Aliyot Devarim Shoftim • 16:18-21:9

Berajot
ES EN HE PT IT RU DE YI LAD NL PL RO TR HI FR FA JA ZH KO AR AM EL SW

Aliyot Devarim Sjoftiem in Hebreeuws/Nederlands - Deuteronomium 16:18-21:9

EERSTE ALIYA Devarim 16:18-17:13

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
16:18 שֹׁפְטִים וְשֹׁטְרִים תִּתֶּן־לְךָ בְּכָל־שְׁעָרֶיךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לִשְׁבָטֶיךָ וְשָׁפְטוּ אֶת־הָעָם מִשְׁפַּט־צֶדֶק Shoftim veshotrim titen-lecha bechol-she'areycha asher Adonay Eloheycha noten lecha lishvateycha veshafetu et-ha'am mishpat tsedek. Rechters en opzieners zult gij u aanstellen in al uw poorten, die de Eeuwige, uw God, u geeft, stam voor stam; en zij zullen het volk richten met rechtvaardig oordeel.
16:19 לֹא־תַטֶּה מִשְׁפָּט לֹא תַכִּיר פָּנִים וְלֹא־תִקַּח שֹׁחַד כִּי הַשֹּׁחַד יְעַוֵּר עֵינֵי חֲכָמִים וִיסַלֵּף דִּבְרֵי צַדִּיקִם Lo-tateh mishpat lo takir panim velo-tikach shochad ki hashochad ye'aver eyney chachamim visalef divrey tsadikim. Gij zult het recht niet buigen, geen aanzien des persoons hebben, noch geschenken aannemen, want het geschenk verblindt de ogen der wijzen en verdraait de woorden der rechtvaardigen.
16:20 צֶדֶק צֶדֶק תִּרְדֹּף לְמַעַן תִּחְיֶה וְיָרַשְׁתָּ אֶת־הָאָרֶץ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ ס Tsedek tsedek tirdof lema'an tichyeh veyarashta et-ha'arets asher-Adonay Eloheycha noten lach. Gerechtigheid, alleen gerechtigheid, zult gij najagen, opdat gij leeft en het land bezit, dat de Eeuwige, uw God, u geeft.
16:21 לֹא־תִטַּע לְךָ אֲשֵׁרָה כָּל־עֵץ אֵצֶל מִזְבַּח יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה־לָּךְ ס Lo-tita lecha asherah kol-ets etsel mizbach Adonay Eloheycha asher ta'aseh-lach. Gij zult u geen aserah planten, geen enkele boom, naast het altaar van de Eeuwige, uw God, dat gij u zult maken.
16:22 וְלֹא־תָקִים לְךָ מַצֵּבָה אֲשֶׁר שָׂנֵא יְהוָה אֱלֹהֶיךָ ס Velo-takim lecha matsevah asher sane Adonay Eloheycha. En gij zult u geen matsevah (heidense pilaar) oprichten, hetgeen de Eeuwige, uw God, haat.
17:1 לֹא־תִזְבַּח לַיהוָה אֱלֹהֶיךָ שׁוֹר וָשֶׂה אֲשֶׁר יִהְיֶה בוֹ מוּם כֹּל דָּבָר רָע כִּי תוֹעֲבַת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ הוּא ס Lo-tizbach l'Adonay Eloheycha shor vaseh asher yihyeh vo mum kol davar ra ki toavat Adonay Eloheycha hu. Gij zult aan de Eeuwige, uw God, geen rund of schaap offeren waarin een gebrek is, of enig kwaad, want dat is een gruwel voor de Eeuwige, uw God.
17:2 כִּי־יִמָּצֵא בְקִרְבְּךָ בְּאַחַד שְׁעָרֶיךָ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ אִישׁ אוֹ־אִשָּׁה אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה אֶת־הָרַע בְּעֵינֵי יְהוָה־אֱלֹהֶיךָ לַעֲבֹר בְּרִיתוֹ Ki-yimatse vekirbecha be'achad she'areycha asher-Adonay Eloheycha noten lach ish o-ishah asher ya'aseh et-hara be'eyney Adonay Eloheycha la'avor berito. Wanneer zich in uw midden, in een van uw poorten die de Eeuwige, uw God, u geeft, een man of vrouw bevindt die doet wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, uw God, door zijn verbond te overtreden,
17:3 וַיֵּלֶךְ וַיַּעֲבֹד אֱלֹהִים אֲחֵרִים וַיִּשְׁתַּחוּ לָהֶם וְלַשֶּׁמֶשׁ אוֹ לַיָּרֵחַ אוֹ לְכָל־צְבָא הַשָּׁמַיִם אֲשֶׁר לֹא־צִוִּיתִי Vayelech vaya'avod elohim acherim vayishtachu lahem velashemesh o layare'ach o lechol-tseva hashamayim asher lo-tsiviti. en heengegaan is en andere goden gediend en zich daarvoor neergebogen heeft, of voor de zon, of de maan, of enig heir des hemels, hetgeen Ik niet geboden heb;
17:4 וְהֻגַּד־לְךָ וְשָׁמָעְתָּ וְדָרַשְׁתָּ הֵיטֵב וְהִנֵּה אֱמֶת נָכוֹן הַדָּבָר נֶעֶשְׂתָה הַתּוֹעֵבָה הַזֹּאת בְּיִשְׂרָאֵל Vehugad-lecha veshamata vedarashta heytev vehineh emet nachon hadavar ne'estah hato'evah hazot beYisra'el. en het u wordt bericht en gij het gehoord hebt, dan zult gij het goed onderzoeken, en zie, indien het waar en zeker is dat deze gruwel in Israël is geschied,
17:5 וְהוֹצֵאתָ אֶת־הָאִישׁ הַהוּא אוֹ אֶת־הָאִשָּׁה הַהִוא אֲשֶׁר עָשׂוּ אֶת־הַדָּבָר הָרָע הַזֶּה אֶל־שְׁעָרֶיךָ אֶת־הָאִישׁ אוֹ אֶת־הָאִשָּׁה וּסְקַלְתָּם בָּאֲבָנִים וָמֵתוּ Vehotseta et-ha'ish hahu o et-ha'ishah hahi asher asu et-hadavar hara hazeh el-she'areycha et-ha'ish o et-ha'ishah uskaltam ba'avanim vametu. dan zult gij die man of die vrouw, die deze boze zaak gedaan heeft, naar uw poorten uitleiden, de man of de vrouw, en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.
17:6 עַל־פִּי שְׁנַיִם עֵדִים אוֹ שְׁלֹשָׁה עֵדִים יוּמַת הַמֵּת לֹא יוּמַת עַל־פִּי עֵד אֶחָד Al-pi shnayim edim o shloshah edim yumat hamet lo yumat al-pi ed echad. Op het woord van twee getuigen of drie getuigen zal hij die de dood verdient, gedood worden; hij zal niet gedood worden op het woord van één getuige.
17:7 יַד הָעֵדִים תִּהְיֶה־בּוֹ בָרִאשֹׁנָה לַהֲמִיתוֹ וְיַד כָּל־הָעָם בָּאַחֲרֹנָה וּבִעַרְתָּ הָרָע מִקִּרְבֶּךָ פ Yad ha'edim tihyeh-bo varishonah lahamito veyad kol-ha'am ba'acharonah uvi'arta hara mikirbecha. De hand der getuigen zal het eerst tegen hem zijn om hem te doden, en daarna de hand van al het volk; zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.
17:8 כִּי יִפָּלֵא מִמְּךָ דָבָר לַמִּשְׁפָּט בֵּין־דָּם לְדָם בֵּין־דִּין לְדִין וּבֵין נֶגַע לָנֶגַע דִּבְרֵי רִיבֹת בִּשְׁעָרֶיךָ וְקַמְתָּ וְעָלִיתָ אֶל־הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בּוֹ Ki yipale mimecha davar lamishpat beyn-dam ledam beyn-din ledin uveyn nega lanega divrey rivot bish'areycha vekamta ve'alita el-hamakom asher yivchar Adonay Eloheycha bo. Wanneer een zaak voor u te moeilijk is in het gericht, tussen bloed en bloed, tussen twist en twist, tussen letsel en letsel, geschillen binnen uw poorten, dan zult gij opstaan en optrekken naar de plaats die de Eeuwige, uw God, zal verkiezen;
17:9 וּבָאתָ אֶל־הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם וְאֶל־הַשֹּׁפֵט אֲשֶׁר יִהְיֶה בַּיָּמִים הָהֵם וְדָרַשְׁתָּ וְהִגִּידוּ לְךָ אֵת דְּבַר הַמִּשְׁפָּט Uvata el-hakohanim haLevi'im ve'el-hashofet asher yihyeh bayamim hahem vedarashta vehigidu lecha et devar hamishpat. en gij zult komen tot de Levitische priesters en tot de rechter die er in die dagen zal zijn, en navragen, en zij zullen u het vonnis van het recht bekend maken;
17:10 וְעָשִׂיתָ עַל־פִּי הַדָּבָר אֲשֶׁר יַגִּידוּ לְךָ מִן־הַמָּקוֹם הַהוּא אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה וְשָׁמַרְתָּ לַעֲשׂוֹת כְּכֹל אֲשֶׁר יוֹרוּךָ Ve'asita al-pi hadavar asher yagidu lecha min-hamakom hahu asher yivchar Adonay veshamarta la'asot kechol asher yorucha. en gij zult doen naar het woord dat zij u bekend maken vanuit die plaats die de Eeuwige zal verkiezen, en gij zult erop letten te doen naar alles wat zij u leren.
17:11 עַל־פִּי הַתּוֹרָה אֲשֶׁר יוֹרוּךָ וְעַל־הַמִּשְׁפָּט אֲשֶׁר־יֹאמְרוּ לְךָ תַּעֲשֶׂה לֹא תָסוּר מִן־הַדָּבָר אֲשֶׁר־יַגִּידוּ לְךָ יָמִין וּשְׂמֹאל Al-pi hatorah asher yorucha ve'al-hamishpat asher-yomru lecha ta'aseh lo tasur min-hadavar asher yagidu lecha yamin usmol. Naar het gebod der wet dat zij u leren, en naar het oordeel dat zij u zeggen, zo zult gij doen; gij zult niet afwijken van het vonnis dat zij u bekend maken, noch naar rechts, noch naar links.
17:12 וְהָאִישׁ אֲשֶׁר־יַעֲשֶׂה בְזָדוֹן לְבִלְתִּי שְׁמֹעַ אֶל־הַכֹּהֵן הָעֹמֵד לְשָׁרֶת שָׁם אֶת־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אוֹ אֶל־הַשֹּׁפֵט וּמֵת הָאִישׁ הַהוּא וּבִעַרְתָּ הָרָע מִיִּשְׂרָאֵל Veha'ish asher-ya'aseh vezadon levilti shmoa el-hakohen ha'omed lesharet sham et-Adonay Eloheycha o el-hashofet umet ha'ish hahu uvi'arta hara miYisra'el. En de man die met overmoed handelt, niet luisterend naar de priester die daar staat om de Eeuwige, uw God, te dienen, of naar de rechter, die man zal sterven; en gij zult het kwaad uit Israël wegdoen.
17:13 וְכָל־הָעָם יִשְׁמְעוּ וְיִרָאוּ וְלֹא יְזִידוּן עוֹד ס Vechol-ha'am yishme'u veyira'u velo yezidun od. En al het volk zal het horen en vrezen, en niet meer met overmoed handelen.

TWEEDE ALIYA Devarim 17:14-17:20

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
17:14 כִּי־תָבֹא אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ וִירִשְׁתָּהּ וְיָשַׁבְתָּה בָּהּ וְאָמַרְתָּ אָשִׂימָה עָלַי מֶלֶךְ כְּכָל־הַגּוֹיִם אֲשֶׁר סְבִיבֹתָי Ki-tavo el-ha'arets asher Adonay Eloheycha noten lach virishtah veyashavtah bah ve'amarta asimah alay melech kechol-hagoyim asher sevivotay. Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en het in bezit genomen hebt en daarin woont, en zegt: "ik zal een koning over mij stellen, zoals alle volken rondom mij",
17:15 שׂוֹם תָּשִׂים עָלֶיךָ מֶלֶךְ אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בּוֹ מִקֶּרֶב אַחֶיךָ תָּשִׂים עָלֶיךָ מֶלֶךְ לֹא תוּכַל לָתֵת עָלֶיךָ אִישׁ נָכְרִי אֲשֶׁר לֹא־אָחִיךָ הוּא Som tasim aleycha melech asher yivchar Adonay Eloheycha bo mikerev acheycha tasim aleycha melech lo tuchal latet aleycha ish nochri asher lo-achicha hu. dan zult gij zeker hem tot koning over u stellen die de Eeuwige, uw God, zal verkiezen; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u stellen; gij moogt geen vreemde man over u stellen, die niet uw broeder is.
17:16 רַק לֹא־יַרְבֶּה־לּוֹ סוּסִים וְלֹא־יָשִׁיב אֶת־הָעָם מִצְרַיְמָה לְמַעַן הַרְבּוֹת סוּס וַיהוָה אָמַר לָכֶם לֹא תֹסִפוּן לָשׁוּב בַּדֶּרֶךְ הַזֶּה עוֹד Rak lo-yarbeh-lo susim velo-yashiv et-ha'am Mitsraymah lema'an harbot sus va'Adonay amar lachem lo tosifun lashuv baderech hazeh od. Alleen zal hij zich geen vele paarden aanschaffen, noch het volk naar Egypte doen terugkeren om paarden te vermeerderen; want de Eeuwige heeft u gezegd: "Gij zult nimmer meer langs deze weg terugkeren."
17:17 וְלֹא יַרְבֶּה־לּוֹ נָשִׁים וְלֹא יָסוּר לְבָבוֹ וְכֶסֶף וְזָהָב לֹא יַרְבֶּה־לּוֹ מְאֹד Velo yarbeh-lo nashim velo yasur levavo vechesef vezahav lo yarbeh-lo me'od. Ook zal hij zich geen vele vrouwen nemen, opdat zijn hart zich niet afkere; en zilver en goud zal hij zich niet zeer vermeerderen.
17:18 וְהָיָה כְשִׁבְתּוֹ עַל כִּסֵּא מַמְלַכְתּוֹ וְכָתַב לוֹ אֶת־מִשְׁנֵה הַתּוֹרָה הַזֹּאת עַל־סֵפֶר מִלִּפְנֵי הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם Vehayah cheshivto al kise mamlachto vechatav lo et-mishneh hatorah hazot al-sefer milifney hakohanim haLevi'im. En wanneer hij op de troon van zijn koninkrijk zit, zal hij zich een afschrift van deze Wet schrijven in een boek, ten overstaan van de Levitische priesters;
17:19 וְהָיְתָה עִמּוֹ וְקָרָא בוֹ כָּל־יְמֵי חַיָּיו לְמַעַן יִלְמַד לְיִרְאָה אֶת־יְהוָה אֱלֹהָיו לִשְׁמֹר אֶת־כָּל־דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת וְאֶת־הַחֻקִּים הָאֵלֶּה לַעֲשֹׂתָם Vehayetah imo vekara vo kol-yemey chayav lema'an yilmad leyir'ah et-Adonay Elohav lishmor et-kol-divrey hatorah hazot ve'et-hachukim ha'eleh la'asotam. en het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven, opdat hij lere de Eeuwige, zijn God, te vrezen, om al de woorden dezer Wet en deze inzettingen te bewaren, om ze te doen;
17:20 לְבִלְתִּי רוּם־לְבָבוֹ מֵאֶחָיו וּלְבִלְתִּי סוּר מִן־הַמִּצְוָה יָמִין וּשְׂמֹאול לְמַעַן יַאֲרִיךְ יָמִים עַל־מַמְלַכְתּוֹ הוּא וּבָנָיו בְּקֶרֶב יִשְׂרָאֵל ס Levilti rum-levavo me'echav ulevilti sur min-hamitsvah yamin usmol lema'an ya'arich yamim al-mamlachto hu uvanav bekerev Yisra'el. opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij niet afwijke van het gebod, noch naar rechts, noch naar links, opdat hij de dagen van zijn koninkrijk verlengt, hij en zijn kinderen, te midden van Israël.

DERDE ALIYA Devarim 18:1-18:5

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
18:1 לֹא־יִהְיֶה לַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם כָּל־שֵׁבֶט לֵוִי חֵלֶק וְנַחֲלָה עִם־יִשְׂרָאֵל אִשֵּׁי יְהוָה וְנַחֲלָתוֹ יֹאכֵלוּן Lo-yihyeh lakohanim haLevi'im kol-shevet Levi chelek venachalah im-Yisra'el ishey Adonay venachalato yochelun. De Levitische priesters, de gehele stam Levi, zullen geen deel noch erfenis met Israël hebben; van de vuuroffers van de Eeuwige en van Zijn erfdeel zullen zij eten,
18:2 וְנַחֲלָה לֹא־יִהְיֶה־לּוֹ בְּקֶרֶב אֶחָיו יְהוָה הוּא נַחֲלָתוֹ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר־לוֹ ס Venachalah lo-yihyeh-lo bekerev echav Adonay hu nachalato ka'asher diber-lo. maar erfenis zullen zij niet hebben onder hun broeders; de Eeuwige is hun erfdeel, zoals Hij tot hen gesproken heeft.
18:3 וְזֶה יִהְיֶה מִשְׁפַּט הַכֹּהֲנִים מֵאֵת הָעָם מֵאֵת זֹבְחֵי הַזֶּבַח אִם־שׁוֹר אִם־שֶׂה וְנָתַן לַכֹּהֵן הַזְּרֹעַ וְהַלְּחָיַיִם וְהַקֵּבָה Vezeh yihyeh mishpat hakohanim me'et ha'am me'et zovchey hazevach im-shor im-seh venatan lakohen hazroa vehalechayayim vehakevah. En dit zal het recht der priesters zijn vanwege het volk, van hen die een offer brengen, hetzij rund hetzij schaap: zij zullen aan de priester de schouder geven, en de beide kaken en de maag.
18:4 רֵאשִׁית דְּגָנְךָ תִּירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ וְרֵאשִׁית גֵּז צֹאנְךָ תִּתֶּן־לּוֹ Reshit deganecha tiroshcha veyitsharecha vereshit gez tsonecha titen-lo. De eerstelingen van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van de scheerwol van uw schapen, zult gij hem geven;
18:5 כִּי בוֹ בָּחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מִכָּל־שְׁבָטֶיךָ לַעֲמֹד לְשָׁרֵת בְּשֵׁם־יְהוָה הוּא וּבָנָיו כָּל־הַיָּמִים ס Ki vo bachar Adonay Eloheycha mikol-shvateycha la'amod lesharet beshem-Adonay hu uvanav kol-hayamim. want hem heeft de Eeuwige, uw God, uit al uw stammen verkozen, om te staan en te dienen in de naam van de Eeuwige, hij en zijn zonen, voor altijd.

VIERDE ALIYA Devarim 18:6-18:13

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
18:6 וְכִי־יָבֹא הַלֵּוִי מֵאַחַד שְׁעָרֶיךָ מִכָּל־יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר־הוּא גָּר שָׁם וּבָא בְּכָל־אַוַּת נַפְשׁוֹ אֶל־הַמָּקוֹם אֲשֶׁר־יִבְחַר יְהוָה Vechi-yavo haLevi me'achad she'areycha mikol-Yisra'el asher-hu gar sham uva bechol-avat nafsho el-hamakom asher-yivchar Adonay. En wanneer een Leviet komt uit een van uw poorten, uit geheel Israël, waar hij verbleven heeft, en komt met alle verlangen van zijn ziel naar de plaats die de Eeuwige zal verkiezen,
18:7 וְשֵׁרֵת בְּשֵׁם יְהוָה אֱלֹהָיו כְּכָל־אֶחָיו הַלְוִיִּם הָעֹמְדִים שָׁם לִפְנֵי יְהוָה Vesheret beshem Adonay Elohav kechol-echav haLevi'im ha'omedim sham lifney Adonay. dan zal hij dienen in de naam van de Eeuwige, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar staan voor de Eeuwige.
18:8 חֵלֶק כְּחֵלֶק יֹאכֵלוּ לְבַד מִמְכָּרָיו עַל־הָאָבוֹת ס Chelek kechelek yochelu levad mimkarav al-ha'avot. Gelijke delen zullen zij ontvangen, behalve wat uit de verkoop van zijn vaderlijk erfdeel komt.
18:9 כִּי אַתָּה בָּא אֶל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ לֹא־תִלְמַד לַעֲשׂוֹת כְּתוֹעֲבֹת הַגּוֹיִם הָהֵם Ki atah ba el-ha'arets asher-Adonay Eloheycha noten lach lo-tilmad la'asot ketoavot hagoyim hahem. Wanneer gij komt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft, zult gij niet leren te handelen naar de gruwelen van die volken.
18:10 לֹא־יִמָּצֵא בְךָ מַעֲבִיר בְּנוֹ־וּבִתּוֹ בָּאֵשׁ קֹסֵם קְסָמִים מְעוֹנֵן וּמְנַחֵשׁ וּמְכַשֵּׁף Lo-yimatse vecha ma'avir beno-uvito ba'esh kosem ksamim me'onen umenachesh umchashef. Er zal onder u niemand gevonden worden die zijn zoon of dochter door het vuur doet gaan, noch een waarzegger, noch een tekenduider, noch een goochelaar, noch een tovenaar,
18:11 וְחֹבֵר חָבֶר וְשֹׁאֵל אוֹב וְיִדְּעֹנִי וְדֹרֵשׁ אֶל־הַמֵּתִים Vechover chaver vesho'el ov veyid'oni vedoresh el-hametim. noch een bezweerder, noch iemand die een geest raadpleegt, noch een dodenbezweerder, noch iemand die de doden raadpleegt.
18:12 כִּי־תוֹעֲבַת יְהוָה כָּל־עֹשֵׂה אֵלֶּה וּבִגְלַל הַתּוֹעֵבֹת הָאֵלֶּה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ מוֹרִישׁ אוֹתָם מִפָּנֶיךָ Ki-toavat Adonay kol-oseh eleh uviglal hato'evot ha'eleh Adonay Eloheycha morish otam mipaneycha. Want een gruwel voor de Eeuwige is ieder die deze dingen doet, en om deze gruwelen verdrijft de Eeuwige, uw God, hen voor uw aangezicht.
18:13 תָּמִים תִּהְיֶה עִם יְהוָה אֱלֹהֶיךָ ס Tamim tihyeh im Adonay Eloheycha. Oprecht zult gij zijn met de Eeuwige, uw God.

VIJFDE ALIYA Devarim 18:14-19:13

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
18:14 כִּי הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אַתָּה יוֹרֵשׁ אוֹתָם אֶל־מְעֹנְנִים וְאֶל־קֹסְמִים יִשְׁמָעוּ וְאַתָּה לֹא כֵן נָתַן לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ Ki hagoyim ha'eleh asher atah yoresh otam el-me'onenim ve'el-kosmim yishma'u ve'atah lo chen natan lecha Adonay Eloheycha. Want deze volken, die gij zult verdrijven, luisteren naar tekenduiders en waarzeggers; maar u heeft de Eeuwige, uw God, zulks niet toegestaan.
18:15 נָבִיא מִקִּרְבְּךָ מֵאַחֶיךָ כָּמֹנִי יָקִים לְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֵלָיו תִּשְׁמָעוּן Navi mikirbecha me'acheycha kamoni yakim lecha Adonay Eloheycha elav tishma'un. De Eeuwige, uw God, zal u een profeet doen opstaan uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik; naar hem zult gij luisteren,
18:16 כְּכֹל אֲשֶׁר־שָׁאַלְתָּ מֵעִם יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּחֹרֵב בְּיוֹם הַקָּהָל לֵאמֹר לֹא אֹסֵף לִשְׁמֹעַ אֶת־קוֹל יְהוָה אֱלֹהָי וְאֶת־הָאֵשׁ הַגְּדֹלָה הַזֹּאת לֹא־אֶרְאֶה עוֹד וְלֹא אָמוּת Kechol asher-sha'alta me'im Adonay Eloheycha beChorev beyom hakahal lemor lo osef lishmoa et-kol Adonay Elohay ve'et-ha'esh hagedolah hazot lo-er'eh od velo amut. geheel zoals gij het van de Eeuwige, uw God, gevraagd hebt bij Horeb op de dag der samenkomst, zeggende: "laat mij de stem van de Eeuwige, mijn God, niet meer horen, noch dit grote vuur meer zien, opdat ik niet sterve".
18:17 וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלָי הֵיטִיבוּ אֲשֶׁר דִּבֵּרוּ Vayomer Adonay elay heytivu asher diberu. En de Eeuwige zeide tot mij: Zij hebben goed gesproken wat zij gesproken hebben;
18:18 נָבִיא אָקִים לָהֶם מִקֶּרֶב אֲחֵיהֶם כָּמוֹךָ וְנָתַתִּי דְבָרַי בְּפִיו וְדִבֶּר אֲלֵיהֶם אֵת כָּל־אֲשֶׁר אֲצַוֶּנּוּ Navi akim lahem mikerev acheyhem kamocha venatati devaray befiv vediber aleyhem et kol-asher atsavenu. een profeet zal Ik hun doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u, en zal Mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal tot hen spreken al wat Ik hem gebieden zal.
18:19 וְהָיָה הָאִישׁ אֲשֶׁר לֹא־יִשְׁמַע אֶל־דְּבָרַי אֲשֶׁר יְדַבֵּר בִּשְׁמִי אָנֹכִי אֶדְרֹשׁ מֵעִמּוֹ Vehayah ha'ish asher lo-yishma el-devaray asher yedaber bishmi anochi edrosh me'imo. En het zal geschieden, wie niet zal luisteren naar Mijn woorden die hij in Mijn naam spreken zal, van hem zal Ik zelf rekenschap eisen.
18:20 אַךְ הַנָּבִיא אֲשֶׁר יָזִיד לְדַבֵּר דָּבָר בִּשְׁמִי אֵת אֲשֶׁר לֹא־צִוִּיתִיו לְדַבֵּר וַאֲשֶׁר יְדַבֵּר בְּשֵׁם אֱלֹהִים אֲחֵרִים וּמֵת הַנָּבִיא הַהוּא Ach hanavi asher yazid ledaber davar bishmi et asher lo-tsivitiv ledaber va'asher yedaber beshem elohim acherim umet hanavi hahu. Maar de profeet die zich vermeet in Mijn naam een woord te spreken, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreekt in de naam van andere goden, die profeet zal sterven.
18:21 וְכִי תֹאמַר בִּלְבָבֶךָ אֵיכָה נֵדַע אֶת־הַדָּבָר אֲשֶׁר לֹא־דִבְּרוֹ יְהוָה Vechi tomar bilvavecha eychah neda et-hadavar asher lo-dibro Adonay. En indien gij in uw hart zegt: "hoe zullen wij het woord kennen dat de Eeuwige niet gesproken heeft?"
18:22 אֲשֶׁר יְדַבֵּר הַנָּבִיא בְּשֵׁם יְהוָה וְלֹא־יִהְיֶה הַדָּבָר וְלֹא יָבוֹא הוּא הַדָּבָר אֲשֶׁר לֹא־דִבְּרוֹ יְהוָה בְּזָדוֹן דִּבְּרוֹ הַנָּבִיא לֹא תָגוּר מִמֶּנּוּ ס Asher yedaber hanavi beshem Adonay velo-yiheyeh hadavar velo yavo hu hadavar asher lo-dibro Adonay bezadon dibero hanavi lo tagur mimenu. Wanneer een profeet spreekt in de naam van de Eeuwige en de zaak geschiedt niet, noch komt uit, dat is hetgeen de Eeuwige niet gesproken heeft; met overmoed heeft die profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.
19:1 כִּי־יַכְרִית יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת־הַגּוֹיִם אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ אֶת־אַרְצָם וִירִשְׁתָּם וְיָשַׁבְתָּ בְעָרֵיהֶם וּבְבָתֵּיהֶם Ki-yachrit Adonay Eloheycha et-hagoyim asher Adonay Eloheycha noten lecha et-artsam virishtam veyashavta ve'areyhem uvevateyhem. Wanneer de Eeuwige, uw God, de volken heeft uitgeroeid, wier land de Eeuwige, uw God, u geeft, en gij hen verdreven hebt en in hun steden en in hun huizen woont,
19:2 שָׁלוֹשׁ עָרִים תַּבְדִּיל לָךְ בְּתוֹךְ אַרְצְךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לְרִשְׁתָּהּ Shalosh arim tavdil lach betoch artsecha asher Adonay Eloheycha noten lecha lerishtah. zult gij u drie steden afzonderen te midden van het land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft om het te erven.
19:3 תָּכִין לְךָ הַדֶּרֶךְ וְשִׁלַּשְׁתָּ אֶת־גְּבוּל אַרְצְךָ אֲשֶׁר יַנְחִילְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהָיָה לָנוּס שָׁמָּה כָּל־רֹצֵחַ Tachin lecha haderech veshilashta et-gvul artsecha asher yanchilcha Adonay Eloheycha vehayah lanus shamah kol-rotse'ach. Gij zult u de weg bereiden en het grondgebied van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u doet erven, in drie delen verdelen; en dit zal zijn opdat iedere doodslager daarheen kan vluchten.
19:4 וְזֶה דְּבַר הָרֹצֵחַ אֲשֶׁר־יָנוּס שָׁמָּה וָחָי אֲשֶׁר יַכֶּה אֶת־רֵעֵהוּ בִּבְלִי־דַעַת וְהוּא לֹא־שֹׂנֵא לוֹ מִתְּמֹל שִׁלְשֹׁם Vezeh dvar harotse'ach asher-yanus shamah vachay asher yakeh et-re'ehu bivli-da'at vehu lo-sone lo mitmol shilshom. En dit is de zaak van de doodslager die daarheen kan vluchten en leven: wie zijn naaste onopzettelijk slaat, en hem tevoren niet gehaat heeft;
19:5 וַאֲשֶׁר יָבֹא אֶת־רֵעֵהוּ בַיַּעַר לַחְטֹב עֵצִים וְנִדְּחָה יָדוֹ בַגַּרְזֶן לִכְרֹת הָעֵץ וְנָשַׁל הַבַּרְזֶל מִן־הָעֵץ וּמָצָא אֶת־רֵעֵהוּ וָמֵת הוּא יָנוּס אֶל־אַחַת הֶעָרִים־הָאֵלֶּה וָחָי Va'asher yavo et-re'ehu vaya'ar lachtov etsim venidechah yado vagarzen lichrot ha'ets venashal habarzel min-ha'ets umatsa et-re'ehu vamet hu yanus el-achat he'arim-ha'eleh vachay. en wie met zijn metgezel het bos ingaat om hout te hakken, en zijn hand haalt uit met de bijl om de boom te vellen, en het ijzer van de steel schiet en zijn metgezel treft, zodat hij sterft; die zal naar een van deze steden vluchten en leven;
19:6 פֶּן־יִרְדֹּף גֹּאֵל הַדָּם אַחֲרֵי הָרֹצֵחַ כִּי־יֵחַם לְבָבוֹ וְהִשִּׂיגוֹ כִּי־יִרְבֶּה הַדֶּרֶךְ וְהִכָּהוּ נָפֶשׁ וְלוֹ אֵין מִשְׁפַּט־מָוֶת כִּי לֹא שֹׂנֵא הוּא לוֹ מִתְּמוֹל שִׁלְשׁוֹם Pen-yirdof go'el hadam acharey harotse'ach ki yecham levavo vehisigo ki-yirbeh haderech vehikahu nafesh velo eyn mishpat-mavet ki lo sone hu lo mitmol shilshom. opdat de bloedwreker de doodslager niet achtervolge terwijl zijn hart verhit is, en hem inhale omdat de weg lang is, en hem dodelijk slaat, terwijl hij de dood niet verdiende, omdat hij hem tevoren niet gehaat had.
19:7 עַל־כֵּן אָנֹכִי מְצַוְּךָ לֵאמֹר שָׁלֹשׁ עָרִים תַּבְדִּיל לָךְ ס Al-ken anochi metsavecha lemor shalosh arim tavdil lach. Daarom gebied ik u, zeggende: gij zult u drie steden afzonderen.
19:8 וְאִם־יַרְחִיב יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת־גְּבֻלְךָ כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּע לַאֲבֹתֶיךָ וְנָתַן לְךָ אֶת־כָּל־הָאָרֶץ אֲשֶׁר דִּבֶּר לָתֵת לַאֲבֹתֶיךָ Ve'im-yarchiv Adonay Eloheycha et-gvulecha ka'asher nishba la'avoteycha venatan lecha et-kol-ha'arets asher diber latet la'avoteycha. En wanneer de Eeuwige, uw God, uw grens verruimt, zoals Hij aan uw vaderen gezworen heeft, en u het gehele land geeft dat Hij beloofd heeft aan uw vaderen te geven,
19:9 כִּי־תִשְׁמֹר אֶת־כָּל־הַמִּצְוָה הַזֹּאת לַעֲשֹׂתָהּ אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם לְאַהֲבָה אֶת־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְלָלֶכֶת בִּדְרָכָיו כָּל־הַיָּמִים וְיָסַפְתָּ לְךָ עוֹד שָׁלֹשׁ עָרִים עַל הַשָּׁלֹשׁ הָאֵלֶּה Ki-tishmor et-kol-hamitsvah hazot la'asotah asher anochi metsavecha hayom le'ahavah et-Adonay Eloheycha velalechet bidrachav kol-hayamim veyasafta lecha od shalosh arim al hashalosh ha'eleh. indien gij dit gehele gebod onderhoudt om het te doen, dat ik u heden gebied, om de Eeuwige, uw God, lief te hebben en steeds in Zijn wegen te wandelen, dan zult gij u nog drie steden toevoegen, behalve deze drie,
19:10 וְלֹא יִשָּׁפֵךְ דָּם נָקִי בְּקֶרֶב אַרְצְךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ נַחֲלָה וְהָיָה עָלֶיךָ דָּמִים ס Velo yishafech dam naki bekerev artsecha asher Adonay Eloheycha noten lecha nachalah vehayah aleycha damim. opdat geen onschuldig bloed vergoten worde te midden van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u tot erfdeel geeft, en er bloedschuld op u zij.
19:11 וְכִי־יִהְיֶה אִישׁ שֹׂנֵא לְרֵעֵהוּ וְאָרַב לוֹ וְקָם עָלָיו וְהִכָּהוּ נֶפֶשׁ וָמֵת וְנָס אֶל־אַחַת הֶעָרִים הָאֵל Vechi-yiheyeh ish sone lere'ehu ve'arav lo vekam alav vehikahu nefesh vamet venas el-achat he'arim ha'el. Maar indien een man zijn naaste haat en hem belaagt, en tegen hem opstaat en hem dodelijk slaat, zodat hij sterft, en vlucht naar een van die steden,
19:12 וְשָׁלְחוּ זִקְנֵי עִירוֹ וְלָקְחוּ אֹתוֹ מִשָּׁם וְנָתְנוּ אֹתוֹ בְּיַד גֹּאֵל הַדָּם וָמֵת Veshalechu zikney iro velakechu oto misham venatnu oto beyad go'el hadam vamet. dan zullen de oudsten van zijn stad zenden en hem vandaar halen, en hem overgeven in de hand van de bloedwreker, opdat hij sterve.
19:13 לֹא־תָחוֹס עֵינְךָ עָלָיו וּבִעַרְתָּ דַם־הַנָּקִי מִיִּשְׂרָאֵל וְטוֹב לָךְ ס Lo-tachos eynecha alav uvi'arta dam-hanaki miYisra'el vetov lach. Uw oog zal hem niet ontzien; zo zult gij de schuld van onschuldig bloed uit Israël wegdoen, opdat het u wel ga.

ZESDE ALIYA Devarim 19:14-20:9

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
19:14 לֹא תַסִּיג גְּבוּל רֵעֲךָ אֲשֶׁר גָּבְלוּ רִאשֹׁנִים בְּנַחֲלָתְךָ אֲשֶׁר תִּנְחַל בָּאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לְרִשְׁתָּהּ ס Lo tasig gvul re'acha asher gavlu rishonim benachalatcha asher tinchal ba'arets asher Adonay Eloheycha noten lecha lerishtah. Gij zult de grens van uw naaste niet verleggen, die de voorouders vastgesteld hebben, in uw erfdeel dat gij zult bezitten in het land dat de Eeuwige, uw God, u ter bezitting geeft.
19:15 לֹא־יָקוּם עֵד אֶחָד בְּאִישׁ לְכָל־עָוֺן וּלְכָל־חַטָּאת בְּכָל־חֵטְא אֲשֶׁר יֶחֱטָא עַל־פִּי שְׁנֵי עֵדִים אוֹ עַל־פִּי שְׁלֹשָׁה־עֵדִים יָקוּם דָּבָר Lo-yakum ed echad be'ish lechol-avon ulechol-chatat bechol-chet asher yecheta al-pi shney edim o al-pi shloshah-edim yakum davar. Eén getuige zal niet opstaan tegen een man voor enige ongerechtigheid of voor enige zonde, welke zonde hij ook begaan heeft; op het woord van twee getuigen of drie getuigen zal de zaak vaststaan.
19:16 כִּי־יָקוּם עֵד־חָמָס בְּאִישׁ לַעֲנוֹת בּוֹ סָרָה Ki-yakum ed-chamas be'ish la'anot bo sarah. Wanneer valse getuigen tegen iemand opstaan, om valsheid tegen hem te getuigen,
19:17 וְעָמְדוּ שְׁנֵי־הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר־לָהֶם הָרִיב לִפְנֵי יְהוָה לִפְנֵי הַכֹּהֲנִים וְהַשֹּׁפְטִים אֲשֶׁר יִהְיוּ בַּיָּמִים הָהֵם Ve'amdu shney-ha'anashim asher-lahem hariv lifney Adonay lifney hakohanim vehashoftim asher yiheyu bayamim hahem. dan zullen de twee mannen die de twist hebben, staan voor de Eeuwige, voor de priesters en de rechters die er in die dagen zullen zijn;
19:18 וְדָרְשׁוּ הַשֹּׁפְטִים הֵיטֵב וְהִנֵּה עֵד־שֶׁקֶר הָעֵד שֶׁקֶר עָנָה בְאָחִיו Vedarshu hashoftim heytev vehineh ed-sheker ha'ed sheker anah ve'achiv. en de rechters zullen goed onderzoeken, en zie, indien de getuige een valse getuige is en valsheid tegen zijn broeder getuigd heeft,
19:19 וַעֲשִׂיתֶם לוֹ כַּאֲשֶׁר זָמַם לַעֲשׂוֹת לְאָחִיו וּבִעַרְתָּ הָרָע מִקִּרְבֶּךָ Va'asitem lo ka'asher zamam la'asot le'achiv uvi'arta hara mikirbecha. dan zult gij hem doen zoals hij zijn broeder gedacht had te doen; zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen.
19:20 וְהַנִּשְׁאָרִים יִשְׁמְעוּ וְיִרָאוּ וְלֹא־יֹסִפוּ לַעֲשׂוֹת עוֹד כַּדָּבָר הָרָע הַזֶּה בְּקִרְבֶּךָ Vehanish'arim yishme'u veyira'u velo-yosifu la'asot od kadavar hara hazeh bekirbecha. En de overigen zullen het horen en vrezen, en niet meer zulk kwaad in uw midden doen.
19:21 וְלֹא תָחוֹס עֵינֶךָ נֶפֶשׁ בְּנֶפֶשׁ עַיִן בְּעַיִן שֵׁן בְּשֵׁן יָד בְּיָד רֶגֶל בְּרָגֶל ס Velo tachos eynecha nefesh benefesh ayin be'ayin shen beshen yad beyad regel beragel. En uw oog zal niet ontzien: leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.
20:1 כִּי־תֵצֵא לַמִּלְחָמָה עַל־אֹיְבֶיךָ וְרָאִיתָ סוּס וָרֶכֶב עַם רַב מִמְּךָ לֹא תִירָא מֵהֶם כִּי־יְהוָה אֱלֹהֶיךָ עִמָּךְ הַמַּעַלְךָ מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם Ki-tetse lamilchamah al-oyvecha vera'ita sus varechev am rav mimecha lo tira mehem ki-Adonay Eloheycha imach hama'alcha me'erets Mitsrayim. Wanneer gij uittrekt ten strijde tegen uw vijand en paarden en wagens ziet, een volk talrijker dan gij, zult gij voor hen niet vrezen, want de Eeuwige, uw God, is met u, die u uit het land Egypte heeft opgevoerd.
20:2 וְהָיָה כְּקָרָבְכֶם אֶל־הַמִּלְחָמָה וְנִגַּשׁ הַכֹּהֵן וְדִבֶּר אֶל־הָעָם Vehayah kekoravchem el-hamilchamah venigash hakohen vediber el-ha'am. En het zal geschieden, wanneer gij de strijd nadert, dat de priester nadere en tot het volk spreke,
20:3 וְאָמַר אֲלֵהֶם שְׁמַע יִשְׂרָאֵל אַתֶּם קְרֵבִים הַיּוֹם לַמִּלְחָמָה עַל־אֹיְבֵיכֶם אַל־יֵרַךְ לְבַבְכֶם אַל־תִּירְאוּ וְאַל־תַּחְפְּזוּ וְאַל־תַּעַרְצוּ מִפְּנֵיהֶם Ve'amar alehem shma Yisra'el atem krevim hayom lamilchamah al-oyveychem al-yerach levavchem al-tir'u ve'al-tachpezu ve'al-ta'artsu mipneyhem. en tot hen zegge: Hoor, Israël, gij nadert heden de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet versagen, vreest niet, wordt niet verschrikt, noch beeft voor hen;
20:4 כִּי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם הַהֹלֵךְ עִמָּכֶם לְהִלָּחֵם לָכֶם עִם־אֹיְבֵיכֶם לְהוֹשִׁיעַ אֶתְכֶם Ki Adonay Eloheychem haholech imachem lehilachem lachem im-oyeveychem lehoshia etchem. want de Eeuwige, uw God, is het die met u meetrekt om voor u tegen uw vijanden te strijden, om u te verlossen.
20:5 וְדִבְּרוּ הַשֹּׁטְרִים אֶל־הָעָם לֵאמֹר מִי־הָאִישׁ אֲשֶׁר בָּנָה בַיִת־חָדָשׁ וְלֹא חֲנָכוֹ יֵלֵךְ וְיָשֹׁב לְבֵיתוֹ פֶּן־יָמוּת בַּמִּלְחָמָה וְאִישׁ אַחֵר יַחְנְכֶנּוּ Vediberu hashotrim el-ha'am lemor mi-ha'ish asher banah vayit-chadash velo chanacho yelech veyashov leveyto pen-yamut bamilchamah ve'ish acher yachnechenu. En de opzieners zullen tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het nog niet heeft ingewijd? Hij ga en kere naar zijn huis terug, opdat hij niet sterve in de strijd en een andere man het inwijde.
20:6 וּמִי־הָאִישׁ אֲשֶׁר־נָטַע כֶּרֶם וְלֹא חִלְּלוֹ יֵלֵךְ וְיָשֹׁב לְבֵיתוֹ פֶּן־יָמוּת בַּמִּלְחָמָה וְאִישׁ אַחֵר יְחַלְּלֶנּוּ Umi-ha'ish asher nata kerem velo chilelo yelech veyashov leveyto pen-yamut bamilchamah ve'ish acher yechalelenu. En wie is de man die een wijngaard heeft geplant en de vrucht ervan nog niet genoten heeft? Hij ga en kere naar zijn huis terug, opdat hij niet sterve in de strijd en een andere man ervan geniete.
20:7 וּמִי־הָאִישׁ אֲשֶׁר־אֵרַשׂ אִשָּׁה וְלֹא לְקָחָהּ יֵלֵךְ וְיָשֹׁב לְבֵיתוֹ פֶּן־יָמוּת בַּמִּלְחָמָה וְאִישׁ אַחֵר יִקָּחֶנָּה Umi-ha'ish asher eras ishah velo lekachah yelech veyashov leveyto pen-yamut bamilchamah ve'ish acher yikachenah. En wie is de man die zich met een vrouw verloofd heeft en haar nog niet genomen heeft? Hij ga en kere naar zijn huis terug, opdat hij niet sterve in de strijd en een andere man haar neme.
20:8 וְיָסְפוּ הַשֹּׁטְרִים לְדַבֵּר אֶל־הָעָם וְאָמְרוּ מִי־הָאִישׁ הַיָּרֵא וְרַךְ הַלֵּבָב יֵלֵךְ וְיָשֹׁב לְבֵיתוֹ וְלֹא יִמַּס אֶת־לְבַב אֶחָיו כִּלְבָבוֹ Veyasfu hashotrim ledaber el-ha'am ve'ameru mi-ha'ish hayare verach halevav yelech veyashov leveyto velo yimas et-levav echav kilvavo. En verder zullen de opzieners tot het volk spreken en zeggen: Wie is de man die vreesachtig en week van hart is? Hij ga en kere naar zijn huis terug, opdat het hart van zijn broeders niet smelte gelijk het zijne.
20:9 וְהָיָה כְּכַלֹּת הַשֹּׁטְרִים לְדַבֵּר אֶל־הָעָם וּפָקְדוּ שָׂרֵי צְבָאוֹת בְּרֹאשׁ הָעָם ס Vehayah kechalot hashotrim ledaber el-ha'am ufakdu sarey Tsva'ot berosh ha'am. En het zal geschieden, wanneer de opzieners geëindigd hebben tot het volk te spreken, dat zij hoofdlieden der legerscharen aan het hoofd van het volk stellen.

ZEVENDE ALIYA Devarim 20:10-21:6

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
20:10 כִּי־תִקְרַב אֶל־עִיר לְהִלָּחֵם עָלֶיהָ וְקָרָאתָ אֵלֶיהָ לְשָׁלוֹם Ki-tikrav el-ir lehilachem aleyha vekarata eleyha leshalom. Wanneer gij een stad nadert om ertegen te strijden, zult gij haar vrede aanbieden.
20:11 וְהָיָה אִם־שָׁלוֹם תַּעַנְךָ וּפָתְחָה לָךְ וְהָיָה כָּל־הָעָם הַנִּמְצָא־בָהּ יִהְיוּ לְךָ לָמַס וַעֲבָדוּךָ Vehayah im-shalom ta'ancha ufatchah lach vehayah kol-ha'am hanimtsa-vah yiheyu lecha lamas va'avaducha. En indien zij u vreedzaam antwoordt en u opent, dan zal al het volk dat daarin gevonden wordt, u schatplichtig zijn en u dienen.
20:12 וְאִם־לֹא תַשְׁלִים עִמָּךְ וְעָשְׂתָה עִמְּךָ מִלְחָמָה וְצַרְתָּ עָלֶיהָּ Ve'im-lo tashlim imach ve'astah imecha milchamah vetsarta aleyha. Maar indien zij geen vrede met u wil sluiten, doch oorlog tegen u voert, dan zult gij haar belegeren;
20:13 וּנְתָנָהּ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּיָדֶךָ וְהִכִּיתָ אֶת־כָּל־זְכוּרָהּ לְפִי־חָרֶב Unetanah Adonay Eloheycha beyadecha vehikita et-kol-zechurah lefi-charev. en wanneer de Eeuwige, uw God, haar in uw hand geeft, zult gij alle mannen daarvan slaan met de scherpte des zwaards;
20:14 רַק הַנָּשִׁים וְהַטַּף וְהַבְּהֵמָה וְכֹל אֲשֶׁר יִהְיֶה בָעִיר כָּל־שְׁלָלָהּ תָּבֹז לָךְ וְאָכַלְתָּ אֶת־שְׁלַל אֹיְבֶיךָ אֲשֶׁר נָתַן יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָךְ Rak hanashim vehataf vehabehemah vechol asher yiheyeh va'ir kol-shlalah tavoz lach ve'achalta et-shlal oyeveycha asher natan Adonay Eloheycha lach. doch de vrouwen, de kinderen en het vee en al wat in de stad is, al haar buit, zult gij u nemen; en gij zult de buit van uw vijanden genieten, die de Eeuwige, uw God, u gegeven heeft.
20:15 כֵּן תַּעֲשֶׂה לְכָל־הֶעָרִים הָרְחֹקֹת מִמְּךָ מְאֹד אֲשֶׁר לֹא־מֵעָרֵי הַגּוֹיִם־הָאֵלֶּה הֵנָּה Ken ta'aseh lechol-he'arim harechokot mimecha me'od asher lo-me'arey hagoyim-ha'eleh henah. Zo zult gij doen met alle steden die zeer ver van u zijn, die niet tot de steden van deze volken hier behoren.
20:16 רַק מֵעָרֵי הָעַמִּים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ נַחֲלָה לֹא תְחַיֶּה כָּל־נְשָׁמָה Rak me'arey ha'amim ha'eleh asher Adonay Eloheycha noten lecha nachalah lo techayeh kol-neshamah. Maar van de steden dezer volken, die de Eeuwige, uw God, u tot erfdeel geeft, zult gij niets laten leven dat adem heeft,
20:17 כִּי־הַחֲרֵם תַּחֲרִימֵם הַחִתִּי וְהָאֱמֹרִי הַכְּנַעֲנִי וְהַפְּרִזִּי הַחִוִּי וְהַיְבוּסִי כַּאֲשֶׁר צִוְּךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ Ki-hacharem tacharimem haChiti veha'Emori haKna'ani vehaPrizi haChivi vehaYevusi ka'asher tsivecha Adonay Eloheycha. maar gij zult hen geheel verdelgen: de Hetiet, en de Amoriet, de Kanaäniet, en de Piriziet, de Hiwwiet, en de Jebusiet, zoals de Eeuwige, uw God, u geboden heeft,
20:18 לְמַעַן אֲשֶׁר לֹא־יְלַמְּדוּ אֶתְכֶם לַעֲשׂוֹת כְּכֹל תּוֹעֲבֹתָם אֲשֶׁר עָשׂוּ לֵאלֹהֵיהֶם וַחֲטָאתֶם לַיהוָה אֱלֹהֵיכֶם ס Lema'an asher lo-yelamedu etchem la'asot kechol toavotam asher asu l'eloheyhem vachatatem l'Adonay Eloheychem. opdat zij u niet leren te handelen naar al hun gruwelen, die zij met hun goden gedaan hebben, zodat gij zondigt tegen de Eeuwige, uw God.
20:19 כִּי־תָצוּר אֶל־עִיר יָמִים רַבִּים לְהִלָּחֵם עָלֶיהָ לְתָפְשָׂהּ לֹא־תַשְׁחִית אֶת־עֵצָהּ לִנְדֹּחַ עָלָיו גַּרְזֶן כִּי מִמֶּנּוּ תֹאכֵל וְאֹתוֹ לֹא תִכְרֹת כִּי הָאָדָם עֵץ הַשָּׂדֶה לָבֹא מִפָּנֶיךָ בַּמָּצוֹר Ki-tatsur el-ir yamim rabim lehilachem aleyha letofsah lo-tashchit et-etsah lindoach alav garzen ki mimenu tochel ve'oto lo tichrot ki ha'adam ets hasadeh lavo mipaneycha bamatsor. Wanneer gij een stad vele dagen belegert, om ertegen te strijden en haar in te nemen, zult gij haar bomen niet vernielen door de bijl tegen hen te zwaaien; want gij kunt daarvan eten, en gij zult hen niet omhakken; is de boom des velds soms een mens, dat hij door u belegerd zou worden?
20:20 רַק עֵץ אֲשֶׁר־תֵּדַע כִּי־לֹא־עֵץ מַאֲכָל הוּא אֹתוֹ תַשְׁחִית וְכָרָתָּ וּבָנִיתָ מָצוֹר עַל־הָעִיר אֲשֶׁר־הִוא עֹשָׂה עִמְּךָ מִלְחָמָה עַד רִדְתָּהּ פ Rak ets asher-teda ki lo-ets ma'achal hu oto tashchit vecharata uvanita matsor al-ha'ir asher-hi osah imecha milchamah ad ridetah. Alleen de bomen, waarvan gij weet dat zij geen vruchtbomen zijn, die moogt gij vernielen en omhakken, om belegeringswerken te bouwen tegen de stad die oorlog tegen u voert, totdat zij valt.
21:1 כִּי־יִמָּצֵא חָלָל בָּאֲדָמָה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ לְרִשְׁתָּהּ נֹפֵל בַּשָּׂדֶה לֹא נוֹדַע מִי הִכָּהוּ Ki-yimatse chalal ba'adamah asher Adonay Eloheycha noten lecha lerishtah nofel basadeh lo noda mi hikahu. Wanneer een verslagene gevonden wordt, gevallen in het veld, in het land dat de Eeuwige, uw God, u ter bezitting geeft, en men niet weet wie hem geslagen heeft,
21:2 וְיָצְאוּ זְקֵנֶיךָ וְשֹׁפְטֶיךָ וּמָדְדוּ אֶל־הֶעָרִים אֲשֶׁר סְבִיבֹת הֶחָלָל Veyats'u zkeneycha veshofteycha umadedu el-he'arim asher svivot hechalal. dan zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan en meten tot de steden die rondom de verslagene liggen;
21:3 וְהָיָה הָעִיר הַקְּרֹבָה אֶל־הֶחָלָל וְלָקְחוּ זִקְנֵי הָעִיר הַהִוא עֶגְלַת בָּקָר אֲשֶׁר לֹא־עֻבַּד בָּהּ אֲשֶׁר לֹא־מָשְׁכָה בְּעֹל Vehayah ha'ir hakrovah el-hechalal velakechu zikney ha'ir hahi eglat bakar asher lo-ubad bah asher lo-mashchah be'ol. en de stad die het naast bij de verslagene is, welker oudsten zullen een vaars uit de kudde nemen, waarmee nog niet gewerkt is en die nog geen juk gedragen heeft;
21:4 וְהוֹרִדוּ זִקְנֵי הָעִיר הַהִוא אֶת־הָעֶגְלָה אֶל־נַחַל אֵיתָן אֲשֶׁר לֹא־יֵעָבֵד בּוֹ וְלֹא יִזָּרֵעַ וְעָרְפוּ־שָׁם אֶת־הָעֶגְלָה בַּנָּחַל Vehoridu zikney ha'ir hahi et-ha'eglah el-nachal Eytan asher lo-ye'aved bo velo yizarea ve'arfu-sham et-ha'eglah banachal. en de oudsten van die stad zullen de vaars afvoeren naar een dal met stromend water, dat niet bewerkt noch bezaaid wordt, en zullen daar in het dal de nek der vaars breken;
21:5 וְנִגְּשׁוּ הַכֹּהֲנִים בְּנֵי לֵוִי כִּי בָם בָּחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְשָׁרְתוֹ וּלְבָרֵךְ בְּשֵׁם יְהוָה וְעַל־פִּיהֶם יִהְיֶה כָּל־רִיב וְכָל־נָגַע Venigshu hakohanim beney Levi ki vam bachar Adonay Eloheycha lesharto ulevarech beshem Adonay ve'al-pihem yiheyeh kol-riv vechol-naga. en de priesters, de zonen van Levi, zullen naderbij komen, want hen heeft de Eeuwige, uw God, verkoren om Hem te dienen en te zegenen in de naam van de Eeuwige, en naar hun uitspraak zal elk geschil en elk letsel worden beslecht;
21:6 וְכֹל זִקְנֵי הָעִיר הַהִוא הַקְּרֹבִים אֶל־הֶחָלָל יִרְחֲצוּ אֶת־יְדֵיהֶם עַל־הָעֶגְלָה הָעֲרוּפָה בַנָּחַל Vechol-zikney ha'ir hahi hakerovim el-hechalal yirchatsu et-yedeyhem al-ha'eglah ha'arufah vanachal. en alle oudsten van die stad, die het naast bij de verslagene zijn, zullen hun handen wassen over de vaars welker nek in het dal gebroken werd;

MAFTIR Devarim 21:7-21:9

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
21:7 וְעָנוּ וְאָמְרוּ יָדֵינוּ לֹא שפכהשפכהשָׁפְכוּ אֶת־הַדָּם הַזֶּה וְעֵינֵינוּ לֹא רָאוּ Ve'anu ve'amru yadenu lo shafchu et-hadam hazeh ve'eyneynu lo ra'u. en zij zullen betuigen en zeggen: onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien.
21:8 כַּפֵּר לְעַמְּךָ יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר־פָּדִיתָ יְהוָה וְאַל־תִּתֵּן דָּם נָקִי בְּקֶרֶב עַמְּךָ יִשְׂרָאֵל וְנִכַּפֵּר לָהֶם הַדָּם Kaper le'amecha Yisra'el asher-padita Adonay ve'al-titen dam naki bekerev amecha Yisra'el venikaper lahem hadam. Vergeef, o Eeuwige, uw volk Israël, dat Gij verlost hebt, en leg geen schuld van onschuldig bloed op uw volk Israël! En zo zal hun de zonde van dat vergoten bloed vergeven worden,
21:9 וְאַתָּה תְּבַעֵר הַדָּם הַנָּקִי מִקִּרְבֶּךָ כִּי־תַעֲשֶׂה הַיָּשָׁר בְּעֵינֵי יְהוָה ס Ve'atah teva'er hadam hanaki mikirbecha ki-ta'aseh hayashar be'eyney Adonay. en zo zult gij de schuld van onschuldig bloed uit uw midden wegdoen, want gij zult doen wat recht is in de ogen van de Eeuwige.

HAFTARA (Jesaja 51:12-52:12) Jesjajahoe (Jesaja) 51:12-52:12

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
51:12 אָנֹכִי אָנֹכִי הוּא מְנַחֶמְכֶם מִי־אַתְּ וַתִּירְאִי מֵאֱנוֹשׁ יָמוּת וּמִבֶּן־אָדָם חָצִיר יִנָּתֵן Anochi anochi hu menachemchem mi-at vatir'i me'enosh yamut umiben-adam chatsir yinaten. Ik, Ik ben het die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor een mens die sterven moet, en voor een mensenkind dat als gras vergaat?
51:13 וַתִּשְׁכַּח יְהוָה עֹשֶׂךָ נוֹטֶה שָׁמַיִם וְיֹסֵד אָרֶץ וַתְּפַחֵד תָּמִיד כָּל־הַיּוֹם מִפְּנֵי חֲמַת הַמֵּצִיק כַּאֲשֶׁר כּוֹנֵן לְהַשְׁחִית וְאַיֵּה חֲמַת הַמֵּצִיק Vatishkach Adonay osecha noteh shamayim veyosed arets vatefached tamid kol-hayom mipeney chamat hametsik ka'asher konen lehashkit ve'ayeh chamat hametsik. En gij hebt de Eeuwige, uw Maker, vergeten, die de hemelen uitspande en de aarde grondvestte, en gij vreest voortdurend de gehele dag vanwege de grimmigheid van de verdrukker, alsof hij gereed staat te verderven; en waar is nu de grimmigheid van de verdrukker?
51:14 מִהַר צֹעֶה לְהִפָּתֵחַ וְלֹא־יָמוּת לַשַּׁחַת וְלֹא יֶחְסַר לַחְמוֹ Mihar tso'eh lehipate'ach velo-yamut lashachat velo yeksar lachemo. De gevangen balling zal spoedig bevrijd worden, en hij zal niet sterven om in de kuil neer te dalen, noch zal hem zijn brood ontbreken.
51:15 וְאָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ רֹגַע הַיָּם וַיֶּהֱמוּ גַּלָּיו יְהוָה צְבָאוֹת שְׁמוֹ Ve'anochi Adonay Eloheycha roga hayam vayehemu galav Adonay Tseva'ot shemo. Want Ik ben de Eeuwige, uw God, die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen; de Eeuwige der heerscharen is Zijn (mijn) naam.
51:16 וָאָשִׂים דְּבָרַי בְּפִיךָ וּבְצֵל יָדִי כִּסִּיתִיךָ לִנְטֹעַ שָׁמַיִם וְלִיסֹד אָרֶץ וְלֵאמֹר לְצִיּוֹן עַמִּי־אָתָּה ס Va'asim devaray beficha uvetsel yadi kisiticha lintoa shamayim velisod arets velemor le-Tsiyon ami-atah. En Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd en u met de schaduw van Mijn hand bedekt, om de hemelen te planten en de aarde te grondvesten en tot Sion te zeggen: "gij zijt Mijn volk".
51:17 הִתְעוֹרְרִי הִתְעוֹרְרִי קוּמִי יְרוּשָׁלִַם אֲשֶׁר שָׁתִית מִיַּד יְהוָה אֶת־כּוֹס חֲמָתוֹ אֶת־קֻבַּעַת כּוֹס הַתַּרְעֵלָה שָׁתִית מָצִית Hit'oreri hit'oreri kumi Yerushalayim asher shatit miyad Adonay et-kos chamato et-kuba'at kos hatar'elah shatit matsit. Ontwaak, ontwaak! Sta op, o Jeruzalem, gij die uit de hand van de Eeuwige de beker Zijns toorns gedronken hebt; gij hebt de droesem van de beker der bedwelming gedronken en uitgedronken.
51:18 אֵין־מְנַהֵל לָהּ מִכָּל־בָּנִים יָלָדָה וְאֵין מַחֲזִיק בְּיָדָהּ מִכָּל־בָּנִים גִּדֵּלָה Eyn-menahel lah mikol-banim yaladah ve'eyn machazik beyadah mikol-banim gidelah. Van al haar zonen die zij gebaard heeft, was er geen die haar leidde; en van al haar zonen die zij grootgebracht heeft, was er geen die haar bij de hand nam.
51:19 שְׁתַּיִם הֵנָּה קֹרְאֹתַיִךְ מִי יָנוּד לָךְ הַשֹּׁד וְהַשֶּׁבֶר וְהָרָעָב וְהַחֶרֶב מִי אֲנַחֲמֵךְ Shtayim henah kor'otayich mi yanud lach hashod vehashever vehara'av vehacherev mi anachamech. Deze twee dingen zijn u overkomen; wie zal medelijden met u hebben? Verwoesting en verderf, honger en zwaard; waarmee zal Ik u troosten?
51:20 בָּנַיִךְ עֻלְּפוּ שָׁכְבוּ בְּרֹאשׁ כָּל־חוּצוֹת כְּתוֹא מִכְמָר הַמְלֵאִים חֲמַת־יְהוָה גַּעֲרַת אֱלֹהָיִךְ Banayich ulefu shachevu berosh kol-chutsot keto mikmar hamele'im chamat-Adonay ga'arat Elohayich. Uw zonen zijn bezweken; zij liggen aan de hoeken van alle straten, als een antilope in een net; zij zijn vervuld van de grimmigheid van de Eeuwige, van de bestraffing van uw God.
51:21 לָכֵן שִׁמְעִי־נָא זֹאת עֲנִיָּה וּשְׁכֻרַת וְלֹא מִיָּיִן ס Lachen shim'i-na zot anyah ushechurat velo miyayin. Daarom, hoor dit toch, gij ellendige, dronkene, doch niet van wijn:
51:22 כֹּה־אָמַר אֲדֹנַיִךְ יְהוָה וֵאלֹהַיִךְ יָרִיב עַמּוֹ הִנֵּה לָקַחְתִּי מִיָּדֵךְ אֶת־כּוֹס הַתַּרְעֵלָה אֶת־קֻבַּעַת כּוֹס חֲמָתִי לֹא־תוֹסִיפִי לִשְׁתּוֹתָהּ עוֹד Koh-amar Adonayich Adonay ve'Elohayich yariv amo hineh lakachti miyadech et-kos hatar'elah et-kuba'at kos chamati lo-tosifi lishtotah od. Zo zegt uw Heer, de Eeuwige, en uw God, die de zaak van Zijn volk voert: Zie, Ik heb uit uw hand de beker der bedwelming genomen, de droesem van de beker van Mijn grimmigheid; gij zult die niet meer drinken,
51:23 וְשַׂמְתִּיהָ בְּיַד־מוֹגַיִךְ אֲשֶׁר־אָמְרוּ לְנַפְשֵׁךְ שְׁחִי וְנַעֲבֹרָה וַתָּשִׂימִי כָאָרֶץ גֵּוֵךְ וְכַחוּץ לַעֹבְרִים ס Vesamtiha beyad mogayich asher-amru lenafshech shchi vena'avorah vatasimi cha'arets gevech vechachuts la'ovrim. maar Ik zal die geven in de hand van hen die u verdrukken, die tot uw ziel gezegd hebben: "buig u neder, opdat wij over u heengaan"; en gij hebt uw lichaam gemaakt als de grond en als de straat voor hen die voorbijgingen.
52:1 עוּרִי עוּרִי לִבְשִׁי עֻזֵּךְ צִיּוֹן לִבְשִׁי בִּגְדֵי תִפְאַרְתֵּךְ יְרוּשָׁלִַם עִיר הַקֹּדֶשׁ כִּי לֹא יוֹסִיף יָבֹא־בָךְ עוֹד עָרֵל וְטָמֵא Uri uri livshi uzech Tsiyon livshi bigdey tif'artech Yerushalayim ir hakodesh ki lo yosif yavo-vach od arel vetame. Ontwaak, ontwaak, bekleed u met uw sterkte, o Sion! Bekleed u met de klederen uwer heerlijkheid, o Jeruzalem, heilige stad! Want voortaan zal er geen onbesnedene noch onreine meer in u komen.
52:2 הִתְנַעֲרִי מֵעָפָר קוּמִי שְּׁבִי יְרוּשָׁלִָם התפתחוהתפתחוהִתְפַּתְּחִי מוֹסְרֵי צַוָּארֵךְ שְׁבִיָּה בַּת־צִיּוֹן ס Hitna'ari me'afar kumi shvi Yerushalayim hitpatchi mosrey tsavarech shvi'ah bat-Tsiyon. Schud u af van het stof, sta op, zet u neder, o Jeruzalem! Maak u los van de banden om uw hals, o gevangen dochter Sions!
52:3 כִּי־כֹה אָמַר יְהוָה חִנָּם נִמְכַּרְתֶּם וְלֹא בְכֶסֶף תִּגָּאֵלוּ Ki-koh amar Adonay chinam nimkartem velo vechesef tiga'elu. Want zo zegt de Eeuwige: Om niet zijt gij verkocht, en zonder geld zult gij verlost worden (doch door inkeer).
52:4 כִּי כֹה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה מִצְרַיִם יָרַד־עַמִּי בָרִאשֹׁנָה לָגוּר שָׁם וְאַשּׁוּר בְּאֶפֶס עֲשָׁקוֹ Ki koh amar Adonay Elohim Mitsrayim yarad-ami varishonah lagur sham ve'Ashur be'efes ashako. Want zo zegt de Eeuwige God: Naar Egypte trok Mijn volk eertijds af om daar tijdelijk te vertoeven; en Assur onderdrukte het zonder oorzaak.
52:5 וְעַתָּה מי־לימי־לימַה־לִּי־פֹה נְאֻם־יְהוָה כִּי־לֻקַּח עַמִּי חִנָּם משלומשלומֹשְׁלָיו יְהֵילִילוּ נְאֻם־יְהוָה וְתָמִיד כָּל־הַיּוֹם שְׁמִי מִנֹּאָץ Ve'atah mah-li-foh neum-Adonay ki-lukach ami chinam moshlav yeheylilu neum-Adonay vetamid kol-hayom shmi mino'ats. Nu dan, wat heb Ik hier, spreekt de Eeuwige, nu Mijn volk om niet weggenomen is? Zijn heersers verheffen een triomfgeschreeuw, spreekt de Eeuwige, en voortdurend, de gehele dag, wordt Mijn naam gelasterd.
52:6 לָכֵן יֵדַע עַמִּי שְׁמִי לָכֵן בַּיּוֹם הַהוּא כִּי־אֲנִי־הוּא הַמְדַבֵּר הִנֵּנִי Lachen yeda ami shemi lachen bayom chachu ki-ani-chu hamedaber hineni. Daarom zal Mijn volk Mijn naam kennen; daarom zullen zij te dien dage weten dat Ik het ben die spreekt: "Zie, Ik ben het die het vervult."
52:7 מַה־נָּאווּ עַל־הֶהָרִים רַגְלֵי מְבַשֵּׂר מַשְׁמִיעַ שָׁלוֹם מְבַשֵּׂר טוֹב מַשְׁמִיעַ יְשׁוּעָה אֹמֵר לְצִיּוֹן מָלַךְ אֱלֹהָיִךְ Mah-navu al-checharim ragley mevaser mashmia shalom mevaser tov mashmia yeshu'ah omer le-Tsiyon malach Elohayich. Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem die een goede boodschap brengt, die vrede verkondigt, die goeds verkondigt, die heil doet horen, die tot Sion zegt: "uw God regeert!"
52:8 קוֹל צֹפַיִךְ נָשְׂאוּ קוֹל יַחְדָּו יְרַנֵּנוּ כִּי עַיִן בְּעַיִן יִרְאוּ בְּשׁוּב יְהוָה צִיּוֹן Kol tsofayich nase'u kol yakdav yeranenu ki ayin be'ayin yir'u beshuv Adonay Tsiyon. Hoor, uw wachters verheffen de stem, tezamen jubelen zij; want oog in oog zullen zij het zien, wanneer de Eeuwige tot Sion wederkeert.
52:9 פִּצְחוּ רַנְּנוּ יַחְדָּו חָרְבוֹת יְרוּשָׁלִָם כִּי־נִחַם יְהוָה עַמּוֹ גָּאַל יְרוּשָׁלִָם Pitschu ranenu yakdav chorevot Yerushalayim ki-nicham Adonay amo ga'al Yerushalayim. Breekt uit in gejuich, zingt tezamen, gij puinhopen van Jeruzalem, want de Eeuwige heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.
52:10 חָשַׂף יְהוָה אֶת־זְרוֹעַ קָדְשׁוֹ לְעֵינֵי כָּל־הַגּוֹיִם וְרָאוּ כָּל־אַפְסֵי־אָרֶץ אֵת יְשׁוּעַת אֱלֹהֵינוּ ס Chashaf Adonay et-zroa kodsho le'eyney kol-hagoyim vera'u kol-afsey-arets et yeshu'at Eloheynu. De Eeuwige heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken, en alle einden der aarde zullen het heil van onze God zien.
52:11 סוּרוּ סוּרוּ צְאוּ מִשָּׁם טָמֵא אַל־תִּגָּעוּ צְאוּ מִתּוֹכָהּ הִבָּרוּ נֹשְׂאֵי כְּלֵי יְהוָה Suru suru tse'u misham tame al-tiga'u tse'u mitochah hibaru nos'ey kley Adonay. Wijkt, wijkt, trekt vandaar uit, raakt niets onreins aan! Trekt uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten van de Eeuwige draagt!
52:12 כִּי לֹא בְחִפָּזוֹן תֵּצֵאוּ וּבִמְנוּסָה לֹא תֵלֵכוּן כִּי־הֹלֵךְ לִפְנֵיכֶם יְהוָה וּמְאַסִּפְכֶם אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל ס Ki lo vechipazon tetse'u uvimnusah lo telechun ki-holech lifneychem Adonay ume'asifchem Elohey Yisra'el. Want gij zult niet met haast uittrekken, noch in vlucht gaan; want de Eeuwige gaat voor u uit, en de God van Israël is uw achterhoede.