1 Alija (26:1–26:11)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 26:1 | וְהָיָה כִּֽי־תָבוֹא אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ נַחֲלָה וִֽירִשְׁתָּהּ וְיָשַׁבְתָּ בָּֽהּ׃ | vehaya ki-tavo el-haarets asher Adonay elohekha noten lekha nachala virishtah veyashavta bah | En het zal geschieden, wanneer gij komt in het land dat de Eeuwige, uw God, u ten erve geeft, en gij dat erft en daarin woont, |
| 26:2 | וְלָקַחְתָּ מֵרֵאשִׁית ׀ כָּל־פְּרִי הָאֲדָמָה אֲשֶׁר תָּבִיא מֵֽאַרְצְךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ וְשַׂמְתָּ בַטֶּנֶא וְהָֽלַכְתָּ אֶל־הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ שָֽׁם׃ | velakachta mereshit kol-peri haadama asher tavi meartskha asher Adonay elohekha noten lakh vesamta vatene vehalakhta el-hamakom asher yivchar Adonay elohekha leshaken shemo sham | dan zult gij nemen van de eerstelingen van alle vruchten des lands, die gij inzamelt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en zult die in een korf leggen en heengaan naar de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om Zijn Naam daar te doen wonen. |
| 26:3 | וּבָאתָ אֶל־הַכֹּהֵן אֲשֶׁר יִהְיֶה בַּיָּמִים הָהֵם וְאָמַרְתָּ אֵלָיו הִגַּדְתִּי הַיּוֹם לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ כִּי־בָאתִי אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתֵינוּ לָתֶת לָֽנוּ׃ | uvata el-hakohen asher yihye bayamim hahem veamarta elayv higadti hayom layhva elohekha ki-vati el-haarets asher nishba Adonay laavotenu latet lanu | En gij zult komen tot de priester die er in die dagen wezen zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden aan de Eeuwige, uw God, dat ik gekomen ben in het land dat de Eeuwige onze vaderen gezworen heeft ons te geven. |
| 26:4 | וְלָקַח הַכֹּהֵן הַטֶּנֶא מִיָּדֶךָ וְהִנִּיחוֹ לִפְנֵי מִזְבַּח יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | velakach hakohen hatene miyadekha vehinicho lifne mizbach Adonay elohekha | En de priester zal de korf van uw hand nemen en die voor het altaar van de Eeuwige, uw God, nederzetten. |
| 26:5 | וְעָנִיתָ וְאָמַרְתָּ לִפְנֵי ׀ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲרַמִּי אֹבֵד אָבִי וַיֵּרֶד מִצְרַיְמָה וַיָּגָר שָׁם בִּמְתֵי מְעָט וַֽיְהִי־שָׁם לְגוֹי גָּדוֹל עָצוּם וָרָֽב׃ | veanita veamarta lifne Adonay elohekha arami oved avi vayered mitsrayma vayagar sham bimte meat vayhi-sham legoy gadol atsum varav | En gij zult aanheffen en zeggen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God: Een dolende Arameeër was mijn vader, en hij trok af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volk, en werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk. |
| 26:6 | וַיָּרֵעוּ אֹתָנוּ הַמִּצְרִים וַיְעַנּוּנוּ וַיִּתְּנוּ עָלֵינוּ עֲבֹדָה קָשָֽׁה׃ | vayareu otanu hamitsrim vayanunu vayitnu alenu avoda kasha | Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harde dienstbaarheid op. |
| 26:7 | וַנִּצְעַק אֶל־יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבֹתֵינוּ וַיִּשְׁמַע יְהוָה אֶת־קֹלֵנוּ וַיַּרְא אֶת־עָנְיֵנוּ וְאֶת־עֲמָלֵנוּ וְאֶת־לַחֲצֵֽנוּ׃ | vanitsak el-Adonay elohe avotenu vayishma Adonay et-kolenu vayar et-anyenu veet-amalenu veet-lachatsenu | Toen riepen wij tot de Eeuwige, de God onzer vaderen, en de Eeuwige verhoorde onze stem, en zag onze verdrukking, en onze arbeid, en onze benauwdheid aan. |
| 26:8 | וַיּוֹצִאֵנוּ יְהוָה מִמִּצְרַיִם בְּיָד חֲזָקָה וּבִזְרֹעַ נְטוּיָה וּבְמֹרָא גָּדֹל וּבְאֹתוֹת וּבְמֹפְתִֽים׃ | vayotsienu Adonay mimitsrayim beyad chazaka uvizroa netuya uvmora gadol uvotot uvmoftim | En de Eeuwige voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen; |
| 26:9 | וַיְבִאֵנוּ אֶל־הַמָּקוֹם הַזֶּה וַיִּתֶּן־לָנוּ אֶת־הָאָרֶץ הַזֹּאת אֶרֶץ זָבַת חָלָב וּדְבָֽשׁ׃ | vayvienu el-hamakom haze vayiten-lanu et-haarets hazot erets zavat chalav udvash | en Hij bracht ons tot deze plaats, en gaf ons dit land, een land vloeiende van melk en honing. |
| 26:10 | וְעַתָּה הִנֵּה הֵבֵאתִי אֶת־רֵאשִׁית פְּרִי הָאֲדָמָה אֲשֶׁר־נָתַתָּה לִּי יְהוָה וְהִנַּחְתּוֹ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהִֽשְׁתַּחֲוִיתָ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | veata hine heveti et-reshit peri haadama asher-natata li Adonay vehinachto lifne Adonay elohekha vehishtachavita lifne Adonay elohekha | En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands dat Gij, o Eeuwige, mij gegeven hebt. En gij zult het nederzetten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, en aanbidden voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God. |
| 26:11 | וְשָׂמַחְתָּ בְכָל־הַטּוֹב אֲשֶׁר נָֽתַן־לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וּלְבֵיתֶךָ אַתָּה וְהַלֵּוִי וְהַגֵּר אֲשֶׁר בְּקִרְבֶּֽךָ׃ ס | vesamachta vekhal-hatov asher natan-lekha Adonay elohekha ulvetekha ata vehalevi vehager asher bekirbekha | En gij zult vrolijk zijn over al het goede dat de Eeuwige, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft, gij, en de Leviet, en de vreemdeling die in het midden van u is. |
2 Alija (26:12–26:15)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 26:12 | כִּי תְכַלֶּה לַעְשֵׂר אֶת־כָּל־מַעְשַׂר תְּבוּאָתְךָ בַּשָּׁנָה הַשְּׁלִישִׁת שְׁנַת הַֽמַּעֲשֵׂר וְנָתַתָּה לַלֵּוִי לַגֵּר לַיָּתוֹם וְלָֽאַלְמָנָה וְאָכְלוּ בִשְׁעָרֶיךָ וְשָׂבֵֽעוּ׃ | ki tekhale laser et-kol-masar tevuatkha bashana hashlishit shenat hamaaser venatata lalevi lager layatom velaalmana veakhlu visharekha vesaveu | Wanneer gij zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomste te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden, dan zult gij het geven aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees, en aan de weduwe, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden. |
| 26:13 | וְאָמַרְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בִּעַרְתִּי הַקֹּדֶשׁ מִן־הַבַּיִת וְגַם נְתַתִּיו לַלֵּוִי וְלַגֵּר לַיָּתוֹם וְלָאַלְמָנָה כְּכָל־מִצְוָתְךָ אֲשֶׁר צִוִּיתָנִי לֹֽא־עָבַרְתִּי מִמִּצְוֺתֶיךָ וְלֹא שָׁכָֽחְתִּי׃ | veamarta lifne Adonay elohekha biarti hakodesh min-habayit vegam netativ lalevi velager layatom velaalmana kekhal-mitsvatkha asher tsivitani lo-avarti mimitsotekha velo shakhachti | En gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan de Leviet, en aan de vreemdeling, aan de wees, en aan de weduwe gegeven, naar al Uw gebod dat Gij mij geboden hebt; ik heb niet overtreden van Uw geboden, noch die vergeten. |
| 26:14 | לֹא־אָכַלְתִּי בְאֹנִי מִמֶּנּוּ וְלֹא־בִעַרְתִּי מִמֶּנּוּ בְּטָמֵא וְלֹא־נָתַתִּי מִמֶּנּוּ לְמֵת שָׁמַעְתִּי בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהָי עָשִׂיתִי כְּכֹל אֲשֶׁר צִוִּיתָֽנִי׃ | lo-akhalti veoni mimenu velo-viarti mimenu betame velo-natati mimenu lemet shamati bekol Adonay elohay asiti kekhol asher tsivitani | Ik heb daarvan niet gegeten in mijn leed, en heb daarvan niet weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben de stem van de Eeuwige, mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles wat Gij mij geboden hadt. |
| 26:15 | הַשְׁקִיפָה מִמְּעוֹן קָדְשְׁךָ מִן־הַשָּׁמַיִם וּבָרֵךְ אֶֽת־עַמְּךָ אֶת־יִשְׂרָאֵל וְאֵת הָאֲדָמָה אֲשֶׁר נָתַתָּה לָנוּ כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתָּ לַאֲבֹתֵינוּ אֶרֶץ זָבַת חָלָב וּדְבָֽשׁ׃ ס | hashkifa mimon kadshkha min-hashamayim uvarekh et-amkha et-yisrael veet haadama asher natata lanu kaasher nishbata laavotenu erets zavat chalav udvash | Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onze vaderen gezworen hebt, een land vloeiende van melk en honing. |
3 Alija (26:16–26:19)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 26:16 | הַיּוֹם הַזֶּה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מְצַוְּךָ לַעֲשׂוֹת אֶת־הַחֻקִּים הָאֵלֶּה וְאֶת־הַמִּשְׁפָּטִים וְשָׁמַרְתָּ וְעָשִׂיתָ אוֹתָם בְּכָל־לְבָבְךָ וּבְכָל־נַפְשֶֽׁךָ׃ | hayom haze Adonay elohekha metsavkha laasot et-hachukim haele veet-hamishpatim veshamarta veasita otam bekhal-levavkha uvkhal-nafshekha | Te dezen dage gebiedt u de Eeuwige, uw God, deze inzettingen en rechten te doen; houdt dan en doet die met uw ganse hart en met uw ganse ziel. |
| 26:17 | אֶת־יְהוָה הֶאֱמַרְתָּ הַיּוֹם לִהְיוֹת לְךָ לֵֽאלֹהִים וְלָלֶכֶת בִּדְרָכָיו וְלִשְׁמֹר חֻקָּיו וּמִצְוֺתָיו וּמִשְׁפָּטָיו וְלִשְׁמֹעַ בְּקֹלֽוֹ׃ | et-Adonay heemarta hayom lihyot lekha lelohim velalekhet bidrakhayv velishmor chukayv umitsotayv umishpatayv velishmoa bekolo | Heden hebt gij van de Eeuwige doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij in Zijn wegen zult wandelen, en Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten houden, en Zijn stem gehoorzamen. |
| 26:18 | וַֽיהוָה הֶאֱמִֽירְךָ הַיּוֹם לִהְיוֹת לוֹ לְעַם סְגֻלָּה כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר־לָךְ וְלִשְׁמֹר כָּל־מִצְוֺתָֽיו׃ | vayhva heemirkha hayom lihyot lo leam segula kaasher diber-lakh velishmor kol-mitsotayv | En de Eeuwige heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden; |
| 26:19 | וּֽלְתִתְּךָ עֶלְיוֹן עַל כָּל־הַגּוֹיִם אֲשֶׁר עָשָׂה לִתְהִלָּה וּלְשֵׁם וּלְתִפְאָרֶת וְלִֽהְיֹתְךָ עַם־קָדֹשׁ לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ כַּאֲשֶׁר דִּבֵּֽר׃ ס | ultitkha elyon al kol-hagoyim asher asa lithila ulshem ultifaret velihyotkha am-kadosh layhva elohekha kaasher diber | en dat Hij u alzo hoog zal maken boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid, en dat gij de Eeuwige, uw God, een heilig volk zult zijn, gelijk Hij gesproken heeft. |
4 Alija (27:1–27:10)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 27:1 | וַיְצַו מֹשֶׁה וְזִקְנֵי יִשְׂרָאֵל אֶת־הָעָם לֵאמֹר שָׁמֹר אֶת־כָּל־הַמִּצְוָה אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּֽוֹם׃ | vaytsav moshe vezikne yisrael et-haam lemor shamor et-kol-hamitsva asher anokhi metsave etkhem hayom | En Mosje, met de oudsten van Israël, geboden het volk, zeggende: Houdt al de geboden die ik ulieden heden gebiede. |
| 27:2 | וְהָיָה בַּיּוֹם אֲשֶׁר תַּעַבְרוּ אֶת־הַיַּרְדֵּן אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ וַהֲקֵמֹתָ לְךָ אֲבָנִים גְּדֹלוֹת וְשַׂדְתָּ אֹתָם בַּשִּֽׂיד׃ | vehaya bayom asher taavru et-hayarden el-haarets asher-Adonay elohekha noten lakh vahakemota lekha avanim gedolot vesadta otam basid | En het zal geschieden, ten dage als gij over de Jarden trekken zult naar het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft, zo zult gij u grote stenen oprichten, en bestrijken die met kalk; |
| 27:3 | וְכָתַבְתָּ עֲלֵיהֶן אֶֽת־כָּל־דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת בְּעָבְרֶךָ לְמַעַן אֲשֶׁר תָּבֹא אֶל־הָאָרֶץ אֲֽשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ ׀ נֹתֵן לְךָ אֶרֶץ זָבַת חָלָב וּדְבַשׁ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יְהוָה אֱלֹהֵֽי־אֲבֹתֶיךָ לָֽךְ׃ | vekhatavta alehen et-kol-divre hatora hazot beavrekha lemaan asher tavo el-haarets asher-Adonay elohekha noten lekha erets zavat chalav udvash kaasher diber Adonay elohe-avotekha lakh | en gij zult daarop schrijven al de woorden dezer Tora, als gij zult overgetrokken zijn, opdat gij komt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft, een land vloeiende van melk en honing, gelijk als de Eeuwige, de God uwer vaderen, u gesproken heeft. |
| 27:4 | וְהָיָה בְּעָבְרְכֶם אֶת־הַיַּרְדֵּן תָּקִימוּ אֶת־הָאֲבָנִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּוֹם בְּהַר עֵיבָל וְשַׂדְתָּ אוֹתָם בַּשִּֽׂיד׃ | vehaya beavrkhem et-hayarden takimu et-haavanim haele asher anokhi metsave etkhem hayom behar eval vesadta otam basid | Als gij dan over de Jarden getrokken zult zijn, zo zult gij deze stenen, die ik u heden gebiede, oprichten op de berg Eival, en gij zult die met kalk bestrijken; |
| 27:5 | וּבָנִיתָ שָּׁם מִזְבֵּחַ לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ מִזְבַּח אֲבָנִים לֹא־תָנִיף עֲלֵיהֶם בַּרְזֶֽל׃ | uvanita sham mizbecha layhva elohekha mizbach avanim lo-tanif alehem barzel | en gij zult aldaar een altaar bouwen de Eeuwige, uw God, een altaar van stenen; gij zult daarover geen ijzer bewegen. |
| 27:6 | אֲבָנִים שְׁלֵמוֹת תִּבְנֶה אֶת־מִזְבַּח יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהַעֲלִיתָ עָלָיו עוֹלֹת לַיהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | avanim shelemot tivne et-mizbach Adonay elohekha vehaalita alayv olot layhva elohekha | Van gehele stenen zult gij het altaar van de Eeuwige, uw God, bouwen, en daarop zult gij de Eeuwige, uw God, brandofferen offeren. |
| 27:7 | וְזָבַחְתָּ שְׁלָמִים וְאָכַלְתָּ שָּׁם וְשָׂמַחְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | vezavachta shelamim veakhalta sham vesamachta lifne Adonay elohekha | Gij zult ook dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God. |
| 27:8 | וְכָתַבְתָּ עַל־הָאֲבָנִים אֶֽת־כָּל־דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת בַּאֵר הֵיטֵֽב׃ ס | vekhatavta al-haavanim et-kol-divre hatora hazot baer hetev | En gij zult op deze stenen schrijven al de woorden dezer Tora, die zeer wel uitdrukkende. |
| 27:9 | וַיְדַבֵּר מֹשֶׁה וְהַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם אֶל כָּל־יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר הַסְכֵּת ׀ וּשְׁמַע יִשְׂרָאֵל הַיּוֹם הַזֶּה נִהְיֵיתָֽ לְעָם לַיהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | vaydaber moshe vehakohanim halviyim el kol-yisrael lemor hasket ushma yisrael hayom haze nihyeta leam layhva elohekha | En Mosje, met de Levietische priesters, sprak tot gans Israël, zeggende: Zwijg en hoor, Israël! te dezen dage zijt gij het volk van de Eeuwige, uw God, geworden; |
| 27:10 | וְשָׁמַעְתָּ בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְעָשִׂיתָ אֶת־מִצְוֺתָו וְאֶת־חֻקָּיו אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּֽוֹם׃ ס | veshamata bekol Adonay elohekha veasita et-mitsotav veet-chukayv asher anokhi metsavkha hayom | daarom zult gij de stem van de Eeuwige, uw God, gehoorzaam zijn, en Zijn geboden en Zijn inzettingen doen, die ik u heden gebiede. |
5 Alija (27:11–28:6)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 27:11 | וַיְצַו מֹשֶׁה אֶת־הָעָם בַּיּוֹם הַהוּא לֵאמֹֽר׃ | vaytsav moshe et-haam bayom hahu lemor | En Mosje gebood het volk te dienzelven dage, zeggende: |
| 27:12 | אֵלֶּה יַֽעַמְדוּ לְבָרֵךְ אֶת־הָעָם עַל־הַר גְּרִזִים בְּעָבְרְכֶם אֶת־הַיַּרְדֵּן שִׁמְעוֹן וְלֵוִי וִֽיהוּדָה וְיִשָּׂשכָר וְיוֹסֵף וּבִנְיָמִֽן׃ | ele yaamdu levarekh et-haam al-har gerizim beavrkhem et-hayarden shimon velevi vihuda veyisashkhar vevosef uvinyamin | Dezen zullen staan, om het volk te zegenen, op de berg Gerizim, als gij over de Jarden gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin. |
| 27:13 | וְאֵלֶּה יַֽעַמְדוּ עַל־הַקְּלָלָה בְּהַר עֵיבָל רְאוּבֵן גָּד וְאָשֵׁר וּזְבוּלֻן דָּן וְנַפְתָּלִֽי׃ | veele yaamdu al-haklala behar eval reuven gad veasher uzvulun dan venaftali | En dezen zullen staan tot den vloek op de berg Eival: Ruben, Gad, en Aser, en Zebulon, Dan en Nafthali. |
| 27:14 | וְעָנוּ הַלְוִיִּם וְאָֽמְרוּ אֶל־כָּל־אִישׁ יִשְׂרָאֵל קוֹל רָֽם׃ ס | veanu halviyim veamru el-kol-ish yisrael kol ram | En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot alle mannen van Israël, met verheven stem: |
| 27:15 | אָרוּר הָאִישׁ אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה פֶסֶל וּמַסֵּכָה תּוֹעֲבַת יְהוָה מַעֲשֵׂה יְדֵי חָרָשׁ וְשָׂם בַּסָּתֶר וְעָנוּ כָל־הָעָם וְאָמְרוּ אָמֵֽן׃ ס | arur haish asher yaase fesel umasekha toavat Adonay maase yede charash vesam basater veanu kol-haam veamru amen | Vervloekt zij de man die een gesneden of gegoten beeld zal maken, een gruwel voor de Eeuwige, een werk van des werkmeesters handen, en zal dat in het verborgen zetten! En het ganse volk zal antwoorden en zeggen: Amen. |
| 27:16 | אָרוּר מַקְלֶה אָבִיו וְאִמּוֹ וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur makle aviv veimo veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:17 | אָרוּר מַסִּיג גְּבוּל רֵעֵהוּ וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur masig gevul reehu veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die de landpale van zijn naaste verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:18 | אָרוּר מַשְׁגֶּה עִוֵּר בַּדָּרֶךְ וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur mashge iver badarekh veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:19 | אָרוּר מַטֶּה מִשְׁפַּט גֵּר־יָתוֹם וְאַלְמָנָה וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur mate mishpat ger-yatom vealmana veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die het recht van de vreemdeling, van de wees, en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:20 | אָרוּר שֹׁכֵב עִם־אֵשֶׁת אָבִיו כִּי גִלָּה כְּנַף אָבִיו וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur shokhev im-eshet aviv ki gila kenaf aviv veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, want hij heeft zijns vaders slippe ontdekt! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:21 | אָרוּר שֹׁכֵב עִם־כָּל־בְּהֵמָה וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur shokhev im-kol-behema veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:22 | אָרוּר שֹׁכֵב עִם־אֲחֹתוֹ בַּת־אָבִיו אוֹ בַת־אִמּוֹ וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur shokhev im-achoto bat-aviv o vat-imo veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:23 | אָרוּר שֹׁכֵב עִם־חֹֽתַנְתּוֹ וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur shokhev im-chotanto veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:24 | אָרוּר מַכֵּה רֵעֵהוּ בַּסָּתֶר וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur make reehu basater veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgen verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:25 | אָרוּר לֹקֵחַ שֹׁחַד לְהַכּוֹת נֶפֶשׁ דָּם נָקִי וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ ס | arur lokecha shochad lehakot nefesh dam naki veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel van onschuldig bloed te doden! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 27:26 | אָרוּר אֲשֶׁר לֹא־יָקִים אֶת־דִּבְרֵי הַתּוֹרָֽה־הַזֹּאת לַעֲשׂוֹת אוֹתָם וְאָמַר כָּל־הָעָם אָמֵֽן׃ פ | arur asher lo-yakim et-divre hatora-hazot laasot otam veamar kol-haam amen | Vervloekt zij, die de woorden dezer Tora niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen. |
| 28:1 | וְהָיָה אִם־שָׁמוֹעַ תִּשְׁמַע בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת־כָּל־מִצְוֺתָיו אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם וּנְתָנְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ עֶלְיוֹן עַל כָּל־גּוֹיֵי הָאָֽרֶץ׃ | vehaya im-shamoa tishma bekol Adonay elohekha lishmor laasot et-kol-mitsotayv asher anokhi metsavkha hayom untankha Adonay elohekha elyon al kol-goye haarets | En het zal geschieden, indien gij de stem van de Eeuwige, uw God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden die ik u heden gebiede, zo zal de Eeuwige, uw God, u boven verheven maken boven alle volken der aarde. |
| 28:2 | וּבָאוּ עָלֶיךָ כָּל־הַבְּרָכוֹת הָאֵלֶּה וְהִשִּׂיגֻךָ כִּי תִשְׁמַע בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | uvau alekha kol-habrakhot haele vehisigukha ki tishma bekol Adonay elohekha | En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij de stem van de Eeuwige, uw God, zult gehoorzaam zijn. |
| 28:3 | בָּרוּךְ אַתָּה בָּעִיר וּבָרוּךְ אַתָּה בַּשָּׂדֶֽה׃ | barukh ata bair uvarukh ata basade | Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. |
| 28:4 | בָּרוּךְ פְּרִֽי־בִטְנְךָ וּפְרִי אַדְמָתְךָ וּפְרִי בְהֶמְתֶּךָ שְׁגַר אֲלָפֶיךָ וְעַשְׁתְּרוֹת צֹאנֶֽךָ׃ | barukh peri-vitnkha ufri admatkha ufri vehemtekha shegar alafekha veashtrot tsonekha | Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortteling uwer koeien, en de kudden van uw klein vee. |
| 28:5 | בָּרוּךְ טַנְאֲךָ וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ׃ | barukh tanakha umishartekha | Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog. |
| 28:6 | בָּרוּךְ אַתָּה בְּבֹאֶךָ וּבָרוּךְ אַתָּה בְּצֵאתֶֽךָ׃ | barukh ata bevoekha uvarukh ata betsetekha | Gezegend zult gij zijn in uw ingang, gezegend ook zult gij zijn in uw uitgang. |
6 Alija (28:7–28:69)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 28:7 | יִתֵּן יְהוָה אֶת־אֹיְבֶיךָ הַקָּמִים עָלֶיךָ נִגָּפִים לְפָנֶיךָ בְּדֶרֶךְ אֶחָד יֵצְאוּ אֵלֶיךָ וּבְשִׁבְעָה דְרָכִים יָנוּסוּ לְפָנֶֽיךָ׃ | yiten Adonay et-oyvekha hakamim alekha nigafim lefanekha bederekh echad yetsu elekha uvshiva derakhim yanusu lefanekha | De Eeuwige zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, en door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden. |
| 28:8 | יְצַו יְהוָה אִתְּךָ אֶת־הַבְּרָכָה בַּאֲסָמֶיךָ וּבְכֹל מִשְׁלַח יָדֶךָ וּבֵרַכְךָ בָּאָרֶץ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָֽךְ׃ | yetsav Adonay itkha et-habrakha baasamekha uvkhol mishlach yadekha uverakhkha baarets asher-Adonay elohekha noten lakh | De Eeuwige zal de zegen over u gebieden in uw schuren, en in alles waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft. |
| 28:9 | יְקִֽימְךָ יְהוָה לוֹ לְעַם קָדוֹשׁ כַּאֲשֶׁר נִֽשְׁבַּֽע־לָךְ כִּי תִשְׁמֹר אֶת־מִצְוֺת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהָלַכְתָּ בִּדְרָכָֽיו׃ | yekimkha Adonay lo leam kadosh kaasher nishba-lakh ki tishmor et-mitsot Adonay elohekha vehalakhta bidrakhayv | De Eeuwige zal u Zichzelf tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden van de Eeuwige, uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen; |
| 28:10 | וְרָאוּ כָּל־עַמֵּי הָאָרֶץ כִּי שֵׁם יְהוָה נִקְרָא עָלֶיךָ וְיָֽרְאוּ מִמֶּֽךָּ׃ | verau kol-ame haarets ki shem Adonay nikra alekha veyaru mimeka | en alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam van de Eeuwige over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. |
| 28:11 | וְהוֹתִֽרְךָ יְהוָה לְטוֹבָה בִּפְרִי בִטְנְךָ וּבִפְרִי בְהַמְתְּךָ וּבִפְרִי אַדְמָתֶךָ עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יְהוָה לַאֲבֹתֶיךָ לָתֶת לָֽךְ׃ | vehotirkha Adonay letova bifri vitnkha uvifri vehamtkha uvifri admatekha al haadama asher nishba Adonay laavotekha latet lakh | En de Eeuwige zal u overvloedig maken in goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, in het land dat de Eeuwige uw vaderen gezworen heeft u te geven. |
| 28:12 | יִפְתַּח יְהוָה ׀ לְךָ אֶת־אוֹצָרוֹ הַטּוֹב אֶת־הַשָּׁמַיִם לָתֵת מְטַֽר־אַרְצְךָ בְּעִתּוֹ וּלְבָרֵךְ אֵת כָּל־מַעֲשֵׂה יָדֶךָ וְהִלְוִיתָ גּוֹיִם רַבִּים וְאַתָּה לֹא תִלְוֶֽה׃ | yiftach Adonay lekha et-otsaro hatov et-hashamayim latet metar-artskha beito ulvarekh et kol-maase yadekha vehilvita goyim rabim veata lo tilve | De Eeuwige zal u opendoen Zijn goeden schat, de hemel, om aan uw land regen te geven op zijn tijd, en om te zegenen al de werken uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen. |
| 28:13 | וּנְתָֽנְךָ יְהוָה לְרֹאשׁ וְלֹא לְזָנָב וְהָיִיתָ רַק לְמַעְלָה וְלֹא תִהְיֶה לְמָטָּה כִּֽי־תִשְׁמַע אֶל־מִצְוֺת ׀ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם לִשְׁמֹר וְלַעֲשֽׂוֹת׃ | untankha Adonay lerosh velo lezanav vehayita rak lemala velo tihye lemata ki-tishma el-mitsot Adonay elohekha asher anokhi metsavkha hayom lishmor velaasot | En de Eeuwige zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart; en gij zult alleen boven zijn, en niet onder zijn, wanneer gij horen zult naar de geboden van de Eeuwige, uw God, die ik u heden gebiede te houden en te doen, |
| 28:14 | וְלֹא תָסוּר מִכָּל־הַדְּבָרִים אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּוֹם יָמִין וּשְׂמֹאול לָלֶכֶת אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים לְעָבְדָֽם׃ ס | velo tasur mikal-hadvarim asher anokhi metsave etkhem hayom yamin usmovl lalekhet achare elohim acherim leavdam | en niet en wijkt van al de woorden die ik u heden gebiede, ter rechter- of ter linkerhand, om andere goden na te gaan, om die te dienen. |
| 28:15 | וְהָיָה אִם־לֹא תִשְׁמַע בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת־כָּל־מִצְוֺתָיו וְחֻקֹּתָיו אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם וּבָאוּ עָלֶיךָ כָּל־הַקְּלָלוֹת הָאֵלֶּה וְהִשִּׂיגֽוּךָ׃ | vehaya im-lo tishma bekol Adonay elohekha lishmor laasot et-kol-mitsotayv vechukotayv asher anokhi metsavkha hayom uvau alekha kol-haklalot haele vehisigukha | Doch het zal geschieden, indien gij de stem van de Eeuwige, uw God, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen te doen al Zijn geboden en Zijn inzettingen die ik u heden gebiede, zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. |
| 28:16 | אָרוּר אַתָּה בָּעִיר וְאָרוּר אַתָּה בַּשָּׂדֶֽה׃ | arur ata bair vearur ata basade | Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld. |
| 28:17 | אָרוּר טַנְאֲךָ וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ׃ | arur tanakha umishartekha | Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog. |
| 28:18 | אָרוּר פְּרִֽי־בִטְנְךָ וּפְרִי אַדְמָתֶךָ שְׁגַר אֲלָפֶיךָ וְעַשְׁתְּרוֹת צֹאנֶֽךָ׃ | arur peri-vitnkha ufri admatekha shegar alafekha veashtrot tsonekha | Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, de voortteling uwer koeien, en de kudden van uw klein vee. |
| 28:19 | אָרוּר אַתָּה בְּבֹאֶךָ וְאָרוּר אַתָּה בְּצֵאתֶֽךָ׃ | arur ata bevoekha vearur ata betsetekha | Vervloekt zult gij zijn in uw ingang, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgang. |
| 28:20 | יְשַׁלַּח יְהוָה ׀ בְּךָ אֶת־הַמְּאֵרָה אֶת־הַמְּהוּמָה וְאֶת־הַמִּגְעֶרֶת בְּכָל־מִשְׁלַח יָדְךָ אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה עַד הִשָּֽׁמֶדְךָ וְעַד־אֲבָדְךָ מַהֵר מִפְּנֵי רֹעַ מַֽעֲלָלֶיךָ אֲשֶׁר עֲזַבְתָּֽנִי׃ | yeshalach Adonay bekha et-hamera et-hamhuma veet-hamigeret bekhal-mishlach yadkha asher taase ad hishamedkha vead-avadkha maher mipne roa maalalekha asher azavtani | De Eeuwige zal onder u zenden den vloek, de beroerte, en het verderf, in alles waaraan gij uw hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastig omkomt, vanwege de boosheid uwer handelingen, waarmede gij Mij verlaten hebt. |
| 28:21 | יַדְבֵּק יְהוָה בְּךָ אֶת־הַדָּבֶר עַד כַּלֹּתוֹ אֹֽתְךָ מֵעַל הָֽאֲדָמָה אֲשֶׁר־אַתָּה בָא־שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃ | yadbek Adonay bekha et-hadaver ad kaloto otkha meal haadama asher-ata va-shama lerishtah | De Eeuwige zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verteerd hebbe van het land waarheen gij heengaat om dat te erven. |
| 28:22 | יַכְּכָה יְהוָה בַּשַּׁחֶפֶת וּבַקַּדַּחַת וּבַדַּלֶּקֶת וּבַֽחַרְחֻר וּבַחֶרֶב וּבַשִּׁדָּפוֹן וּבַיֵּרָקוֹן וּרְדָפוּךָ עַד אָבְדֶֽךָ׃ | yakkha Adonay bashachefet uvakadachat uvadaleket uvacharchur uvacherev uvashidafon uvayerakon urdafukha ad avdekha | De Eeuwige zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met het zwaard, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt. |
| 28:23 | וְהָיוּ שָׁמֶיךָ אֲשֶׁר עַל־רֹאשְׁךָ נְחֹשֶׁת וְהָאָרֶץ אֲשֶׁר־תַּחְתֶּיךָ בַּרְזֶֽל׃ | vehayu shamekha asher al-roshkha nechoshet vehaarets asher-tachtekha barzel | Ook zal uw hemel, die boven uw hoofd is, koper zijn; en de aarde, die onder u is, ijzer. |
| 28:24 | יִתֵּן יְהוָה אֶת־מְטַר אַרְצְךָ אָבָק וְעָפָר מִן־הַשָּׁמַיִם יֵרֵד עָלֶיךָ עַד הִשָּׁמְדָֽךְ׃ | yiten Adonay et-metar artskha avak veafar min-hashamayim yered alekha ad hishamdakh | De Eeuwige zal de regen van uw land tot stof en as maken; van de hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt. |
| 28:25 | יִתֶּנְךָ יְהוָה ׀ נִגָּף לִפְנֵי אֹיְבֶיךָ בְּדֶרֶךְ אֶחָד תֵּצֵא אֵלָיו וּבְשִׁבְעָה דְרָכִים תָּנוּס לְפָנָיו וְהָיִיתָ לְזַעֲוָה לְכֹל מַמְלְכוֹת הָאָֽרֶץ׃ | yitenkha Adonay nigaf lifne oyvekha bederekh echad tetse elayv uvshiva derakhim tanus lefanayv vehayita lezaava lekhol mamlkhot haarets | De Eeuwige zal geven, dat gij voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordt; door een weg zult gij tot hen uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor hun aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde een beroerte zijn. |
| 28:26 | וְהָיְתָה נִבְלָֽתְךָ לְמַאֲכָל לְכָל־עוֹף הַשָּׁמַיִם וּלְבֶהֱמַת הָאָרֶץ וְאֵין מַחֲרִֽיד׃ | vehayta nivlatkha lemaakhal lekhal-of hashamayim ulvehemat haarets veen macharid | En uw dood lichaam zal aan al het gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijs zijn, en niemand zal ze afschrikken. |
| 28:27 | יַכְּכָה יְהוָה בִּשְׁחִין מִצְרַיִם ובעפלים וּבַגָּרָב וּבֶחָרֶס אֲשֶׁר לֹא־תוּכַל לְהֵרָפֵֽא׃ | yakkha Adonay bishchin mitsrayim vvflym uvagarav uvechares asher lo-tukhal leherafe | De Eeuwige zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurftheid, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden. |
| 28:28 | יַכְּכָה יְהוָה בְּשִׁגָּעוֹן וּבְעִוָּרוֹן וּבְתִמְהוֹן לֵבָֽב׃ | yakkha Adonay beshigaon uvivaron uvtimhon levav | De Eeuwige zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten. |
| 28:29 | וְהָיִיתָ מְמַשֵּׁשׁ בַּֽצָּהֳרַיִם כַּאֲשֶׁר יְמַשֵּׁשׁ הָעִוֵּר בָּאֲפֵלָה וְלֹא תַצְלִיחַ אֶת־דְּרָכֶיךָ וְהָיִיתָ אַךְ עָשׁוּק וְגָזוּל כָּל־הַיָּמִים וְאֵין מוֹשִֽׁיעַ׃ | vehayita memashesh batsahorayim kaasher yemashesh haiver baafela velo tatslicha et-derakhekha vehayita akh ashuk vegazul kol-hayamim veen moshia | En gij zult op de middag tasten, gelijk als een blinde tast in het donkere, en gij zult uw wegen niet voorspoedig maken; maar gij zult alle dagen alleen verdrukt en beroofd zijn, en er zal geen verlosser zijn. |
| 28:30 | אִשָּׁה תְאָרֵשׂ וְאִישׁ אַחֵר ישגלנה בַּיִת תִּבְנֶה וְלֹא־תֵשֵׁב בּוֹ כֶּרֶם תִּטַּע וְלֹא תְחַלְּלֶּֽנּוּ׃ | isha teares veish acher yshgln bayit tivne velo-teshev bo kerem tita velo techallenu | Gij zult u met een vrouw ondertrouwen, maar een andere man zal bij haar liggen; gij zult een huis bouwen, maar daarin niet wonen; gij zult een wijngaard planten, maar dien niet gemeen maken. |
| 28:31 | שׁוֹרְךָ טָבוּחַ לְעֵינֶיךָ וְלֹא תֹאכַל מִמֶּנּוּ חֲמֹֽרְךָ גָּזוּל מִלְּפָנֶיךָ וְלֹא יָשׁוּב לָךְ צֹֽאנְךָ נְתֻנוֹת לְאֹיְבֶיךָ וְאֵין לְךָ מוֹשִֽׁיעַ׃ | shorkha tavucha leenekha velo tokhal mimenu chamorkha gazul milfanekha velo yashuv lakh tsonkha netunot leoyvekha veen lekha moshia | Uw os zal geslacht worden voor uw ogen, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkomen; uw klein vee zal uw vijanden gegeven worden, en gij zult geen verlosser hebben. |
| 28:32 | בָּנֶיךָ וּבְנֹתֶיךָ נְתֻנִים לְעַם אַחֵר וְעֵינֶיךָ רֹאוֹת וְכָלוֹת אֲלֵיהֶם כָּל־הַיּוֹם וְאֵין לְאֵל יָדֶֽךָ׃ | banekha uvnotekha netunim leam acher veenekha root vekhalot alehem kol-hayom veen leel yadekha | Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken de gansen dag; maar er zal geen sterkte in uw hand wezen. |
| 28:33 | פְּרִי אַדְמָֽתְךָ וְכָל־יְגִיעֲךָ יֹאכַל עַם אֲשֶׁר לֹא־יָדָעְתָּ וְהָיִיתָ רַק עָשׁוּק וְרָצוּץ כָּל־הַיָּמִֽים׃ | peri admatkha vekhal-yegiakha yokhal am asher lo-yadata vehayita rak ashuk veratsuts kol-hayamim | De vrucht van uw land, en al uw arbeid, zal een volk eten dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn. |
| 28:34 | וְהָיִיתָ מְשֻׁגָּע מִמַּרְאֵה עֵינֶיךָ אֲשֶׁר תִּרְאֶֽה׃ | vehayita meshuga mimare enekha asher tire | Zodat gij zinneloos zult wezen, vanwege hetgeen gij met uw ogen zien zult. |
| 28:35 | יַכְּכָה יְהוָה בִּשְׁחִין רָע עַל־הַבִּרְכַּיִם וְעַל־הַשֹּׁקַיִם אֲשֶׁר לֹא־תוּכַל לְהֵרָפֵא מִכַּף רַגְלְךָ וְעַד קָדְקֳדֶֽךָ׃ | yakkha Adonay bishchin ra al-habirkayim veal-hashokayim asher lo-tukhal leherafe mikaf raglkha vead kadkodekha | De Eeuwige zal u slaan met een kwaad zweer aan de knieën, en aan de dijen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot uw schedel toe. |
| 28:36 | יוֹלֵךְ יְהוָה אֹֽתְךָ וְאֶֽת־מַלְכְּךָ אֲשֶׁר תָּקִים עָלֶיךָ אֶל־גּוֹי אֲשֶׁר לֹא־יָדַעְתָּ אַתָּה וַאֲבֹתֶיךָ וְעָבַדְתָּ שָּׁם אֱלֹהִים אֲחֵרִים עֵץ וָאָֽבֶן׃ | yolekh Adonay otkha veet-malkkha asher takim alekha el-goy asher lo-yadata ata vaavotekha veavadta sham elohim acherim ets vaaven | De Eeuwige zal u, en uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij andere goden dienen, hout en steen. |
| 28:37 | וְהָיִיתָ לְשַׁמָּה לְמָשָׁל וְלִשְׁנִינָה בְּכֹל הָֽעַמִּים אֲשֶׁר־יְנַהֶגְךָ יְהוָה שָֽׁמָּה׃ | vehayita leshama lemashal velishnina bekhol haamim asher-yenahegkha Adonay shama | En gij zult wezen tot ontzetting, tot een spreekwoord en tot een spotrede onder alle volken, waarheen u de Eeuwige zal weggevoerd hebben. |
| 28:38 | זֶרַע רַב תּוֹצִיא הַשָּׂדֶה וּמְעַט תֶּאֱסֹף כִּי יַחְסְלֶנּוּ הָאַרְבֶּֽה׃ | zera rav totsi hasade umat teesof ki yachslenu haarbe | Gij zult veel zaad op de akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het verteren. |
| 28:39 | כְּרָמִים תִּטַּע וְעָבָדְתָּ וְיַיִן לֹֽא־תִשְׁתֶּה וְלֹא תֶאֱגֹר כִּי תֹאכְלֶנּוּ הַתֹּלָֽעַת׃ | keramim tita veavadta veyayin lo-tishte velo teegor ki tokhlenu hatolaat | Gij zult wijngaarden planten en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken noch iets vergaderen, want de worm zal het afeten. |
| 28:40 | זֵיתִים יִהְיוּ לְךָ בְּכָל־גְּבוּלֶךָ וְשֶׁמֶן לֹא תָסוּךְ כִּי יִשַּׁל זֵיתֶֽךָ׃ | zetim yihyu lekha bekhal-gevulekha veshemen lo tasukh ki yishal zetekha | Gij zult olijfbomen hebben in al uw landpale, maar gij zult u met de olie niet zalven, want uw olijf zal afvallen. |
| 28:41 | בָּנִים וּבָנוֹת תּוֹלִיד וְלֹא־יִהְיוּ לָךְ כִּי יֵלְכוּ בַּשֶּֽׁבִי׃ | banim uvanot tolid velo-yihyu lakh ki yelkhu bashevi | Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn, want zij zullen in gevangenis gaan. |
| 28:42 | כָּל־עֵצְךָ וּפְרִי אַדְמָתֶךָ יְיָרֵשׁ הַצְּלָצַֽל׃ | kol-etskha ufri admatekha yeyaresh hatslatsal | Al uw geboomte, en de vrucht uws lands, zal het spriet erfelijk bezitten. |
| 28:43 | הַגֵּר אֲשֶׁר בְּקִרְבְּךָ יַעֲלֶה עָלֶיךָ מַעְלָה מָּעְלָה וְאַתָּה תֵרֵד מַטָּה מָּֽטָּה׃ | hager asher bekirbkha yaale alekha mala mala veata tered mata mata | De vreemdeling die in het midden van u is, zal boven u opklimmen, hoog, hoog van boven; en gij zult nederdalen, laag, laag van onderen. |
| 28:44 | הוּא יַלְוְךָ וְאַתָּה לֹא תַלְוֶנּוּ הוּא יִהְיֶה לְרֹאשׁ וְאַתָּה תִּֽהְיֶה לְזָנָֽב׃ | hu yalvkha veata lo talvenu hu yihye lerosh veata tihye lezanav | Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn. |
| 28:45 | וּבָאוּ עָלֶיךָ כָּל־הַקְּלָלוֹת הָאֵלֶּה וּרְדָפוּךָ וְהִשִּׂיגוּךָ עַד הִשָּֽׁמְדָךְ כִּי־לֹא שָׁמַעְתָּ בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לִשְׁמֹר מִצְוֺתָיו וְחֻקֹּתָיו אֲשֶׁר צִוָּֽךְ׃ | uvau alekha kol-haklalot haele urdafukha vehisigukha ad hishamdakh ki-lo shamata bekol Adonay elohekha lishmor mitsotayv vechukotayv asher tsivakh | Zo zullen al deze vloeken over u komen, en zullen u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt, omdat gij de stem van de Eeuwige, uw God, niet zult gehoorzaam geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen die Hij u geboden heeft. |
| 28:46 | וְהָיוּ בְךָ לְאוֹת וּלְמוֹפֵת וּֽבְזַרְעֲךָ עַד־עוֹלָֽם׃ | vehayu vekha leot ulmofet uvzarakha ad-olam | En zij zullen onder u zijn tot een teken en tot een wonder, en onder uw zaad tot in eeuwigheid. |
| 28:47 | תַּחַת אֲשֶׁר לֹא־עָבַדְתָּ אֶת־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּשִׂמְחָה וּבְטוּב לֵבָב מֵרֹב כֹּֽל׃ | tachat asher lo-avadta et-Adonay elohekha besimcha uvtuv levav merov kol | Omdat gij de Eeuwige, uw God, niet gediend hebt met vrolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles; |
| 28:48 | וְעָבַדְתָּ אֶת־אֹיְבֶיךָ אֲשֶׁר יְשַׁלְּחֶנּוּ יְהוָה בָּךְ בְּרָעָב וּבְצָמָא וּבְעֵירֹם וּבְחֹסֶר כֹּל וְנָתַן עֹל בַּרְזֶל עַל־צַוָּארֶךָ עַד הִשְׁמִידוֹ אֹתָֽךְ׃ | veavadta et-oyvekha asher yeshalchenu Adonay bakh beraav uvtsama uverom uvchoser kol venatan ol barzel al-tsavarekha ad hishmido otakh | zo zult gij uw vijanden, die u de Eeuwige zal toeschikken, dienen, in honger, en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelgd hebbe. |
| 28:49 | יִשָּׂא יְהוָה עָלֶיךָ גּוֹי מֵרָחוֹק מִקְצֵה הָאָרֶץ כַּאֲשֶׁר יִדְאֶה הַנָּשֶׁר גּוֹי אֲשֶׁר לֹא־תִשְׁמַע לְשֹׁנֽוֹ׃ | yisa Adonay alekha goy merachok miktse haarets kaasher yide hanasher goy asher lo-tishma leshono | De Eeuwige zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt, een volk welks spraak gij niet zult verstaan; |
| 28:50 | גּוֹי עַז פָּנִים אֲשֶׁר לֹא־יִשָּׂא פָנִים לְזָקֵן וְנַעַר לֹא יָחֹֽן׃ | goy az panim asher lo-yisa fanim lezaken venaar lo yachon | een volk stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn. |
| 28:51 | וְאָכַל פְּרִי בְהֶמְתְּךָ וּפְרִֽי־אַדְמָתְךָ עַד הִשָּֽׁמְדָךְ אֲשֶׁר לֹֽא־יַשְׁאִיר לְךָ דָּגָן תִּירוֹשׁ וְיִצְהָר שְׁגַר אֲלָפֶיךָ וְעַשְׁתְּרֹת צֹאנֶךָ עַד הַאֲבִידוֹ אֹתָֽךְ׃ | veakhal peri vehemtkha ufri-admatkha ad hishamdakh asher lo-yashir lekha dagan tirosh veyitshar shegar alafekha veashtrot tsonekha ad haavido otakh | En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd wordt; hetwelk u geen koorn, most noch olie, voortteling uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overlaten, totdat het u doe omkomen. |
| 28:52 | וְהֵצַר לְךָ בְּכָל־שְׁעָרֶיךָ עַד רֶדֶת חֹמֹתֶיךָ הַגְּבֹהוֹת וְהַבְּצֻרוֹת אֲשֶׁר אַתָּה בֹּטֵחַ בָּהֵן בְּכָל־אַרְצֶךָ וְהֵצַר לְךָ בְּכָל־שְׁעָרֶיךָ בְּכָל־אַרְצְךָ אֲשֶׁר נָתַן יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָֽךְ׃ | vehetsar lekha bekhal-shearekha ad redet chomotekha hagvohot vehabtsurot asher ata botecha bahen bekhal-artsekha vehetsar lekha bekhal-shearekha bekhal-artskha asher natan Adonay elohekha lakh | En het zal u benauwen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren, op welke gij vertrouwt, nedervallen in uw ganse land; ja, het zal u benauwen in al uw poorten, in uw ganse land, dat de Eeuwige, uw God, u gegeven heeft. |
| 28:53 | וְאָכַלְתָּ פְרִֽי־בִטְנְךָ בְּשַׂר בָּנֶיךָ וּבְנֹתֶיךָ אֲשֶׁר נָֽתַן־לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּמָצוֹר וּבְמָצוֹק אֲשֶׁר־יָצִיק לְךָ אֹיְבֶֽךָ׃ | veakhalta feri-vitnkha besar banekha uvnotekha asher natan-lekha Adonay elohekha bematsor uvmatsok asher-yatsik lekha oyvekha | En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren, die u de Eeuwige, uw God, gegeven heeft; in de belegering en in de benauwdheid waarmede uw vijand u zal benauwen. |
| 28:54 | הָאִישׁ הָרַךְ בְּךָ וְהֶעָנֹג מְאֹד תֵּרַע עֵינוֹ בְאָחִיו וּבְאֵשֶׁת חֵיקוֹ וּבְיֶתֶר בָּנָיו אֲשֶׁר יוֹתִֽיר׃ | haish harakh bekha veheanog meod tera eno veachiv uveshet cheko uvyeter banayv asher yotir | De man die teder is onder u, en zeer wellustig, zijn oog zal boos zijn tegen zijn broeder, en tegen zijn huisvrouw die in zijn schoot ligt, en tegen zijn overige kinderen die hij overgehouden heeft; |
| 28:55 | מִתֵּת ׀ לְאַחַד מֵהֶם מִבְּשַׂר בָּנָיו אֲשֶׁר יֹאכֵל מִבְּלִי הִשְׁאִֽיר־לוֹ כֹּל בְּמָצוֹר וּבְמָצוֹק אֲשֶׁר יָצִיק לְךָ אֹיִבְךָ בְּכָל־שְׁעָרֶֽיךָ׃ | mitet leachad mehem mibsar banayv asher yokhel mibli hishir-lo kol bematsor uvmatsok asher yatsik lekha oyivkha bekhal-shearekha | zodat hij niet een geven zal van het vlees zijner kinderen die hij eten zal, overmits hij voor zich niets zal hebben overgehouden, in de belegering en in de benauwdheid waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen. |
| 28:56 | הָרַכָּה בְךָ וְהָעֲנֻגָּה אֲשֶׁר לֹא־נִסְּתָה כַף־רַגְלָהּ הַצֵּג עַל־הָאָרֶץ מֵהִתְעַנֵּג וּמֵרֹךְ תֵּרַע עֵינָהּ בְּאִישׁ חֵיקָהּ וּבִבְנָהּ וּבְבִתָּֽהּ׃ | haraka vekha vehaanuga asher lo-nista khaf-raglah hatseg al-haarets mehitaneg umerokh tera enah beish chekah uvivnah uvvitah | De tedere en welgestelde vrouw onder u, die tot geen proef gezet heeft de zool haars voets op de aarde te stellen, vanwege haar welgesteldheid en tederheid, haar oog zal boos zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter; |
| 28:57 | וּֽבְשִׁלְיָתָהּ הַיּוֹצֵת ׀ מִבֵּין רַגְלֶיהָ וּבְבָנֶיהָ אֲשֶׁר תֵּלֵד כִּֽי־תֹאכְלֵם בְּחֹֽסֶר־כֹּל בַּסָּתֶר בְּמָצוֹר וּבְמָצוֹק אֲשֶׁר יָצִיק לְךָ אֹיִבְךָ בִּשְׁעָרֶֽיךָ׃ | uvshilyatah hayotset miben ragleha uvvaneha asher teled ki-tokhlem bechoser-kol basater bematsor uvmatsok asher yatsik lekha oyivkha bisharekha | en tegen haar nageboorte die van tussen haar voeten uitgaat, en tegen haar zonen die zij zal baren; want zij zal hen eten in het verborgen vanwege gebrek van alles, in de belegering en benauwdheid waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten. |
| 28:58 | אִם־לֹא תִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת־כָּל־דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת הַכְּתוּבִים בַּסֵּפֶר הַזֶּה לְיִרְאָה אֶת־הַשֵּׁם הַנִּכְבָּד וְהַנּוֹרָא הַזֶּה אֵת יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | im-lo tishmor laasot et-kol-divre hatora hazot haktuvim basefer haze leyira et-hashem hanikhbad vehanora haze et Adonay elohekha | Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer Tora, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijken en vreselijken Naam, de Eeuwige, uw God, |
| 28:59 | וְהִפְלָא יְהוָה אֶת־מַכֹּתְךָ וְאֵת מַכּוֹת זַרְעֶךָ מַכּוֹת גְּדֹלוֹת וְנֶאֱמָנוֹת וָחֳלָיִם רָעִים וְנֶאֱמָנִֽים׃ | vehifla Adonay et-makotkha veet makot zarekha makot gedolot veneemanot vacholayim raim veneemanim | zo zal de Eeuwige uw plagen wonderlijk maken, ja, de plagen van uw zaad, plagen groot en gestadig, en kwade krankheden, en gestadige. |
| 28:60 | וְהֵשִׁיב בְּךָ אֵת כָּל־מַדְוֵה מִצְרַיִם אֲשֶׁר יָגֹרְתָּ מִפְּנֵיהֶם וְדָבְקוּ בָּֽךְ׃ | veheshiv bekha et kol-madve mitsrayim asher yagorta mipnehem vedavku bakh | En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, waarvoor gij gevreesd hebt, en zij zullen u aankleven. |
| 28:61 | גַּם כָּל־חֳלִי וְכָל־מַכָּה אֲשֶׁר לֹא כָתוּב בְּסֵפֶר הַתּוֹרָה הַזֹּאת יַעְלֵם יְהוָה עָלֶיךָ עַד הִשָּׁמְדָֽךְ׃ | gam kol-choli vekhal-maka asher lo khatuv besefer hatora hazot yalem Adonay alekha ad hishamdakh | Ook alle krankheid, en alle plage, die in het boek dezer Tora niet geschreven is, zal de Eeuwige over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt. |
| 28:62 | וְנִשְׁאַרְתֶּם בִּמְתֵי מְעָט תַּחַת אֲשֶׁר הֱיִיתֶם כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם לָרֹב כִּי־לֹא שָׁמַעְתָּ בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | venishartem bimte meat tachat asher heyitem kekhokhve hashamayim larov ki-lo shamata bekol Adonay elohekha | En gij zult met weinig lieden overblijven, in plaats dat gij geweest zijt gelijk de sterren des hemels in menigte; omdat gij de stem van de Eeuwige, uw God, niet gehoorzaam zijt geweest. |
| 28:63 | וְהָיָה כַּאֲשֶׁר־שָׂשׂ יְהוָה עֲלֵיכֶם לְהֵיטִיב אֶתְכֶם וּלְהַרְבּוֹת אֶתְכֶם כֵּן יָשִׂישׂ יְהוָה עֲלֵיכֶם לְהַאֲבִיד אֶתְכֶם וּלְהַשְׁמִיד אֶתְכֶם וְנִסַּחְתֶּם מֵעַל הָֽאֲדָמָה אֲשֶׁר־אַתָּה בָא־שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃ | vehaya kaasher-sas Adonay alekhem lehetiv etkhem ulharbot etkhem ken yasis Adonay alekhem lehaavid etkhem ulhashmid etkhem venisachtem meal haadama asher-ata va-shama lerishtah | En het zal geschieden, gelijk als de Eeuwige Zich over u verblijdde, goed aan u doende, en u vermenigvuldigende, alzo zal Zich de Eeuwige over u verblijden, u doende omkomen en u verdelgende; en gij zult uitgerukt worden uit het land waarheen gij gaat om dat te erven. |
| 28:64 | וֶהֱפִֽיצְךָ יְהוָה בְּכָל־הָעַמִּים מִקְצֵה הָאָרֶץ וְעַד־קְצֵה הָאָרֶץ וְעָבַדְתָּ שָּׁם אֱלֹהִים אֲחֵרִים אֲשֶׁר לֹא־יָדַעְתָּ אַתָּה וַאֲבֹתֶיךָ עֵץ וָאָֽבֶן׃ | vehefitskha Adonay bekhal-haamim miktse haarets vead-ketse haarets veavadta sham elohim acherim asher lo-yadata ata vaavotekha ets vaaven | En de Eeuwige zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaderen, hout en steen. |
| 28:65 | וּבַגּוֹיִם הָהֵם לֹא תַרְגִּיעַ וְלֹא־יִהְיֶה מָנוֹחַ לְכַף־רַגְלֶךָ וְנָתַן יְהוָה לְךָ שָׁם לֵב רַגָּז וְכִלְיוֹן עֵינַיִם וְדַֽאֲבוֹן נָֽפֶשׁ׃ | uvagoyim hahem lo targia velo-yihye manocha lekhaf-raglekha venatan Adonay lekha sham lev ragaz vekhilyon enayim vedaavon nafesh | Daartoe zult gij onder diezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de Eeuwige zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en droefenis der ziel. |
| 28:66 | וְהָיוּ חַיֶּיךָ תְּלֻאִים לְךָ מִנֶּגֶד וּפָֽחַדְתָּ לַיְלָה וְיוֹמָם וְלֹא תַאֲמִין בְּחַיֶּֽיךָ׃ | vehayu chayekha teluim lekha mineged ufachadta layla vevomam velo taamin bechayekha | En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn. |
| 28:67 | בַּבֹּקֶר תֹּאמַר מִֽי־יִתֵּן עֶרֶב וּבָעֶרֶב תֹּאמַר מִֽי־יִתֵּן בֹּקֶר מִפַּחַד לְבָֽבְךָ אֲשֶׁר תִּפְחָד וּמִמַּרְאֵה עֵינֶיךָ אֲשֶׁר תִּרְאֶֽה׃ | baboker tomar mi-yiten erev uvaerev tomar mi-yiten boker mipachad levavkha asher tifchad umimare enekha asher tire | Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware! en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware! vanwege de schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vanwege hetgeen gij met uw ogen zien zult. |
| 28:68 | וֶֽהֱשִֽׁיבְךָ יְהוָה ׀ מִצְרַיִם בָּאֳנִיּוֹת בַּדֶּרֶךְ אֲשֶׁר אָמַרְתִּֽי לְךָ לֹא־תֹסִיף עוֹד לִרְאֹתָהּ וְהִתְמַכַּרְתֶּם שָׁם לְאֹיְבֶיךָ לַעֲבָדִים וְלִשְׁפָחוֹת וְאֵין קֹנֶֽה׃ ס | veheshivkha Adonay mitsrayim baonivot baderekh asher amarti lekha lo-tosif od lirotah vehitmakartem sham leoyvekha laavadim velishfachot veen kone | En de Eeuwige zal u naar Egypte doen wederkeren met schepen, door dien weg waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien! en aldaar zult gij aan uw vijanden te koop geboden worden tot knechten en tot maagden, en er zal geen koper zijn. |
| 28:69 | אֵלֶּה דִבְרֵי הַבְּרִית אֲֽשֶׁר־צִוָּה יְהוָה אֶת־מֹשֶׁה לִכְרֹת אֶת־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל בְּאֶרֶץ מוֹאָב מִלְּבַד הַבְּרִית אֲשֶׁר־כָּרַת אִתָּם בְּחֹרֵֽב׃ פ | ele divre habrit asher-tsiva Adonay et-moshe likhrot et-bene yisrael beerets moav milvad habrit asher-karat itam bechorev | Dit zijn de woorden des verbonds die de Eeuwige Mosje geboden heeft te maken met de kinderen Israëls, in het land van Moav, behalve het verbond dat Hij met hen gemaakt had aan Chorev. |
7 Alija (29:1–29:8)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 29:1 | וַיִּקְרָא מֹשֶׁה אֶל־כָּל־יִשְׂרָאֵל וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם אַתֶּם רְאִיתֶם אֵת כָּל־אֲשֶׁר עָשָׂה יְהוָה לְעֵֽינֵיכֶם בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם לְפַרְעֹה וּלְכָל־עֲבָדָיו וּלְכָל־אַרְצֽוֹ׃ | vayikra moshe el-kol-yisrael vayomer alehem atem reitem et kol-asher asa Adonay leenekhem beerets mitsrayim lefaro ulkhal-avadayv ulkhal-artso | En Mosje riep gans Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de Eeuwige voor uw ogen gedaan heeft in het land van Egypte, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn ganse land; |
| 29:2 | הַמַּסּוֹת הַגְּדֹלֹת אֲשֶׁר רָאוּ עֵינֶיךָ הָאֹתֹת וְהַמֹּפְתִים הַגְּדֹלִים הָהֵֽם׃ | hamasot hagdolot asher rau enekha haotot vehamoftim hagdolim hahem | de grote verzoekingen die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen. |
| 29:3 | וְלֹֽא־נָתַן יְהוָה לָכֶם לֵב לָדַעַת וְעֵינַיִם לִרְאוֹת וְאָזְנַיִם לִשְׁמֹעַ עַד הַיּוֹם הַזֶּֽה׃ | velo-natan Adonay lakhem lev ladaat veenayim lirot veaznayim lishmoa ad hayom haze | Maar de Eeuwige heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag. |
| 29:4 | וָאוֹלֵךְ אֶתְכֶם אַרְבָּעִים שָׁנָה בַּמִּדְבָּר לֹֽא־בָלוּ שַׂלְמֹֽתֵיכֶם מֵעֲלֵיכֶם וְנַֽעַלְךָ לֹֽא־בָלְתָה מֵעַל רַגְלֶֽךָ׃ | vaolekh etkhem arbaim shana bamidbar lo-valu salmotekhem mealekhem venaalkha lo-valta meal raglekha | En Ik heb u veertig jaar doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet. |
| 29:5 | לֶחֶם לֹא אֲכַלְתֶּם וְיַיִן וְשֵׁכָר לֹא שְׁתִיתֶם לְמַעַן תֵּֽדְעוּ כִּי אֲנִי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶֽם׃ | lechem lo akhaltem veyayin veshekhar lo shetitem lemaan tedu ki ani Adonay elohekhem | Brood hebt gij niet gegeten, en wijn of sterke drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wist dat Ik de Eeuwige, uw God, ben. |
| 29:6 | וַתָּבֹאוּ אֶל־הַמָּקוֹם הַזֶּה וַיֵּצֵא סִיחֹן מֶֽלֶךְ־חֶשְׁבּוֹן וְעוֹג מֶֽלֶךְ־הַבָּשָׁן לִקְרָאתֵנוּ לַמִּלְחָמָה וַנַּכֵּֽם׃ | vatavou el-hamakom haze vayetse sichon melekh-cheshbon veog melekh-habashan likratenu lamilchama vanakem | Toen gij aan deze plaats kwaamt, zo toog Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Baschan, uit ons tegemoet, ten strijde, en wij sloegen hen, |
| 29:7 | וַנִּקַּח אֶת־אַרְצָם וַנִּתְּנָהּ לְנַחֲלָה לָרֽאוּבֵנִי וְלַגָּדִי וְלַחֲצִי שֵׁבֶט הַֽמְנַשִּֽׁי׃ | vanikach et-artsam vanitnah lenachala laruveni velagadi velachatsi shevet hamnashi | en namen hun land, en gaven het ten erve aan de Rubenieten, en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Menasje. |
| 29:8 | וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּאת וַעֲשִׂיתֶם אֹתָם לְמַעַן תַּשְׂכִּילוּ אֵת כָּל־אֲשֶׁר תַּעֲשֽׂוּן׃ פ | ushmartem et-divre habrit hazot vaasitem otam lemaan taskilu et kol-asher taasun | Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet dezelve, opdat gij verstandig handelt in alles wat gij doen zult. |
Maftir (29:6–29:8, herhaling)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 29:6 | וַתָּבֹאוּ אֶל־הַמָּקוֹם הַזֶּה וַיֵּצֵא סִיחֹן מֶֽלֶךְ־חֶשְׁבּוֹן וְעוֹג מֶֽלֶךְ־הַבָּשָׁן לִקְרָאתֵנוּ לַמִּלְחָמָה וַנַּכֵּֽם׃ | vatavou el-hamakom haze vayetse sichon melekh-cheshbon veog melekh-habashan likratenu lamilchama vanakem | Toen gij aan deze plaats kwaamt, zo toog Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Baschan, uit ons tegemoet, ten strijde, en wij sloegen hen, |
| 29:7 | וַנִּקַּח אֶת־אַרְצָם וַנִּתְּנָהּ לְנַחֲלָה לָרֽאוּבֵנִי וְלַגָּדִי וְלַחֲצִי שֵׁבֶט הַֽמְנַשִּֽׁי׃ | vanikach et-artsam vanitnah lenachala laruveni velagadi velachatsi shevet hamnashi | en namen hun land, en gaven het ten erve aan de Rubenieten, en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Menasje. |
| 29:8 | וּשְׁמַרְתֶּם אֶת־דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּאת וַעֲשִׂיתֶם אֹתָם לְמַעַן תַּשְׂכִּילוּ אֵת כָּל־אֲשֶׁר תַּעֲשֽׂוּן׃ פ | ushmartem et-divre habrit hazot vaasitem otam lemaan taskilu et kol-asher taasun | Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet dezelve, opdat gij verstandig handelt in alles wat gij doen zult. |
Haftara — Kumí Orí (Isaías 60:1–22)
| Vers | עברית | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|---|
| 60:1 | קוּמִי אוֹרִי כִּי בָא אוֹרֵךְ וּכְבוֹד יְהוָה עָלַיִךְ זָרָֽח׃ | kumi ori ki va orekh ukhvod Adonay alayikh zarach | Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid van de Eeuwige gaat over u op. |
| 60:2 | כִּֽי־הִנֵּה הַחֹשֶׁךְ יְכַסֶּה־אֶרֶץ וַעֲרָפֶל לְאֻמִּים וְעָלַיִךְ יִזְרַח יְהוָה וּכְבוֹדוֹ עָלַיִךְ יֵרָאֶֽה׃ | ki-hine hachoshekh yekhase-erets vaarafel leumim vealayikh yizrach Adonay ukhvodo alayikh yerae | Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de Eeuwige opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. |
| 60:3 | וְהָלְכוּ גוֹיִם לְאוֹרֵךְ וּמְלָכִים לְנֹגַהּ זַרְחֵֽךְ׃ | vehalkhu goyim leorekh umlakhim lenogah zarchekh | En de volken zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans die u is opgegaan. |
| 60:4 | שְׂאִֽי־סָבִיב עֵינַיִךְ וּרְאִי כֻּלָּם נִקְבְּצוּ בָֽאוּ־לָךְ בָּנַיִךְ מֵרָחוֹק יָבֹאוּ וּבְנֹתַיִךְ עַל־צַד תֵּאָמַֽנָה׃ | sei-saviv enayikh uri kulam nikbtsu vau-lakh banayikh merachok yavou uvnotayikh al-tsad teamana | Hef uw ogen op rondom, en zie: die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan de zijde gevoedsterd worden. |
| 60:5 | אָז תִּרְאִי וְנָהַרְתְּ וּפָחַד וְרָחַב לְבָבֵךְ כִּֽי־יֵהָפֵךְ עָלַיִךְ הֲמוֹן יָם חֵיל גּוֹיִם יָבֹאוּ לָֽךְ׃ | az tiri venahart ufachad verachav levavekh ki-yehafekh alayikh hamon yam chel goyim yavou lakh | Dan zult gij het zien, en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het vermogen der volken zal tot u komen. |
| 60:6 | שִֽׁפְעַת גְּמַלִּים תְּכַסֵּךְ בִּכְרֵי מִדְיָן וְעֵיפָה כֻּלָּם מִשְּׁבָא יָבֹאוּ זָהָב וּלְבוֹנָה יִשָּׂאוּ וּתְהִלֹּת יְהוָה יְבַשֵּֽׂרוּ׃ | shifat gemalim tekhasekh bikhre midyan veefa kulam mishva yavou zahav ulvona yisau uthilot Adonay yevaseru | Een hoop kemelen zal u bedekken, de jonge kemelen van Midjan en Efa; zij allen uit Sheva zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en de lof des Eeuwigen zullen zij boodschappen. |
| 60:7 | כָּל־צֹאן קֵדָר יִקָּבְצוּ לָךְ אֵילֵי נְבָיוֹת יְשָׁרְתוּנֶךְ יַעֲלוּ עַל־רָצוֹן מִזְבְּחִי וּבֵית תִּפְאַרְתִּי אֲפָאֵֽר׃ | kol-tson kedar yikavtsu lakh ele nevayot yeshartunekh yaalu al-ratson mizbchi uvet tifarti afaer | Al de schapen van Kedar zullen tot u vergaderd worden; de rammen van Nevajot zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken. |
| 60:8 | מִי־אֵלֶּה כָּעָב תְּעוּפֶינָה וְכַיּוֹנִים אֶל־אֲרֻבֹּתֵיהֶֽם׃ | mi-ele kaav teufena vekhayonim el-arubotehem | Wie zijn dezen, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters? |
| 60:9 | כִּֽי־לִי ׀ אִיִּים יְקַוּוּ וָאֳנִיּוֹת תַּרְשִׁישׁ בָּרִאשֹׁנָה לְהָבִיא בָנַיִךְ מֵֽרָחוֹק כַּסְפָּם וּזְהָבָם אִתָּם לְשֵׁם יְהוָה אֱלֹהַיִךְ וְלִקְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל כִּי פֵאֲרָֽךְ׃ | ki-li iyim yekavu vaonivot tarshish barishona lehavi vanayikh merachok kaspam uzhavam itam leshem Adonay elohayikh velikdosh yisrael ki fearakh | Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw zonen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van de Eeuwige, uw God, en tot de Heilige Israëls, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. |
| 60:10 | וּבָנוּ בְנֵֽי־נֵכָר חֹמֹתַיִךְ וּמַלְכֵיהֶם יְשָׁרְתוּנֶךְ כִּי בְקִצְפִּי הִכִּיתִיךְ וּבִרְצוֹנִי רִֽחַמְתִּֽיךְ׃ | uvanu vene-nekhar chomotayikh umalkhehem yeshartunekh ki vekitspi hikitikh uvirtsoni richamtikh | En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. |
| 60:11 | וּפִתְּחוּ שְׁעָרַיִךְ תָּמִיד יוֹמָם וָלַיְלָה לֹא יִסָּגֵרוּ לְהָבִיא אֵלַיִךְ חֵיל גּוֹיִם וּמַלְכֵיהֶם נְהוּגִֽים׃ | ufitchu shearayikh tamid yomam valayla lo yisageru lehavi elayikh chel goyim umalkhehem nehugim | En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het vermogen der volken, en hun koningen tot u geleid worden. |
| 60:12 | כִּֽי־הַגּוֹי וְהַמַּמְלָכָה אֲשֶׁר לֹא־יַעַבְדוּךְ יֹאבֵדוּ וְהַגּוֹיִם חָרֹב יֶחֱרָֽבוּ׃ | ki-hagoy vehamamlakha asher lo-yaavdukh yovedu vehagoyim charov yecheravu | Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden. |
| 60:13 | כְּבוֹד הַלְּבָנוֹן אֵלַיִךְ יָבוֹא בְּרוֹשׁ תִּדְהָר וּתְאַשּׁוּר יַחְדָּו לְפָאֵר מְקוֹם מִקְדָּשִׁי וּמְקוֹם רַגְלַי אֲכַבֵּֽד׃ | kevod halvanon elayikh yavo berosh tidhar utashur yachdav lefaer mekom mikdashi umkom raglay akhabed | De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, de denneboom, de dennenboom, en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms; en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. |
| 60:14 | וְהָלְכוּ אֵלַיִךְ שְׁחוֹחַ בְּנֵי מְעַנַּיִךְ וְהִֽשְׁתַּחֲווּ עַל־כַּפּוֹת רַגְלַיִךְ כָּל־מְנַֽאֲצָיִךְ וְקָרְאוּ לָךְ עִיר יְהוָה צִיּוֹן קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל׃ | vehalkhu elayikh shechocha bene meanayikh vehishtachavu al-kapot raglayikh kol-menaatsayikh vekaru lakh ir Adonay tsivon kedosh yisrael | Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen die u onderdrukt hebben, en allen die u gelasterd hebben, zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des Eeuwigen, het Sion van de Heilige Israëls. |
| 60:15 | תַּחַת הֱיוֹתֵךְ עֲזוּבָה וּשְׂנוּאָה וְאֵין עוֹבֵר וְשַׂמְתִּיךְ לִגְאוֹן עוֹלָם מְשׂוֹשׂ דּוֹר וָדֽוֹר׃ | tachat hevotekh azuva usnua veen over vesamtikh ligon olam mesos dor vador | In plaats dat gij verlaten en gehaat waart, zodat niemand door u ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht. |
| 60:16 | וְיָנַקְתְּ חֲלֵב גּוֹיִם וְשֹׁד מְלָכִים תִּינָקִי וְיָדַעַתְּ כִּי אֲנִי יְהוָה מֽוֹשִׁיעֵךְ וְגֹאֲלֵךְ אֲבִיר יַעֲקֹֽב׃ | veyanakt chalev goyim veshod melakhim tinaki veyadaat ki ani Adonay moshiekh vegoalekh avir yaakov | En gij zult de melk der volken zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten dat Ik, de Eeuwige, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jaäkov. |
| 60:17 | תַּחַת הַנְּחֹשֶׁת אָבִיא זָהָב וְתַחַת הַבַּרְזֶל אָבִיא כֶסֶף וְתַחַת הָֽעֵצִים נְחֹשֶׁת וְתַחַת הָאֲבָנִים בַּרְזֶל וְשַׂמְתִּי פְקֻדָּתֵךְ שָׁלוֹם וְנֹגְשַׂיִךְ צְדָקָֽה׃ | tachat hanchoshet avi zahav vetachat habarzel avi khesef vetachat haetsim nechoshet vetachat haavanim barzel vesamti fekudatekh shalom venogsayikh tsedaka | Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en Ik zal uw opzieners vrede maken, en uw drijvers gerechtigheid. |
| 60:18 | לֹא־יִשָּׁמַע עוֹד חָמָס בְּאַרְצֵךְ שֹׁד וָשֶׁבֶר בִּגְבוּלָיִךְ וְקָרָאת יְשׁוּעָה חוֹמֹתַיִךְ וּשְׁעָרַיִךְ תְּהִלָּֽה׃ | lo-yishama od chamas beartsekh shod vashever bigvulayikh vekarat yeshua chomotayikh usharayikh tehila | Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpalen; maar gij zult uw muren Heil heten, en uw poorten Lof. |
| 60:19 | לֹא־יִֽהְיֶה־לָּךְ עוֹד הַשֶּׁמֶשׁ לְאוֹר יוֹמָם וּלְנֹגַהּ הַיָּרֵחַ לֹא־יָאִיר לָךְ וְהָיָה־לָךְ יְהוָה לְאוֹר עוֹלָם וֵאלֹהַיִךְ לְתִפְאַרְתֵּֽךְ׃ | lo-yihye-lakh od hashemesh leor yomam ulnogah hayarecha lo-yair lakh vehaya-lakh Adonay leor olam velohayikh letifartekh | De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de Eeuwige zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uw sierlijkheid. |
| 60:20 | לֹא־יָבוֹא עוֹד שִׁמְשֵׁךְ וִירֵחֵךְ לֹא יֵאָסֵף כִּי יְהוָה יִֽהְיֶה־לָּךְ לְאוֹר עוֹלָם וְשָׁלְמוּ יְמֵי אֶבְלֵֽךְ׃ | lo-yavo od shimshekh virechekh lo yeasef ki Adonay yihye-lakh leor olam veshalmu yeme evlekh | Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal zich niet verbergen; want de Eeuwige zal u wezen tot een eeuwig licht, en de dagen van uw treuren zullen een einde nemen. |
| 60:21 | וְעַמֵּךְ כֻּלָּם צַדִּיקִים לְעוֹלָם יִירְשׁוּ אָרֶץ נֵצֶר מטעו מַעֲשֵׂה יָדַי לְהִתְפָּאֵֽר׃ | veamekh kulam tsadikim leolam yirshu arets netser mtv maase yaday lehitpaer | En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een scheut Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik heerlijk gemaakt worde. |
| 60:22 | הַקָּטֹן יִֽהְיֶה לָאֶלֶף וְהַצָּעִיר לְגוֹי עָצוּם אֲנִי יְהוָה בְּעִתָּהּ אֲחִישֶֽׁנָּה׃ ס | hakaton yihye laelef vehatsair legoy atsum ani Adonay beitah achishena | De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de Eeuwige, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen. |