶּן־לִי וְשָׁתִיתִי; רַק, אֶעְבְּרָה בְרַגְלָי.Óchel bakésef tashbiréni ve'achálti, umáyim bakésef titén-li veshatíti; rak, e'ebráh veraglái.Voedsel zult gij mij verkopen voor geld, dat ik ete, en water zult gij mij geven voor geld, dat ik drinke; laat mij slechts te voet doortrekken,
29כַּאֲשֶׁר עָשׂוּ־לִי בְּנֵי עֵשָׂו, הַיֹּשְׁבִים בְּשֵׂעִיר, וְהַמּוֹאָבִים, הַיֹּשְׁבִים בְּעָר--עַד אֲשֶׁר־אֶעֱבֹר, אֶת־הַיַּרְדֵּן, אֶל־הָאָרֶץ, אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֵינוּ נֹתֵן לָנוּ.Ka'ashér assú-li bené Essáv, hayoshvím beSe'ír, vehaMo'avím, hayoshvím be'Ar; ad asher-e'evór, et-haYardén, el-ha'árets, asher-Adonái Elohénu notén lánu.zoals de kinderen van Esav, die in Seïr wonen, voor mij gedaan hebben, en de Moavieten die in Ar wonen, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land dat de Eeuwige, onze God, ons geeft.
30וְלֹא אָבָה, סִיחֹן מֶלֶךְ חֶשְׁבּוֹן, הַעֲבִרֵנוּ, בּוֹ: כִּי־הִקְשָׁה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת־רוּחוֹ, וְאִמֵּץ אֶת־לְבָבוֹ, לְמַעַן תִּתּוֹ בְיָדְךָ, כַּיּוֹם הַזֶּה.Veló aváh, Sichón mélech Cheshbón, ha'avirénu, bo; ki-hikesháh Adonái Elohécha et-ruchó, ve'imétz et-levavó, lemá'an titó veyadchá, kayóm hazé.Maar Sichon, de koning van Chesjbon, wilde ons niet door zijn gebied laten trekken, want de Eeuwige, uw God, verhardde zijn geest en verstokte zijn hart, om hem in uw hand over te geven, zoals heden het geval is.
Zesde Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 2:31-3:14  ·  21 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 2 · Perek 2
31וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי, רְאֵה הַחִלֹּתִי תֵּת לְפָנֶיךָ, אֶת־סִיחֹן וְאֶת־אַרְצוֹ; הָחֵל רָשׁ, לָרֶשֶׁת אֶת־אַרְצוֹ.Vayómer Adonái elái, re'é hachilóti tet lefanécha, et-Sichón ve'et-artsó; hachél rash, lareshét et-artsó.En de Eeuwige zei tot mij: 'Zie, Ik ben begonnen Sichon en zijn land vóór u te geven; begin het in bezit te nemen.'
32וַיֵּצֵא סִיחֹן לִקְרָאתֵנוּ הוּא וְכָל־עַמּוֹ, לַמִּלְחָמָה--יָהְצָה.Vayetsé Sichón likraténu hu vechól-amó, lamilchamáh, Yáhtsah.En Sichon trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Jahats.
33וַיִּתְּנֵהוּ יְהוָה אֱלֹהֵינוּ, לְפָנֵינוּ; וַנַּךְ אֹתוֹ וְאֶת־בָּנָו בָּנָיו, וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ.Vayitnéhu Adonái Elohénu, lefanénu; vanách otó ve'et-banáv, ve'et-kol-amó.En de Eeuwige, onze God, gaf hem vóór ons; en wij versloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.
34וַנִּלְכֹּד אֶת־כָּל־עָרָיו, בָּעֵת הַהִוא, וַנַּחֲרֵם אֶת־כָּל־עִיר מְתִם, וְהַנָּשִׁים וְהַטָּף: לֹא הִשְׁאַרְנוּ, שָׂרִיד.Vanilkód et-kol-aráv, ba'ét hahí, vanacharém et-kol-ír metím, vehanashím vehatáf; lo hish'árnu, sarid.En wij namen al zijn steden in in die tijd, en verdelgden geheel iedere stad, mannen, vrouwen en kinderen; wij lieten geen overlevende over.
35רַק הַבְּהֵמָה, בָּזַזְנוּ לָנוּ, וּשְׁלַל הֶעָרִים, אֲשֶׁר לָכָדְנוּ.Rak habehemáh, bazáznu lánu, ushlál he'arím, asher lachádnu.Alleen het vee namen wij voor onszelf als buit, met de buit van de steden die wij innamen.
36מֵעֲרֹעֵר אֲשֶׁר עַל־שְׂפַת־נַחַל אַרְנֹן וְהָעִיר אֲשֶׁר בַּנַּחַל, וְעַד־הַגִּלְעָד, לֹא הָיְתָה קִרְיָה, אֲשֶׁר שָׂגְבָה מִמֶּנּוּ: אֶת־הַכֹּל, נָתַן יְהוָה אֱלֹהֵינוּ לְפָנֵינוּ.Me'Aroér asher al-sefát-náchal Arnón veha'ír asher banáchal, ve'ád-haGuil'ád, lo haytáh kiryáh, asher sagváh miménu; et-hakól, natán Adonái Elohénu lefanénu.Van Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad die in het dal ligt, tot aan Gilead, was er geen stad te sterk voor ons; de Eeuwige, onze God, gaf alles vóór ons.
37רַק אֶל־אֶרֶץ בְּנֵי־עַמּוֹן, לֹא קָרָבְתָּ: כָּל־יַד נַחַל יַבֹּק, וְעָרֵי הָהָר, וְכֹל אֲשֶׁר־צִוָּה, יְהוָה אֱלֹהֵינוּ.Rak el-érets bené-Amón, lo karávta; kol-yad náchal Yabók, ve'arí hahár, vechól asher-tsiváh, Adonái Elohénu.Alleen tot het land van de kinderen van Ammon naderdet gij niet, noch tot de gehele oever van de beek Jabbok, noch tot de steden van het bergland, geheel zoals de Eeuwige, onze God, geboden had.
Devarim — Hoofdstuk 3 · Perek 3
1וַנֵּפֶן וַנַּעַל, דֶּרֶךְ הַבָּשָׁן; וַיֵּצֵא עוֹג מֶלֶךְ־הַבָּשָׁן לִקְרָאתֵנוּ הוּא וְכָל־עַמּוֹ, לַמִּלְחָמָה--אֶדְרֶעִי.Vanéfen vaná'al, dérech haBashán; vayetsé Og mélech-haBashán likraténu hu vechól-amó, lamilchamáh, Edréi.En wij keerden ons om en trokken op de weg van Basjan, en Og, de koning van Basjan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï.
2וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי, אַל־תִּירָא אֹתוֹ--כִּי בְיָדְךָ נָתַתִּי אֹתוֹ וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ, וְאֶת־אַרְצוֹ; וְעָשִׂיתָ לּוֹ--כַּאֲשֶׁר עָשִׂיתָ לְסִיחֹן מֶלֶךְ הָאֱמֹרִי, אֲשֶׁר יוֹשֵׁב בְּחֶשְׁבּוֹן.Vayómer Adonái elái, al-tirá otó; ki veyadchá natáti otó ve'et-kol-amó, ve'et-artsó; ve'assíta ló; ka'ashér assíta leSichón mélech ha'Emorí, asher yoshév beCheshbón.En de Eeuwige zei tot mij: 'Vrees hem niet, want Ik heb hem in uw hand gegeven, met al zijn volk en zijn land; en gij zult met hem doen zoals gij met Sichon, de koning van de Emorieten, die in Chesjbon woonde, gedaan hebt.'
3וַיִּתֵּן יְהוָה אֱלֹהֵינוּ בְּיָדֵנוּ, גַּם אֶת־עוֹג מֶלֶךְ־הַבָּשָׁן--וְאֶת־כָּל־עַמּוֹ; וַנַּכֵּהוּ, עַד־בִּלְתִּי הִשְׁאִיר־לוֹ שָׂרִיד.Vayitén Adonái Elohénu beyadénu, gam et-Og mélech-haBashán, ve'et-kol-amó; vanakéhu, ad-biltí hish'ir-ló sarid.En de Eeuwige, onze God, gaf ook in onze hand Og, de koning van Basjan, en al zijn volk; en wij versloegen hem, totdat wij hem geen overlevende overlieten.
4וַנִּלְכֹּד אֶת־כָּל־עָרָיו, בָּעֵת הַהִוא--לֹא הָיְתָה קִרְיָה, אֲשֶׁר לֹא־לָקַחְנוּ מֵאִתָּם: שִׁשִּׁים עִיר כָּל־חֶבֶל אַרְגֹּב, מַמְלֶכֶת עוֹג בַּבָּשָׁן.Vanilkód et-kol-aráv, ba'ét hahí; lo haytáh kiryáh, asher lo-lakáchnu me'itám; shishím ír kol-chével Argóv, mamléchet Og baBashán.En wij namen al zijn steden in in die tijd; er was geen stad die wij niet van hen namen: zestig steden, het gehele gebied van Argov, het koninkrijk van Og in Basjan.
5כָּל־אֵלֶּה עָרִים בְּצֻרֹת, חוֹמָה גְבֹהָה--דְּלָתַיִם וּבְרִיחַ: לְבַד מֵעָרֵי הַפְּרָזִי, הַרְבֵּה מְאֹד.Kol-éleh arím betsurót, chomáh guevoháh; delatáyim uverí'ach; levád me'arí haperazí, harbéh me'ód.Al deze waren versterkte steden, met hoge muren, poorten en grendels; behalve de steden zonder muur, die zeer talrijk waren.
6וַנַּחֲרֵם אוֹתָם--כַּאֲשֶׁר עָשִׂינוּ, לְסִיחֹן מֶלֶךְ חֶשְׁבּוֹן: הַחֲרֵם כָּל־עִיר מְתִם, הַנָּשִׁים וְהַטָּף.Vanacharém otám; ka'ashér assínu, leSichón mélech Cheshbón; hacharém kol-ír metím, hanashím vehatáf.En wij verdelgden hen geheel, zoals wij met Sichon, de koning van Chesjbon, gedaan hadden, elke stad verdelgend, mannen, vrouwen en kinderen.
7וְכָל־הַבְּהֵמָה וּשְׁלַל הֶעָרִים, בַּזּוֹנוּ לָנוּ.Vechól-habehemáh ushlál he'arím, bazónu lánu.Maar al het vee en de buit van de steden namen wij voor onszelf als buit.
8וַנִּקַּח בָּעֵת הַהִוא, אֶת־הָאָרֶץ, מִיַּד שְׁנֵי מַלְכֵי הָאֱמֹרִי, אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן--מִנַּחַל אַרְנֹן, עַד־הַר חֶרְמוֹן.Vanikách ba'ét hahí, et-ha'árets, miyád shné malché ha'Emorí, asher be'éver haYardén; mináchal Arnón, ad-Har Chermón.En wij namen in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Emorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot aan de berg Chermon —
9צִידֹנִים יִקְרְאוּ לְחֶרְמוֹן, שִׂרְיֹן; וְהָאֱמֹרִי, יִקְרְאוּ־לוֹ שְׂנִיר.Tsidoním yikre'ú leChermón, Siryón; veha'Emorí, yikre'ú-lo Senír.— die de Sidoniërs Sirjon noemen, en de Emorieten noemen hem Senir —
10כֹּל עָרֵי הַמִּישֹׁר, וְכָל־הַגִּלְעָד וְכָל־הַבָּשָׁן, עַד־סַלְכָה, וְאֶדְרֶעִי--עָרֵי מַמְלֶכֶת עוֹג, בַּבָּשָׁן.Kol arí hamishór, vechól-haGuil'ád vechól-haBashán, ad-Salkháh, ve'Edréi; arí mamléchet Og, baBashán.alle steden van de vlakte, en geheel Gilead, en geheel Basjan, tot aan Salcha en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Basjan.
11כִּי רַק־עוֹג מֶלֶךְ הַבָּשָׁן, נִשְׁאַר מִיֶּתֶר הָרְפָאִים--הִנֵּה עַרְשׂוֹ עֶרֶשׂ בַּרְזֶל, הֲלֹה הִוא בְּרַבַּת בְּנֵי עַמּוֹן: תֵּשַׁע אַמּוֹת אָרְכָּהּ, וְאַרְבַּע אַמּוֹת רָחְבָּהּ--בְּאַמַּת־אִישׁ.Ki rak-Og mélech haBashán, nish'ár miyéter haRefa'ím; hinéh arsó éres barzél, haló hi beRabát bené Amón; tesha amót arkáh, ve'arbá amót rochbáh, be'amát-ísh.Want alleen Og, de koning van Basjan, bleef over van het overblijfsel der Refaïeten; zie, zijn bed, een ijzeren bed, is het niet in Rabba van de kinderen van Ammon? Negen ellen was zijn lengte, en vier ellen zijn breedte, naar de el van een man.
12וְאֶת־הָאָרֶץ הַזֹּאת יָרַשְׁנוּ, בָּעֵת הַהִוא; מֵעֲרֹעֵר אֲשֶׁר־עַל־נַחַל אַרְנֹן, וַחֲצִי הַר־הַגִּלְעָד וְעָרָיו--נָתַתִּי, לָראוּבֵנִי וְלַגָּדִי.Ve'et-ha'árets hazot yarásnu, ba'ét hahí; me'Aroér asher-al-náchal Arnón, vachatsí Har-haGuil'ád ve'aráv; natáti, laRe'uvení velaGadí.En dit land namen wij in bezit in die tijd; van Aroër, dat aan de beek Arnon ligt, en de helft van het bergland Gilead met zijn steden, gaf ik aan de Reoebenieten en de Gadieten.
13וְיֶתֶר הַגִּלְעָד וְכָל־הַבָּשָׁן, מַמְלֶכֶת עוֹג--נָתַתִּי, לַחֲצִי שֵׁבֶט הַמְנַשֶּׁה: כֹּל חֶבֶל הָאַרְגֹּב לְכָל־הַבָּשָׁן, הַהוּא יִקָּרֵא אֶרֶץ רְפָאִים.Veyéter haGuil'ád vechól-haBashán, mamléchet Og; natáti, lachatsí shévet haMenashéh; kol-chével ha'Argóv lechól-haBashán, hahú yikaré érets Refa'ím.En het overige van Gilead, en geheel Basjan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Menasje; het gehele gebied van Argov, geheel dat Basjan, wordt land der Refaïeten genoemd.
14יָאִיר בֶּן־מְנַשֶּׁה, לָקַח אֶת־כָּל־חֶבֶל אַרְגֹּב, עַד־גְּבוּל הַגְּשׁוּרִי, וְהַמַּעֲכָתִי; וַיִּקְרָא אֹתָם עַל־שְׁמוֹ אֶת־הַבָּשָׁן חַוֺּת יָאִיר, עַד הַיּוֹם הַזֶּה.Ya'ír ben-Menashéh, lakách et-kol-chével Argóv, ad-guevúl haGueshurí, vehaMa'achatí; vayikrá otám al-shmó et-haBashán Chavót Ya'ír, ad hayóm hazé.Ja'ïr, de zoon van Menasje, nam het gehele gebied van Argov, tot aan de grens van de Gesjoerieten en de Ma'achatieten, en noemde hen, dat is Basjan, naar zijn eigen naam, Chavvot-Ja'ïr, tot op deze dag.
Zevende Aliya
Devarim (Deuteronomium) Devarim 3:15-22  ·  8 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 3 · Perek 3
15וּלְמָכִיר, נָתַתִּי אֶת־הַגִּלְעָד.Ulemachír, natáti et-haGuil'ád.En aan Machir gaf ik Gilead.
16וְלָראוּבֵנִי וְלַגָּדִי נָתַתִּי מִן־הַגִּלְעָד, וְעַד־נַחַל אַרְנֹן, תּוֹךְ הַנַּחַל, וּגְבֻל--וְעַד יַבֹּק הַנַּחַל, גְּבוּל בְּנֵי עַמּוֹן.VelaRe'uvení velaGadí natáti min-haGuil'ád, ve'ád-náchal Arnón, toch hanáchal, ugvúl; ve'ád Yabók hanáchal, guevúl bené Amón.En aan de Reoebenieten en de Gadieten gaf ik van Gilead tot aan de beek Arnon, het midden van het dal als grens, en tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen van Ammon;
17וְהָעֲרָבָה, וְהַיַּרְדֵּן וּגְבֻל--מִכִּנֶּרֶת, וְעַד יָם הָעֲרָבָה יָם הַמֶּלַח, תַּחַת אַשְׁדֹּת הַפִּסְגָּה, מִזְרָחָה.Veha'arabáh, vehaYardén ugvúl; miKineret, ve'ád yam ha'arabáh yam haMélach, táchat Ashdót haPisgáh, mizráchah.en de Arava, met de Jordaan als grens, van Kinneret tot aan de zee van de Arava, de Zoutzee, onder de hellingen van de Pisga, naar het oosten.
18וָאֲצַו אֶתְכֶם, בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹר: יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם, נָתַן לָכֶם אֶת־הָאָרֶץ הַזֹּאת לְרִשְׁתָּהּ--חֲלוּצִים תַּעַבְרוּ לִפְנֵי אֲחֵיכֶם בְּנֵי־יִשְׂרָאֵל, כָּל־בְּנֵי־חָיִל.Va'atsáv etchém, ba'ét hahí lemór: Adonái Elohechém, natán lachém et-ha'árets hazot lerishtáh; chalutsím ta'avrú lifné achechém bené-Israel, kol-bené-cháyil.En ik gebood u in die tijd, zeggende: 'De Eeuwige, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen; gewapend zult gij overtrekken vóór uw broeders, de kinderen van Israël, alle strijdbare mannen.'
19רַק נְשֵׁיכֶם וְטַפְּכֶם, וּמִקְנֵכֶם, יָדַעְתִּי, כִּי־מִקְנֶה רַב לָכֶם--יֵשְׁבוּ, בְּעָרֵיכֶם, אֲשֶׁר נָתַתִּי, לָכֶם.Rak neshechém vetapechém, umiknechém, yadáti, ki-miknéh rav lachém; yeshvú, be'arechém, asher natáti, lachém.Alleen uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee — ik weet dat gij veel vee hebt — zullen blijven in uw steden die ik u gegeven heb,
20עַד אֲשֶׁר־יָנִיחַ יְהוָה לַאֲחֵיכֶם, כָּכֶם, וְיָרְשׁוּ גַם־הֵם, אֶת־הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם נֹתֵן לָהֶם בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן; וְשַׁבְתֶּם, אִישׁ לִירֻשָּׁתוֹ, אֲשֶׁר נָתַתִּי, לָכֶם.Ad asher-yaníach Adonái la'achechém, kachém, veyarshú gam-hém, et-ha'árets asher Adonái Elohechém notén lahém be'éver haYardén; veshavtém, ísh lirusható, asher natáti, lachém.totdat de Eeuwige rust geeft aan uw broeders, zoals aan u, en zij ook het land in bezit nemen dat de Eeuwige, uw God, hun geeft aan de overzijde van de Jordaan; dan zult gij terugkeren, ieder naar zijn bezitting die ik u gegeven heb.
21וְאֶת־יְהוֹשׁוּעַ צִוֵּיתִי, בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹר: עֵינֶיךָ הָרֹאֹת, אֵת כָּל־אֲשֶׁר עָשָׂה יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם לִשְׁנֵי הַמְּלָכִים הָאֵלֶּה--כֵּן־יַעֲשֶׂה יְהוָה לְכָל־הַמַּמְלָכוֹת, אֲשֶׁר אַתָּה עֹבֵר שָׁמָּה.Ve'et-Yehoshúa tsivéti, ba'ét hahí lemór: enécha haro'ót, et kol-asher assáh Adonái Elohechém lishné hamelachím ha'éleh; ken-ya'aséh Adonái lechól-hamamlachót, asher atáh ovér shámah.En ik gebood Jehosjoea in die tijd, zeggende: 'Uw ogen hebben alles gezien wat de Eeuwige, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de Eeuwige doen aan alle koninkrijken waar gij doorheen zult trekken.'
22לֹא, תִּירָאוּם: כִּי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם, הוּא הַנִּלְחָם לָכֶם.Lo, tira'úm; ki Adonái Elohechém, hu hanilchám lachém.Vreest hen niet, want de Eeuwige, uw God, Hij is het die voor u strijdt.
Maftir
Devarim (Deuteronomium) Devarim 3:20-22  ·  3 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 3 · Perek 3
20עַד אֲשֶׁר־יָנִיחַ יְהוָה לַאֲחֵיכֶם, כָּכֶם, וְיָרְשׁוּ גַם־הֵם, אֶת־הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם נֹתֵן לָהֶם בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן; וְשַׁבְתֶּם, אִישׁ לִירֻשָּׁתוֹ, אֲשֶׁר נָתַתִּי, לָכֶם.Ad asher-yaníach Adonái la'achechém, kachém, veyarshú gam-hém, et-ha'árets asher Adonái Elohechém notén lahém be'éver haYardén; veshavtém, ísh lirusható, asher natáti, lachém.totdat de Eeuwige rust geeft aan uw broeders, zoals aan u, en zij ook het land in bezit nemen dat de Eeuwige, uw God, hun geeft aan de overzijde van de Jordaan; dan zult gij terugkeren, ieder naar zijn bezitting die ik u gegeven heb.
21וְאֶת־יְהוֹשׁוּעַ צִוֵּיתִי, בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹר: עֵינֶיךָ הָרֹאֹת, אֵת כָּל־אֲשֶׁר עָשָׂה יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם לִשְׁנֵי הַמְּלָכִים הָאֵלֶּה--כֵּן־יַעֲשֶׂה יְהוָה לְכָל־הַמַּמְלָכוֹת, אֲשֶׁר אַתָּה עֹבֵר שָׁמָּה.Ve'et-Yehoshúa tsivéti, ba'ét hahí lemór: enécha haro'ót, et kol-asher assáh Adonái Elohechém lishné hamelachím ha'éleh; ken-ya'aséh Adonái lechól-hamamlachót, asher atáh ovér shámah.En ik gebood Jehosjoea in die tijd, zeggende: 'Uw ogen hebben alles gezien wat de Eeuwige, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de Eeuwige doen aan alle koninkrijken waar gij doorheen zult trekken.'
22לֹא, תִּירָאוּם: כִּי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם, הוּא הַנִּלְחָם לָכֶם.Lo, tira'úm; ki Adonái Elohechém, hu hanilchám lachém.Vreest hen niet, want de Eeuwige, uw God, Hij is het die voor u strijdt.
Haftara — Jesjajahoe (Jesaja) 1:1-27 — «Visioen» (Sjabbat Chazon)
Jesaja Jesjajahoe 1:1-27  ·  27 verzen  ·  Masoretische Hebreeuwse tekst · Transliteratie · Eigen vertaling in het Nederlands
#HebreeuwsTransliteratieNederlands
Devarim — Hoofdstuk 1 · Perek 1
1חֲזוֹן, יְשַׁעְיָהוּ בֶן־אָמוֹץ, אֲשֶׁר חָזָה, עַל־יְהוּדָה וִירוּשָׁלִָם--בִּימֵי עֻזִּיָּהוּ יוֹתָם אָחָז יְחִזְקִיָּהוּ, מַלְכֵי יְהוּדָה.Chazón, Yesha'yáhu ven-Amóts, asher chazáh, al-Yehudáh vi'Yerushaláim; biymé Uziyáhu Yotám Acház Yechizkiyáhu, malché Yehudáh.Het visioen van Jesjajahoe, de zoon van Amots, dat hij zag aangaande Jehoeda en Jeroesjalajim, in de dagen van Oezziahoe, Jotam, Achaz en Jechizkiahoe, koningen van Jehoeda.
2שִׁמְעוּ שָׁמַיִם וְהַאֲזִינִי אֶרֶץ, כִּי יְהוָה דִּבֵּר: בָּנִים גִּדַּלְתִּי וְרוֹמַמְתִּי, וְהֵם פָּשְׁעוּ בִי.Shim'ú shamáyim veha'azíni érets, ki Adonái dibér: baním gidálti veromámti, vehém pash'ú bi.Hoort, hemelen, en neig het oor, aarde, want de Eeuwige spreekt: 'Kinderen heb Ik grootgebracht en verhoogd, en zij zijn tegen Mij opgestaan.'
3יָדַע שׁוֹר קֹנֵהוּ, וַחֲמוֹר אֵבוּס בְּעָלָיו; יִשְׂרָאֵל לֹא יָדַע, עַמִּי לֹא הִתְבּוֹנָן.Yadá shor konéhu, vachamór evús be'aláv; Israel lo yadá, amí lo hitboneín.Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib van zijn heer; maar Israël weet het niet, mijn volk begrijpt het niet.
4הוֹי גּוֹי חֹטֵא, עַם כֶּבֶד עָוֺן--זֶרַע מְרֵעִים, בָּנִים מַשְׁחִיתִים; עָזְבוּ אֶת־יְהוָה, נִאֲצוּ אֶת־קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל--נָזֹרוּ אָחוֹר.Hoy goy chotéh, am kéved avón; zéra mere'ím, baním mashchitím; azvú et-Adonái, ni'atsú et-kedósh Israel, nazóru achór.Wee, zondig volk, volk zwaar van ongerechtigheid, kroost van boosdoeners, verdorven kinderen! Zij hebben de Eeuwige verlaten, de Heilige van Israël versmaad, zich achterwaarts afgewend.
5עַל מֶה תֻכּוּ עוֹד, תּוֹסִיפוּ סָרָה; כָּל־רֹאשׁ לָחֳלִי, וְכָל־לֵבָב דַּוָּי.Al meh tukú od, tosífu saráh; kol-rosh lacholí, vechól-leváv davái.Waarom zoudt gij nog geslagen worden, wanneer gij voortgaat in opstandigheid? Het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat.
6מִכַּף־רֶגֶל וְעַד־רֹאשׁ אֵין־בּוֹ מְתֹם, פֶּצַע וְחַבּוּרָה וּמַכָּה טְרִיָּה; לֹא־זֹרוּ וְלֹא חֻבָּשׁוּ, וְלֹא רֻכְּכָה בַּשָּׁמֶן.Mikaf-régel ve'ad-rosh en-bo metóm, pétsa vechaburáh umakáh triyáh; lo-zóru veló chubáshu, veló rukecháh bashámen.Van de voetzool tot het hoofd is er niets gaaf aan; wonden en striemen en verse kwetsuren: zij zijn niet uitgedrukt, noch verbonden, noch met olie verzacht.
7אַרְצְכֶם שְׁמָמָה, עָרֵיכֶם שְׂרֻפוֹת אֵשׁ; אַדְמַתְכֶם, לְנֶגְדְּכֶם זָרִים אֹכְלִים אֹתָהּ, וּשְׁמָמָה, כְּמַהְפֵּכַת זָרִים.Artsechém shemamáh, arechém serufót ésh; admatchém, lenegdechém zarím ochlím otáh, ushmamáh, kemahpéchat zarím.Uw land is een woestenij, uw steden zijn met vuur verbrand; uw grond, voor uw eigen ogen verslinden vreemden die, en zij is verwoest als een omkering door vreemden.
8וְנוֹתְרָה בַת־צִיּוֹן, כְּסֻכָּה בְכָרֶם; כִּמְלוּנָה בְמִקְשָׁה, כְּעִיר נְצוּרָה.Venotráh bat-Tsión, kesukáh vechárem; kimlunáh vemikesháh, ke'ír netsuráh.En de dochter van Sion is overgebleven als een hut in een wijngaard, als een nachthok in een komkommerveld, als een belegerde stad.
9לוּלֵי יְהוָה צְבָאוֹת, הוֹתִיר לָנוּ שָׂרִיד כִּמְעָט--כִּסְדֹם הָיִינוּ, לַעֲמֹרָה דָּמִינוּ.Lulé Adonái Tsevaót, hotír lánu saríd kim'át; kiSdóm haínu, la'Amoráh damínu.Had de Eeuwige der heerscharen ons niet een klein overblijfsel gelaten, wij zouden geworden zijn als Sedom, wij zouden Amora gelijk zijn geweest.
10שִׁמְעוּ דְבַר־יְהוָה, קְצִינֵי סְדֹם; הַאֲזִינוּ תּוֹרַת אֱלֹהֵינוּ, עַם עֲמֹרָה.Shim'ú devar-Adonái, ketsiné Sedóm; ha'azínu torát Elohénu, am Amoráh.Hoort het woord van de Eeuwige, vorsten van Sedom; neigt het oor naar de leer van onze God, volk van Amora.
11לָמָּה־לִּי רֹב־זִבְחֵיכֶם יֹאמַר יְהוָה, שָׂבַעְתִּי עֹלוֹת אֵילִים וְחֵלֶב מְרִיאִים; וְדַם פָּרִים וּכְבָשִׂים וְעַתּוּדִים, לֹא חָפָצְתִּי.Lámah-li rov-zivchechém yomár Adonái, savá'ti olót elím vechélev meri'ím; vedám parím uchvasím ve'atudím, lo chafátsti.'Wat baat Mij de menigte van uw offers?' zegt de Eeuwige. 'Ik ben zat van de brandoffers van rammen en het vet van gemeste beesten; en in het bloed van stieren, lammeren en bokken heb Ik geen behagen.'
12כִּי תָבֹאוּ, לֵרָאוֹת פָּנָי--מִי־בִקֵּשׁ זֹאת מִיֶּדְכֶם, רְמֹס חֲצֵרָי.Ki tavó'u, lera'ót panái; mi-bikésh zot miyedchém, remós chatserái.Wanneer gij komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen, wie heeft dit van uw hand geëist, het vertrappen van Mijn voorhoven?
13לֹא תוֹסִיפוּ, הָבִיא מִנְחַת־שָׁוְא--קְטֹרֶת תּוֹעֵבָה הִיא, לִי; חֹדֶשׁ וְשַׁבָּת קְרֹא מִקְרָא, לֹא־אוּכַל אָוֶן וַעֲצָרָה.Lo tosífu, havi minchát-sháv; ketóret to'eváh hi, li; chódesh veShabát keró mikrá, lo-uchál áven va'atsaráh.Brengt niet langer ijdele offergaven; reukwerk is Mij een gruwel. Nieuwe maan en sabbat, het uitroepen van samenkomsten — Ik kan de ongerechtigheid niet verdragen tezamen met de plechtige vergadering.
14חָדְשֵׁיכֶם וּמוֹעֲדֵיכֶם שָׂנְאָה נַפְשִׁי, הָיוּ עָלַי לָטֹרַח; נִלְאֵיתִי, נְשֹׂא.Chodshechém umo'adechém san'áh nafshí, haú alái latórach; nil'éti, nesó.Uw nieuwe manen en uw feesttijden haat Mijn ziel; zij zijn Mij tot een last geworden; Ik ben moe ze te dragen.
15וּבְפָרִשְׂכֶם כַּפֵּיכֶם, אַעְלִים עֵינַי מִכֶּם--גַּם כִּי־תַרְבּוּ תְפִלָּה, אֵינֶנִּי שֹׁמֵעַ: יְדֵיכֶם, דָּמִים מָלֵאוּ.Uvefarschém kapechém, a'lím enái mikém; gam ki-tarbú tefiláh, enéni shoméa; yedechém, damím male'ú.En wanneer gij uw handen uitspreidt, zal Ik Mijn ogen voor u verbergen; zelfs al vermeerdert gij het gebed, Ik zal niet horen; uw handen zijn vol bloed.
16רַחֲצוּ, הִזַּכּוּ--הָסִירוּ רֹעַ מַעַלְלֵיכֶם, מִנֶּגֶד עֵינָי: חִדְלוּ, הָרֵעַ.Rachatsú, hizakú; hasíru róa ma'alelchém, minégued enái; chidlú, hará.Wast u, reinigt u; doet het kwaad van uw handelingen weg van voor Mijn ogen; houdt op kwaad te doen.
17לִמְדוּ הֵיטֵב דִּרְשׁוּ מִשְׁפָּט, אַשְּׁרוּ חָמוֹץ; שִׁפְטוּ יָתוֹם, רִיבוּ אַלְמָנָה.Limdú hetév dirshú mishpát, ashrú chamóts; shiftú yatóm, rívu almanáh.Leert goed te doen, zoekt het recht, verbetert de verdrukker; doet de wees recht, verdedigt de weduwe.
18לְכוּ־נָא וְנִוָּכְחָה, יֹאמַר יְהוָה; אִם־יִהְיוּ חֲטָאֵיכֶם כַּשָּׁנִים כַּשֶּׁלֶג יַלְבִּינוּ, אִם־יַאְדִּימוּ כַתּוֹלָע כַּצֶּמֶר יִהְיוּ.Lechú-na venivacháh, yomár Adonái; im-yihyú chata'echém kashaním kashéleg yalbínu, im-ya'dímu katóla katsémer yihyú.'Komt dan en laat ons samen twisten', zegt de Eeuwige; 'al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als wol.'
19אִם־תֹּאבוּ, וּשְׁמַעְתֶּם--טוּב הָאָרֶץ, תֹּאכֵלוּ.Im-tovú, ushma'tém; tuv ha'árets, tochélu.Indien gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede van het land eten;
20וְאִם־תְּמָאֲנוּ, וּמְרִיתֶם--חֶרֶב תְּאֻכְּלוּ, כִּי פִּי יְהוָה דִּבֵּר.Ve'im-tema'anú, umritém; chérev te'ukelú, ki pi Adonái dibér.maar indien gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door het zwaard verslonden worden, want de mond van de Eeuwige heeft het gesproken.
21אֵיכָה הָיְתָה לְזוֹנָה, קִרְיָה נֶאֱמָנָה; מְלֵאֲתִי מִשְׁפָּט, צֶדֶק יָלִין בָּהּ--וְעַתָּה מְרַצְּחִים.Eicháh haytáh lezonáh, kiryáh ne'emanáh; mele'atí mishpát, tsédek yalín báh; ve'atáh meratschím.Hoe is de trouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol van recht, gerechtigheid woonde erin, maar nu moordenaars.
22כַּסְפֵּךְ, הָיָה לְסִיגִים; סָבְאֵךְ, מָהוּל בַּמָּיִם.Kaspéch, haváh lesigím; sov'éch, mahúl bamáyim.Uw zilver is tot slakken geworden, uw wijn is met water vermengd.
23שָׂרַיִךְ סוֹרְרִים, וְחַבְרֵי גַּנָּבִים--כֻּלּוֹ אֹהֵב שֹׁחַד, וְרֹדֵף שַׁלְמֹנִים; יָתוֹם לֹא יִשְׁפֹּטוּ, וְרִיב אַלְמָנָה לֹא־יָבוֹא אֲלֵיהֶם.Saráyich sorerím, vechavré ganavím; kuló ohév shóchad, verodéf shalmoním; yatóm lo yishpótu, veriv almanáh lo-yavó alehém.Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen van dieven; allen beminnen zij omkoping en jagen naar geschenken; zij doen de wees geen recht, en de rechtszaak van de weduwe komt niet tot hen.
24לָכֵן, נְאֻם הָאָדוֹן יְהוָה צְבָאוֹת--אֲבִיר, יִשְׂרָאֵל: הוֹי אֶנָּחֵם מִצָּרַי, וְאִנָּקְמָה מֵאוֹיְבָי.Lachén, ne'úm ha'Adón Adonái Tsevaót; Avír Israel: hoy enachém mitsarái, ve'inakemáh me'oyevái.Daarom zegt de Heer, de Eeuwige der heerscharen, de Machtige van Israël: 'Wee, Ik zal Mij troosten aangaande Mijn tegenstanders, en Mij wreken op Mijn vijanden.'
25וְאָשִׁיבָה יָדִי עָלַיִךְ, וְאֶצְרֹף כַּבֹּר סִיגָיִךְ; וְאָסִירָה, כָּל־בְּדִילָיִךְ.Ve'ashívah yadí aláyich, ve'etsróf kabór sigáyich; ve'assíráh, kol-bediláyich.En Ik zal Mijn hand tegen u wenden, en als met loog uw slakken zuiveren, en al uw tin wegnemen.
26וְאָשִׁיבָה שֹׁפְטַיִךְ כְּבָרִאשֹׁנָה, וְיֹעֲצַיִךְ כְּבַתְּחִלָּה; אַחֲרֵי־כֵן, יִקָּרֵא לָךְ עִיר הַצֶּדֶק--קִרְיָה, נֶאֱמָנָה.Ve'ashívah shoftáyich kevarishonáh, veyo'atsáyich kevatchiláh; acharé-chén, yikaré lách ír hatsédek; kiryáh, ne'emanáh.En Ik zal uw rechters herstellen als voorheen, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult gij genoemd worden stad der gerechtigheid, getrouwe stad.
27צִיּוֹן, בְּמִשְׁפָּט תִּפָּדֶה; וְשָׁבֶיהָ, בִּצְדָקָה.Tsión, bemishpát tipadéh; veshavéha, bitsdakáh.Sion zal door recht verlost worden, en zij die tot haar terugkeren, door gerechtigheid.