SJEMINI ATSERET - Nederlands

Devarim 14:22-16:17 | Maftir Bemidbar 29:35-30:1 | Haftará Melajim I 8:54-66

Opmerking: Vertaling en transliteratie zijn net opgesteld en wachten op menselijke beoordeling voor publicatie.

Voor de Toralezing

Barechu et Adonai hamevorach! (Baruch Adonai hamevorach le'olam va'ed!) Baruch atah Adonai, Eloheinu Melech ha'olam, asher bachar banu mikol ha'amim, venatan lanu et Torato. Baruch atah Adonai, noten haTorah.

Na de Toralezing

Baruch atah Adonai, Eloheinu Melech ha'olam, asher natan lanu Torat emet, vechayei olam nata betochenu. Baruch atah Adonai, noten haTorah.

Tora: Devarim 14:22-16:17

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
1עַשֵּׂ֣ר תְּעַשֵּׂ֔ר אֵ֖ת כָּל תְּבוּאַ֣ת זַרְעֶ֑ךָ הַיֹּצֵ֥א הַשָּׂדֶ֖ה שָׁנָ֥ה שָׁנָֽהasher tasher et kal tbvat zareja hayotse hashadeh shanah shanahGij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uwer zaad, dat elk jaar op het veld voortkomt.
2וְאָכַלְתָּ֞ לִפְנֵ֣י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗יךָ בַּמָּק֣וֹם אֲשֶׁר יִבְחַר֮ לְשַׁכֵּ֣ן שְׁמ֣וֹ שָׁם֒ מַעְשַׂ֤ר דְּגָֽנְךָ֙ תִּֽירֹשְׁךָ֣ וְיִצְהָרֶ֔ךָ וּבְכֹרֹ֥ת בְּקָרְךָ֖ וְצֹאנֶ֑ךָ לְמַ֣עַן תִּלְמַ֗ד לְיִרְאָ֛ה אֶת יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ כָּל הַיָּמִֽיםvakalta lipney Adonai eloheyja bamakvom asher yibchar lshaken shmvo sham mashar dganja tiyroshja vyitshareja vbkorot bkarja vtsoneja lmaan tilmad lyirah et Adonai eloheyja kal hayamiymEn gij zult eten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, in de plaats die Hij verkiezen zal om Zijn naam aldaar te doen wonen, de tiende van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeborenen uwer runderen en uwer schapen, opdat gij leert de Eeuwige, uw God, te vrezen alle dagen.
3וְכִֽי יִרְבֶּ֨ה מִמְּךָ֜ הַדֶּ֗רֶךְ כִּ֣י לֹ֣א תוּכַ֘ל שְׂאֵתוֹ֒ כִּֽי יִרְחַ֤ק מִמְּךָ֙ הַמָּק֔וֹם אֲשֶׁ֤ר יִבְחַר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ לָשׂ֥וּם שְׁמ֖וֹ שָׁ֑ם כִּ֥י יְבָרֶכְךָ֖ יְהוָ֥ה אֱלֹהֶֽיךָvkiy yirbeh mimja haderej kiy lo tvkal shetvo kiy yirchak mimja hamakvom asher yibchar Adonai eloheyja lashvm shmvo sham kiy ybarekja Adonai eloheyjaEn wanneer de weg te lang voor u is, zodat gij het niet zoudt kunnen dragen, omdat de plaats te ver van u is, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om Zijn naam aldaar te stellen, wanneer de Eeuwige, uw God, u zal gezegend hebben,
4וְנָתַתָּ֖ה בַּכָּ֑סֶף וְצַרְתָּ֤ הַכֶּ֨סֶף֙ בְּיָ֣דְךָ֔ וְהָֽלַכְתָּ֙ אֶל הַמָּק֔וֹם אֲשֶׁ֥ר יִבְחַ֛ר יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ בּֽוֹvnatatah bakasef vtsarta hakesef byadja vhalakta el hamakvom asher yibchar Adonai eloheyja bvozo zult gij het te gelde maken en het geld in uw hand binden, en zult gaan naar de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal;
5וְנָתַתָּ֣ה הַכֶּ֡סֶף בְּכֹל֩ אֲשֶׁר תְּאַוֶּ֨ה נַפְשְׁךָ֜ בַּבָּקָ֣ר וּבַצֹּ֗אן וּבַיַּ֨יִן֙ וּבַשֵּׁכָ֔ר וּבְכֹ֛ל אֲשֶׁ֥ר תִּֽשְׁאָלְךָ֖ נַפְשֶׁ֑ךָ וְאָכַ֣לְתָּ שָּׁ֗ם לִפְנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ וְשָׂמַחְתָּ֖ אַתָּ֥ה וּבֵיתֶֽךָvnatatah hakesef bkol asher taveh napshja babakar vbatson vbayayin vbashekar vbkol asher tishalja napsheja vakalta sham lipney Adonai eloheyja vshamachta atah vbeytejaen gij zult dat geld geven voor alles wat uw ziel begeert, voor runderen, en voor schapen, en voor wijn, en voor sterke drank, en voor alles wat uw ziel van u begeren zal; en gij zult aldaar eten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, en gij zult blijde zijn, gij en uw huis.
6וְהַלֵּוִ֥י אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶ֖יךָ לֹ֣א תַֽעַזְבֶ֑נּוּ כִּ֣י אֵ֥ין ל֛וֹ חֵ֥לֶק וְנַחֲלָ֖ה עִמָּֽךְvhaleviy asher bishareyja lo taazbenv kiy eyn lvo chelek vnachalah imajMaar de Leviet die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erfenis met u.
7מִקְצֵ֣ה שָׁלֹ֣שׁ שָׁנִ֗ים תּוֹצִיא֙ אֶת כָּל מַעְשַׂר֙ תְּבוּאָ֣תְךָ֔ בַּשָּׁנָ֖ה הַהִ֑וא וְהִנַּחְתָּ֖ בִּשְׁעָרֶֽיךָmiktseh shalosh shaniym tvotsiy et kal mashar tbvatja bashanah hahiv vhinachta bishareyjaTen einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomst in hetzelfde jaar, en zult ze wegleggen in uw poorten.
8וּבָ֣א הַלֵּוִ֡י כִּ֣י אֵֽין לוֹ֩ חֵ֨לֶק וְנַחֲלָ֜ה עִמָּ֗ךְ וְ֠הַגֵּר וְהַיָּת֤וֹם וְהָֽאַלְמָנָה֙ אֲשֶׁ֣ר בִּשְׁעָרֶ֔יךָ וְאָכְל֖וּ וְשָׂבֵ֑עוּ לְמַ֤עַן יְבָרֶכְךָ֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בְּכָל מַעֲשֵׂ֥ה יָדְךָ֖ אֲשֶׁ֥ר תַּעֲשֶֽׂהvba haleviy kiy eyn lvo chelek vnachalah imaj vhager vhayatvom vhaalmanah asher bishareyja vaklv vshabev lmaan ybarekja Adonai eloheyja bkal maasheh yadja asher taashehDan zal de Leviet komen, omdat hij geen deel noch erfenis met u heeft, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat de Eeuwige, uw God, u zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.
9מִקֵּ֥ץ שֶֽׁבַע שָׁנִ֖ים תַּעֲשֶׂ֥ה שְׁמִטָּֽהmikets sheba shaniym taasheh shmitahTen einde van elke zeven jaren zult gij een vrijlating maken.
10וְזֶה֮ דְּבַ֣ר הַשְּׁמִטָּה֒ שָׁמ֗וֹט כָּל בַּ֨עַל֙ מַשֵּׁ֣ה יָד֔וֹ אֲשֶׁ֥ר יַשֶּׁ֖ה בְּרֵעֵ֑הוּ לֹֽא יִגֹּ֤שׂ אֶת רֵעֵ֨הוּ֙ וְאֶת אָחִ֔יו כִּֽי קָרָ֥א שְׁמִטָּ֖ה לַֽיהוָֽהvzeh dbar hashmitah shamvot kal baal masheh yadvo asher yasheh breehv lo yigosh et reehv vet achiyv kiy kara shmitah lAdonaiDit nu is de zaak der vrijlating: alle schuldeiser die zijn naaste iets geleend heeft, zal het kwijtschelden; hij zal het niet eisen van zijn naaste of van zijn broeder, want de vrijlating des Eeuwigen is uitgeroepen.
11אֶת הַנָּכְרִ֖י תִּגֹּ֑שׂ וַאֲשֶׁ֨ר יִהְיֶ֥ה לְךָ֛ אֶת אָחִ֖יךָ תַּשְׁמֵ֥ט יָדֶֽךָet hanakriy tigosh vaasher yihyeh lja et achiyja tashmet yadejaVan een vreemdeling moogt gij het eisen; maar wat gij van het uwe bij uw broeder hebt, zal uw hand kwijtschelden;
12אֶ֕פֶס כִּ֛י לֹ֥א יִֽהְיֶה בְּךָ֖ אֶבְי֑וֹן כִּֽי בָרֵ֤ךְ יְבָֽרֶכְךָ֙ יְהוָ֔ה בָּאָ֕רֶץ אֲשֶׁר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ נֹֽתֵן לְךָ֥ נַחֲלָ֖ה לְרִשְׁתָּֽהּepes kiy lo yihyeh bja ebyvon kiy barej ybarekja Adonai baarets asher Adonai eloheyja noten lja nachalah lrishtahopdat er geen bedelaar onder u zij; want de Eeuwige zal u zeer zegenen in het land dat de Eeuwige, uw God, u ten erfdeel geven zal om het te bezitten,
13רַ֚ק אִם שָׁמ֣וֹעַ תִּשְׁמַ֔ע בְּק֖וֹל יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑יךָ לִשְׁמֹ֤ר לַעֲשׂוֹת֙ אֶת כָּל הַמִּצְוָ֣ה הַזֹּ֔את אֲשֶׁ֛ר אָנֹכִ֥י מְצַוְּךָ֖ הַיּֽוֹםrak im shamvoa tishma bkvol Adonai eloheyja lishmor laashvot et kal hamitsvah hazot asher anokiy mtsavja hayvomindien gij slechts naarstig hoort naar de stem van de Eeuwige, uw God, om waar te nemen te doen al deze geboden die ik u heden gebied.
14כִּֽי יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨יךָ֙ בֵּֽרַכְךָ֔ כַּאֲשֶׁ֖ר דִּבֶּר לָ֑ךְ וְהַֽעֲבַטְתָּ֞ גּוֹיִ֣ם רַבִּ֗ים וְאַתָּה֙ לֹ֣א תַעֲבֹ֔ט וּמָֽשַׁלְתָּ֙ בְּגוֹיִ֣ם רַבִּ֔ים וּבְךָ֖ לֹ֥א יִמְשֹֽׁלוּkiy Adonai eloheyja berakja kaasher diber laj vhaabatta gvoyim rabiym vatah lo taabot vmashalta bgvoyim rabiym vbja lo yimsholvWant de Eeuwige, uw God, zal u zegenen, gelijk Hij u gesproken heeft; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen, maar zij zullen over u niet heersen.
15כִּֽי יִהְיֶה֩ בְךָ֨ אֶבְי֜וֹן מֵאַחַ֤ד אַחֶ֨יךָ֙ בְּאַחַ֣ד שְׁעָרֶ֔יךָ בְּאַ֨רְצְךָ֔ אֲשֶׁר יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ נֹתֵ֣ן לָ֑ךְ לֹ֧א תְאַמֵּ֣ץ אֶת לְבָבְךָ֗ וְלֹ֤א תִקְפֹּץ֙ אֶת יָ֣דְךָ֔ מֵאָחִ֖יךָ הָאֶבְיֽוֹןkiy yihyeh bja ebyvon meachad acheyja bachad shareyja bartsja asher Adonai eloheyja noten laj lo tamets et lbabja vlo tikpots et yadja meachiyja haebyvonWanneer onder u een arme zal zijn, één uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
16כִּֽי פָתֹ֧חַ תִּפְתַּ֛ח אֶת יָדְךָ֖ ל֑וֹ וְהַעֲבֵט֙ תַּעֲבִיטֶ֔נּוּ דֵּ֚י מַחְסֹר֔וֹ אֲשֶׁ֥ר יֶחְסַ֖ר לֽוֹkiy patocha tiptach et yadja lvo vhaabet taabiytenv dey machsorvo asher yechsar lvomaar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen genoeg voor zijn gebrek, in hetgeen hij gebrek heeft.
17הִשָּׁ֣מֶר לְךָ֡ פֶּן יִהְיֶ֣ה דָבָר֩ עִם לְבָבְךָ֨ בְלִיַּ֜עַל לֵאמֹ֗ר קָֽרְבָ֣ה שְׁנַֽת הַשֶּׁבַע֮ שְׁנַ֣ת הַשְּׁמִטָּה֒ וְרָעָ֣ה עֵֽינְךָ֗ בְּאָחִ֨יךָ֙ הָֽאֶבְי֔וֹן וְלֹ֥א תִתֵּ֖ן ל֑וֹ וְקָרָ֤א עָלֶ֨יךָ֙ אֶל יְהוָ֔ה וְהָיָ֥ה בְךָ֖ חֵֽטְאhishamer lja pen yihyeh dabar im lbabja bliyaal lemor karbah shnat hasheba shnat hashmitah vraah eynja bachiyja haebyvon vlo titen lvo vkara aleyja el Adonai vhayah bja chetWacht u dat er geen Belialswoord zij in uw hart, zeggende: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, is nabij, en dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet geeft; hij zal over u tot de Eeuwige roepen, en het zal in u zonde zijn.
18נָת֤וֹן תִּתֵּן֙ ל֔וֹ וְלֹא יֵרַ֥ע לְבָבְךָ֖ בְּתִתְּךָ֣ ל֑וֹ כִּ֞י בִּגְלַ֣ל הַדָּבָ֣ר הַזֶּ֗ה יְבָרֶכְךָ֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בְּכָֽל מַעֲשֶׂ֔ךָ וּבְכֹ֖ל מִשְׁלַ֥ח יָדֶֽךָnatvon titen lvo vlo yera lbabja btitja lvo kiy biglal hadabar hazeh ybarekja Adonai eloheyja bkal maasheja vbkol mishlach yadejaGij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet kwaad zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de Eeuwige, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles waaraan gij uw hand slaat.
19כִּ֛י לֹא יֶחְדַּ֥ל אֶבְי֖וֹן מִקֶּ֣רֶב הָאָ֑רֶץ עַל כֵּ֞ן אָנֹכִ֤י מְצַוְּךָ֙ לֵאמֹ֔ר פָּ֠תֹחַ תִּפְתַּ֨ח אֶת יָדְךָ֜ לְאָחִ֧יךָ לַעֲנִיֶּ֛ךָ וּלְאֶבְיֹנְךָ֖ בְּאַרְצֶֽךָkiy lo yechdal ebyvon mikereb haarets al ken anokiy mtsavja lemor patocha tiptach et yadja lachiyja laaniyeja vlebyonja bartsejaWant armen zullen niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen voor uw broeder, voor uw bedrukte, en voor uw arme in uw land.
20כִּֽי יִמָּכֵ֨ר לְךָ֜ אָחִ֣יךָ הָֽעִבְרִ֗י א֚וֹ הָֽעִבְרִיָּ֔ה וַעֲבָֽדְךָ֖ שֵׁ֣שׁ שָׁנִ֑ים וּבַשָּׁנָה֙ הַשְּׁבִיעִ֔ת תְּשַׁלְּחֶ֥נּוּ חָפְשִׁ֖י מֵעִמָּֽךְkiy yimaker lja achiyja haibriy vo haibriyah vaabadja shesh shaniym vbashanah hashbiyit tshalchenv chapshiy meimajWanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.
21וְכִֽי תְשַׁלְּחֶ֥נּוּ חָפְשִׁ֖י מֵֽעִמָּ֑ךְ לֹ֥א תְשַׁלְּחֶ֖נּוּ רֵיקָֽםvkiy tshalchenv chapshiy meimaj lo tshalchenv reykamEn als gij hem vrij van u laat gaan, zult gij hem niet ledig laten gaan;
22הַעֲנֵ֤יק תַּעֲנִיק֙ ל֔וֹ מִצֹּ֣אנְךָ֔ וּמִֽגָּרְנְךָ֖ וּמִיִּקְבֶ֑ךָ אֲשֶׁ֧ר בֵּרַכְךָ֛ יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ תִּתֶּן לֽוֹhaaneyk taaniyk lvo mitsonja vmigarnja vmiyikbeja asher berakja Adonai eloheyja titen lvogij zult hem overvloedig opladen van uw schapen, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; van hetgeen de Eeuwige, uw God, u gezegend heeft, zult gij hem geven.
23וְזָכַרְתָּ֗ כִּ֣י עֶ֤בֶד הָיִ֨יתָ֙ בְּאֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וַֽיִּפְדְּךָ֖ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑יךָ עַל כֵּ֞ן אָנֹכִ֧י מְצַוְּךָ֛ אֶת הַדָּבָ֥ר הַזֶּ֖ה הַיּֽוֹםvzakarta kiy ebed hayiyta berets mitsrayim vayipdja Adonai eloheyja al ken anokiy mtsavja et hadabar hazeh hayvomEn gij zult gedenken dat gij een dienstknecht geweest zijt in het land van Egypte, en dat de Eeuwige, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.
24וְהָיָה֙ כִּֽי יֹאמַ֣ר אֵלֶ֔יךָ לֹ֥א אֵצֵ֖א מֵעִמָּ֑ךְ כִּ֤י אֲהֵֽבְךָ֙ וְאֶת בֵּיתֶ֔ךָ כִּי ט֥וֹב ל֖וֹ עִמָּֽךְvhayah kiy yomar eleyja lo etse meimaj kiy ahebja vet beyteja kiy tvob lvo imajMaar het zal geschieden, wanneer hij tot u zal zeggen: Ik zal van u niet uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is;
25וְלָקַחְתָּ֣ אֶת הַמַּרְצֵ֗עַ וְנָתַתָּ֤ה בְאָזְנוֹ֙ וּבַדֶּ֔לֶת וְהָיָ֥ה לְךָ֖ עֶ֣בֶד עוֹלָ֑ם וְאַ֥ף לַאֲמָתְךָ֖ תַּעֲשֶׂה כֵּֽןvlakachta et hamartsea vnatatah baznvo vbadelet vhayah lja ebed volam vaf laamatja taasheh kenzo zult gij een priem nemen en zijn oor doorboren aan de deur, en hij zal eeuwig uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.
26לֹא יִקְשֶׁ֣ה בְעֵינֶ֗ךָ בְּשַׁלֵּֽחֲךָ֙ אֹת֤וֹ חָפְשִׁי֙ מֵֽעִמָּ֔ךְ כִּ֗י מִשְׁנֶה֙ שְׂכַ֣ר שָׂכִ֔יר עֲבָֽדְךָ֖ שֵׁ֣שׁ שָׁנִ֑ים וּבֵֽרַכְךָ֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בְּכֹ֖ל אֲשֶׁ֥ר תַּעֲשֶֽׂהlo yiksheh beyneja bshalechaja otvo chapshiy meimaj kiy mishneh shkar shakiyr abadja shesh shaniym vberakja Adonai eloheyja bkol asher taashehHet zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u laat gaan; want hij heeft u het dubbel van het loon eens dagloners zes jaren gediend; en de Eeuwige, uw God, zal u zegenen in alles wat gij doen zult.
27כָּֽל הַבְּכ֡וֹר אֲשֶׁר֩ יִוָּלֵ֨ד בִּבְקָרְךָ֤ וּבְצֹֽאנְךָ֙ הַזָּכָ֔ר תַּקְדִּ֖ישׁ לַיהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑יךָ לֹ֤א תַעֲבֹד֙ בִּבְכֹ֣ר שׁוֹרֶ֔ךָ וְלֹ֥א תָגֹ֖ז בְּכ֥וֹר צֹאנֶֽךָkal habkvor asher yivaled bibkarja vbtsonja hazakar takdiysh lAdonai eloheyja lo taabod bibkor shvoreja vlo tagoz bkvor tsonejaAl de eerstgeborenen, die onder uw runderen en onder uw schapen geboren worden, die het manlijke zijn, zult gij de Eeuwige, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, en gij zult de eerstgeborene van uw schapen niet scheren.
28לִפְנֵי֩ יְהוָ֨ה אֱלֹהֶ֤יךָ תֹאכֲלֶ֨נּוּ֙ שָׁנָ֣ה בְשָׁנָ֔ה בַּמָּק֖וֹם אֲשֶׁר יִבְחַ֣ר יְהוָ֑ה אַתָּ֖ה וּבֵיתֶֽךָlipney Adonai eloheyja tokalenv shanah bshanah bamakvom asher yibchar Adonai atah vbeytejaVoor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, zult gij dat jaar op jaar eten, in de plaats die de Eeuwige verkiezen zal, gij en uw huis.
29וְכִֽי יִהְיֶ֨ה ב֜וֹ מ֗וּם פִּסֵּ֨חַ֙ א֣וֹ עִוֵּ֔ר כֹּ֖ל מ֣וּם רָ֑ע לֹ֣א תִזְבָּחֶ֔נּוּ לַיהוָ֖ה אֱלֹהֶֽיךָvkiy yihyeh bvo mvm pisecha vo iver kol mvm ra lo tizbachenv lAdonai eloheyjaMaar als daaraan een gebrek zal zijn, dat het hinkende of blind is, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het de Eeuwige, uw God, niet offeren;
30בִּשְׁעָרֶ֖יךָ תֹּאכֲלֶ֑נּוּ הַטָּמֵ֤א וְהַטָּהוֹר֙ יַחְדָּ֔ו כַּצְּבִ֖י וְכָאַיָּֽלbishareyja tokalenv hatame vhatahvor yachdav katsbiy vkaayalin uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert.
31רַ֥ק אֶת דָּמ֖וֹ לֹ֣א תֹאכֵ֑ל עַל הָאָ֥רֶץ תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ כַּמָּֽיִםrak et damvo lo tokel al haarets tishpkenv kamayimAlleenlijk zult gij het bloed daarvan niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water.
32שָׁמוֹר֙ אֶת חֹ֣דֶשׁ הָאָבִ֔יב וְעָשִׂ֣יתָ פֶּ֔סַח לַיהוָ֖ה אֱלֹהֶ֑יךָ כִּ֞י בְּחֹ֣דֶשׁ הָֽאָבִ֗יב הוֹצִ֨יאֲךָ֜ יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛יךָ מִמִּצְרַ֖יִם לָֽיְלָהshamvor et chodesh haabiyb vashiyta pesach lAdonai eloheyja kiy bchodesh haabiyb hvotsiyaja Adonai eloheyja mimitsrayim laylahNeem in acht de maand Abib, dat gij de Eeuwige, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de Eeuwige, uw God, uit Egypte uitgevoerd, bij nacht.
33וְזָבַ֥חְתָּ פֶּ֛סַח לַיהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ צֹ֣אן וּבָקָ֑ר בַּמָּקוֹם֙ אֲשֶׁר יִבְחַ֣ר יְהוָ֔ה לְשַׁכֵּ֥ן שְׁמ֖וֹ שָֽׁםvzabachta pesach lAdonai eloheyja tson vbakar bamakvom asher yibchar Adonai lshaken shmvo shamGij zult dan de Eeuwige, uw God, pascha offeren, van klein vee en runderen, in de plaats die de Eeuwige verkiezen zal om Zijn naam aldaar te doen wonen.
34לֹא תֹאכַ֤ל עָלָיו֙ חָמֵ֔ץ שִׁבְעַ֥ת יָמִ֛ים תֹּֽאכַל עָלָ֥יו מַצּ֖וֹת לֶ֣חֶם עֹ֑נִי כִּ֣י בְחִפָּז֗וֹן יָצָ֨אתָ֙ מֵאֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם לְמַ֣עַן תִּזְכֹּר֔ אֶת י֤וֹם צֵֽאתְךָ֙ מֵאֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם כֹּ֖ל יְמֵ֥י חַיֶּֽיךָlo tokal alayv chamets shibat yamiym tokal alayv matsvot lechem oniy kiy bchipazvon yatsata meerets mitsrayim lmaan tizkor et yvom tsetja meerets mitsrayim kol ymey chayeyjaGij zult daarbij geen gedesemd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten, brood der ellende; want gij zijt met haast uit Egypteland getrokken; opdat gij gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens.
35וְלֹֽא יֵרָאֶ֨ה לְךָ֥ שְׂאֹ֛ר בְּכָל גְּבֻלְךָ֖ שִׁבְעַ֣ת יָמִ֑ים וְלֹא יָלִ֣ין מִן הַבָּשָׂ֗ר אֲשֶׁ֨ר תִּזְבַּ֥ח בָּעֶ֛רֶב בַּיּ֥וֹם הָרִאשׁ֖וֹן לַבֹּֽקֶרvlo yeraeh lja shor bkal gbulja shibat yamiym vlo yaliyn min habashar asher tizbach baereb bayvom harishvon labokerEr zal ook zeven dagen lang geen zuurdesem bij u gezien worden, in uw ganse landpale; en van het vlees, dat gij des avonds op de eerste dag zult geofferd hebben, zal niets vernachten tot de morgen.
36לֹ֥א תוּכַ֖ל לִזְבֹּ֣חַ אֶת הַפָּ֑סַח בְּאַחַ֣ד שְׁעָרֶ֔יךָ אֲשֶׁר יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ נֹתֵ֥ן לָֽךְlo tvkal lizbocha et hapasach bachad shareyja asher Adonai eloheyja noten lajGij zult niet mogen pascha offeren in een van uw poorten, die de Eeuwige, uw God, u geven zal;
37כִּ֠י אִֽם אֶל הַמָּק֞וֹם אֲשֶׁר יִבְחַ֨ר יְהוָ֤ה אֱלֹהֶ֨יךָ֙ לְשַׁכֵּ֣ן שְׁמ֔וֹ שָׁ֛ם תִּזְבַּ֥ח אֶת הַפֶּ֖סַח בָּעָ֑רֶב כְּב֣וֹא הַשֶּׁ֔מֶשׁ מוֹעֵ֖ד צֵֽאתְךָ֥ מִמִּצְרָֽיִםkiy im el hamakvom asher yibchar Adonai eloheyja lshaken shmvo sham tizbach et hapesach baareb kbvo hashemesh mvoed tsetja mimitsrayimmaar in de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om Zijn naam aldaar te doen wonen, daar zult gij het pascha slachten, des avonds, met zonsondergang, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte.
38וּבִשַּׁלְתָּ֙ וְאָ֣כַלְתָּ֔ בַּמָּק֕וֹם אֲשֶׁ֥ר יִבְחַ֛ר יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ בּ֑וֹ וּפָנִ֣יתָ בַבֹּ֔קֶר וְהָלַכְתָּ֖ לְאֹהָלֶֽיךָvbishalta vakalta bamakvom asher yibchar Adonai eloheyja bvo vpaniyta baboker vhalakta lohaleyjaDaarna zult gij het braden en eten in de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal; en gij zult u des morgens keren en naar uw tenten gaan.
39שֵׁ֥שֶׁת יָמִ֖ים תֹּאכַ֣ל מַצּ֑וֹת וּבַיּ֣וֹם הַשְּׁבִיעִ֗י עֲצֶ֨רֶת֙ לַיהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ לֹ֥א תַעֲשֶׂ֖ה מְלָאכָֽהsheshet yamiym tokal matsvot vbayvom hashbiyiy atseret lAdonai eloheyja lo taasheh mlakahZes dagen zult gij ongezuurde broden eten; en op de zevende dag is een verbodsdag voor de Eeuwige, uw God; dan zult gij geen werk doen.
40שִׁבְעָ֥ה שָׁבֻעֹ֖ת תִּסְפָּר לָ֑ךְ מֵהָחֵ֤ל חֶרְמֵשׁ֙ בַּקָּמָ֔ה תָּחֵ֣ל לִסְפֹּ֔ר שִׁבְעָ֖ה שָׁבֻעֽוֹתshibah shabuot tispar laj mehachel chermesh bakamah tachel lispor shibah shabuvotZeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij deze zeven weken beginnen te tellen.
41וְעָשִׂ֜יתָ חַ֤ג שָׁבֻעוֹת֙ לַיהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ מִסַּ֛ת נִדְבַ֥ת יָדְךָ֖ אֲשֶׁ֣ר תִּתֵּ֑ן כַּאֲשֶׁ֥ר יְבָרֶכְךָ֖ יְהוָ֥ה אֱלֹהֶֽיךָvashiyta chag shabuvot lAdonai eloheyja misat nidbat yadja asher titen kaasher ybarekja Adonai eloheyjaDaarna zult gij de Eeuwige, uw God, het feest der weken houden, met een vrijwillige schatting uwer hand, die gij geven zult, naar dat u de Eeuwige, uw God, gezegend zal hebben;
42וְשָׂמַחְתָּ֞ לִפְנֵ֣י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗יךָ אַתָּ֨ה וּבִנְךָ֣ וּבִתֶּךָ֮ וְעַבְדְּךָ֣ וַאֲמָתֶךָ֒ וְהַלֵּוִי֙ אֲשֶׁ֣ר בִּשְׁעָרֶ֔יךָ וְהַגֵּ֛ר וְהַיָּת֥וֹם וְהָאַלְמָנָ֖ה אֲשֶׁ֣ר בְּקִרְבֶּ֑ךָ בַּמָּק֗וֹם אֲשֶׁ֤ר יִבְחַר֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ לְשַׁכֵּ֥ן שְׁמ֖וֹ שָֽׁםvshamachta lipney Adonai eloheyja atah vbinja vbiteja vabdja vaamateja vhaleviy asher bishareyja vhager vhayatvom vhaalmanah asher bkirbeja bamakvom asher yibchar Adonai eloheyja lshaken shmvo shamen gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe die in het midden van u zijn; in de plaats die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal om Zijn naam aldaar te doen wonen.
43וְזָ֣כַרְתָּ֔ כִּי עֶ֥בֶד הָיִ֖יתָ בְּמִצְרָ֑יִם וְשָׁמַרְתָּ֣ וְעָשִׂ֔יתָ אֶת הַֽחֻקִּ֖ים הָאֵֽלֶּהvzakarta kiy ebed hayiyta bmitsrayim vshamarta vashiyta et hachukiym haelehEn gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypte geweest zijt, en gij zult deze inzettingen houden en doen.
44חַ֧ג הַסֻּכֹּ֛ת תַּעֲשֶׂ֥ה לְךָ֖ שִׁבְעַ֣ת יָמִ֑ים בְּאָ֨סְפְּךָ֔ מִֽגָּרְנְךָ֖ וּמִיִּקְבֶֽךָchag hasukot taasheh lja shibat yamiym baspja migarnja vmiyikbejaHet feest der loofhutten zult gij zeven dagen houden, wanneer gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.
45וְשָׂמַחְתָּ֖ בְּחַגֶּ֑ךָ אַתָּ֨ה וּבִנְךָ֤ וּבִתֶּ֨ךָ֙ וְעַבְדְּךָ֣ וַאֲמָתֶ֔ךָ וְהַלֵּוִ֗י וְהַגֵּ֛ר וְהַיָּת֥וֹם וְהָאַלְמָנָ֖ה אֲשֶׁ֥ר בִּשְׁעָרֶֽיךָvshamachta bchageja atah vbinja vbiteja vabdja vaamateja vhaleviy vhager vhayatvom vhaalmanah asher bishareyjaEn gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.
46שִׁבְעַ֣ת יָמִ֗ים תָּחֹג֙ לַיהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔יךָ בַּמָּק֖וֹם אֲשֶׁר יִבְחַ֣ר יְהוָ֑ה כִּ֣י יְבָרֶכְךָ֞ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗יךָ בְּכֹ֤ל תְּבוּאָֽתְךָ֙ וּבְכֹל֙ מַעֲשֵׂ֣ה יָדֶ֔יךָ וְהָיִ֖יתָ אַ֥ךְ שָׂמֵֽחַshibat yamiym tachog lAdonai eloheyja bamakvom asher yibchar Adonai kiy ybarekja Adonai eloheyja bkol tbvatja vbkol maasheh yadeyja vhayiyta aj shamechaZeven dagen zult gij de Eeuwige, uw God, feest houden, in de plaats die de Eeuwige verkiezen zal; want de Eeuwige, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen; daarom zult gij louter vrolijk zijn.
47שָׁל֣וֹשׁ פְּעָמִ֣ים בַּשָּׁנָ֡ה יֵרָאֶ֨ה כָל זְכוּרְךָ֜ אֶת פְּנֵ֣י יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֗יךָ בַּמָּקוֹם֙ אֲשֶׁ֣ר יִבְחָ֔ר בְּחַ֧ג הַמַּצּ֛וֹת וּבְחַ֥ג הַשָּׁבֻע֖וֹת וּבְחַ֣ג הַסֻּכּ֑וֹת וְלֹ֧א יֵרָאֶ֛ה אֶת פְּנֵ֥י יְהוָ֖ה רֵיקָֽםshalvosh pamiym bashanah yeraeh kal zkvrja et pney Adonai eloheyja bamakvom asher yibchar bchag hamatsvot vbchag hashabuvot vbchag hasukvot vlo yeraeh et pney Adonai reykamDriemaal in het jaar zal alle manspersoon onder u verschijnen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, in de plaats die Hij zal verkiezen: op het feest der ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; en men zal niet ledig verschijnen voor het aangezicht des Eeuwigen;
48אִ֖ישׁ כְּמַתְּנַ֣ת יָד֑וֹ כְּבִרְכַּ֛ת יְהוָ֥ה אֱלֹהֶ֖יךָ אֲשֶׁ֥ר נָֽתַן לָֽךְiysh kmatnat yadvo kbirkat Adonai eloheyja asher natan lajeen ieder naar het vermogen zijner hand, naar de zegen des Eeuwigen, uws Gods, die Hij u gegeven zal hebben.

Maftir: Bamidbar 29:35-30:1

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
1בַּיּוֹם֙ הַשְּׁמִינִ֔י עֲצֶ֖רֶת תִּהְיֶ֣ה לָכֶ֑ם כָּל מְלֶ֥אכֶת עֲבֹדָ֖ה לֹ֥א תַעֲשֽׂוּbayvom hashmiyniy atseret tihyeh lakem kal mleket abodah lo taashvOp de achtste dag zult gij een verbodsdag hebben; geen zwaar werk zult gij doen;
2וְהִקְרַבְתֶּ֨ם עֹלָ֜ה אִשֵּׁ֨ה רֵ֤יחַ נִיחֹ֨חַ֙ לַֽיהוָ֔ה פַּ֥ר אֶחָ֖ד אַ֣יִל אֶחָ֑ד כְּבָשִׂ֧ים בְּנֵי שָׁנָ֛ה שִׁבְעָ֖ה תְּמִימִֽםvhikrabtem olah isheh reycha niychocha lAdonai par echad ayil echad kbashiym bney shanah shibah tmiymimmaar gij zult brandoffer offeren, een vuuroffer, tot liefelijke reuk voor de Eeuwige: een var, een ram, zeven eenjarige lammeren zonder gebrek,
3מִנְחָתָ֣ם וְנִסְכֵּיהֶ֗ם לַפָּ֨ר לָאַ֧יִל וְלַכְּבָשִׂ֛ים בְּמִסְפָּרָ֖ם כַּמִּשְׁפָּֽטminchatam vniskeyhem lapar laayil vlakbashiym bmisparam kamishpatmet hun spijsoffer en hun drankoffers voor de var, voor de ram, en voor de lammeren, naar hun getal, volgens de verordening;
4וּשְׂעִ֥יר חַטָּ֖את אֶחָ֑ד מִלְּבַד֙ עֹלַ֣ת הַתָּמִ֔יד וּמִנְחָתָ֖הּ וְנִסְכָּֽהּvshiyr chatat echad milbad olat hatamiyd vminchatah vniskahen een geitenbok tot zondoffer, behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
5אֵ֛לֶּה תַּעֲשׂ֥וּ לַיהוָ֖ה בְּמוֹעֲדֵיכֶ֑ם לְבַ֨ד מִנִּדְרֵיכֶ֜ם וְנִדְבֹתֵיכֶ֗ם לְעֹלֹֽתֵיכֶם֙ וּלְמִנְחֹ֣תֵיכֶ֔ם וּלְנִסְכֵּיכֶ֖ם וּלְשַׁלְמֵיכֶֽםeleh taashv lAdonai bmvoadeykem lbad minidreykem vnidboteykem loloteykem vlminchoteykem vlniskeykem vlshalmeykemDeze dingen zult gij de Eeuwige doen op uw gezette hoogtijden, behalve uw geloften en uw vrijwillige offeranden, tot uw brandoffers, en tot uw spijsoffers, en tot uw drankoffers, en tot uw dankoffers.
6וַיֹּ֥אמֶר מֹשֶׁ֖ה אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל כְּכֹ֛ל אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶֽׁהvayomer mosheh el bney yishrael kkol asher tsivah Adonai et moshehEn Mozes zeide tot de kinderen Israels naar alles wat de Eeuwige hem geboden had.

Haftara: Melajim I 8:54-66

#HebreeuwsTransliteratieNederlands
1וַיְהִ֣י כְּכַלּ֣וֹת שְׁלֹמֹ֗ה לְהִתְפַּלֵּל֙ אֶל יְהוָ֔ה אֵ֛ת כָּל הַתְּפִלָּ֥ה וְהַתְּחִנָּ֖ה הַזֹּ֑את קָ֞ם מִלִּפְנֵ֨י מִזְבַּ֤ח יְהוָה֙ מִכְּרֹ֣עַ עַל בִּרְכָּ֔יו וְכַפָּ֖יו פְּרֻשׂ֥וֹת הַשָּׁמָֽיִםvayhiy kkalvot shlomoh lhitpalel el Adonai et kal hatpilah vhatchinah hazot kam milipney mizbach Adonai mikroa al birkayv vkapayv prushvot hashamayimHet geschiedde nu, als Salomo geeindigd had, dit gehele gebed en deze smeking tot de Eeuwige te bidden, dat hij van voor het altaar des Eeuwigen opstond, van het knielen op zijn knieen, met zijn handen uitgebreid naar de hemel;
2וַֽיַּעְמֹ֕ד וַיְבָ֕רֶךְ אֵ֖ת כָּל קְהַ֣ל יִשְׂרָאֵ֑ל ק֥וֹל גָּד֖וֹל לֵאמֹֽרvayamod vaybarej et kal khal yishrael kvol gadvol lemoren hij stond, en zegende de ganse gemeente van Israel, zeggende met luider stem:
3בָּר֣וּךְ יְהוָ֗ה אֲשֶׁ֨ר נָתַ֤ן מְנוּחָה֙ לְעַמּ֣וֹ יִשְׂרָאֵ֔ל כְּכֹ֖ל אֲשֶׁ֣ר דִּבֵּ֑ר לֹֽא נָפַ֞ל דָּבָ֣ר אֶחָ֗ד מִכֹּל֙ דְּבָר֣וֹ הַטּ֔וֹב אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֔ר בְּיַ֖ד מֹשֶׁ֥ה עַבְדּֽוֹbarvj Adonai asher natan mnvchah lamvo yishrael kkol asher diber lo napal dabar echad mikol dbarvo hatvob asher diber byad mosheh abdvoGeloofd zij de Eeuwige, die Zijn volk Israel rust gegeven heeft, naar alles wat Hij gesproken heeft; er is niet een woord gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de hand van Mozes, Zijn knecht.
4יְהִ֨י יְהוָ֤ה אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ עִמָּ֔נוּ כַּאֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה עִם אֲבֹתֵ֑ינוּ אַל יַעַזְבֵ֖נוּ וְאַֽל יִטְּשֵֽׁנוּyhiy Adonai eloheynv imanv kaasher hayah im aboteynv al yaazbenv val yitshenvDe Eeuwige, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;
5לְהַטּ֥וֹת לְבָבֵ֖נוּ אֵלָ֑יו לָלֶ֣כֶת בְּכָל דְּרָכָ֗יו וְלִשְׁמֹ֨ר מִצְוֺתָ֤יו וְחֻקָּיו֙ וּמִשְׁפָּטָ֔יו אֲשֶׁ֥ר צִוָּ֖ה אֶת אֲבֹתֵֽינוּlhatvot lbabenv elayv laleket bkal drakayv vlishmor mitsvotayv vchukayv vmishpatayv asher tsivah et aboteynvneigende ons hart tot Zich, om te wandelen in al Zijn wegen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, die Hij onze vaderen geboden heeft.
6וְיִֽהְי֨וּ דְבָרַ֜י אֵ֗לֶּה אֲשֶׁ֤ר הִתְחַנַּ֨נְתִּי֙ לִפְנֵ֣י יְהוָ֔ה קְרֹבִ֛ים אֶל יְהוָ֥ה אֱלֹהֵ֖ינוּ יוֹמָ֣ם וָלָ֑יְלָה לַעֲשׂ֣וֹת מִשְׁפַּ֣ט עַבְדּ֗וֹ וּמִשְׁפַּ֛ט עַמּ֥וֹ יִשְׂרָאֵ֖ל דְּבַר י֥וֹם בְּיוֹמֽוֹvyihyv dbaray eleh asher hitchanantiy lipney Adonai krobiym el Adonai eloheynv yvomam valaylah laashvot mishpat abdvo vmishpat amvo yishrael dbar yvom byvomvoEn deze mijn woorden, waarmee ik voor het aangezicht des Eeuwigen gesmeekt heb, zij nabij de Eeuwige, onze God, dag en nacht, opdat Hij het recht Zijns knechts, en het recht van Zijn volk Israel uitvoere, elk ding op zijn dag;
7לְמַ֗עַן דַּ֚עַת כָּל עַמֵּ֣י הָאָ֔רֶץ כִּ֥י יְהוָ֖ה ה֣וּא הָאֱלֹהִ֑ים אֵ֖ין עֽוֹדlmaan daat kal amey haarets kiy Adonai hv haelohiym eyn vodopdat alle volken der aarde weten dat de Eeuwige die God is, dat er geen meer is.
8וְהָיָ֤ה לְבַבְכֶם֙ שָׁלֵ֔ם עִ֖ם יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֑ינוּ לָלֶ֧כֶת בְּחֻקָּ֛יו וְלִשְׁמֹ֥ר מִצְוֺתָ֖יו כַּיּ֥וֹם הַזֶּֽהvhayah lbabkem shalem im Adonai eloheynv laleket bchukayv vlishmor mitsvotayv kayvom hazehEn ulieder hart zij volkomen met de Eeuwige, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.
9וְֽהַמֶּ֔לֶךְ וְכָל יִשְׂרָאֵ֖ל עִמּ֑וֹ זֹבְחִ֥ים זֶ֖בַח לִפְנֵ֥י יְהוָֽהvhamelej vkal yishrael imvo zobchiym zebach lipney AdonaiEn de koning, en gans Israel met hem, offerden slachtoffer voor het aangezicht des Eeuwigen.
10וַיִּזְבַּ֣ח שְׁלֹמֹ֗ה אֵ֣ת זֶ֣בַח הַשְּׁלָמִים֮ אֲשֶׁ֣ר זָבַ֣ח לַיהוָה֒ בָּקָ֗ר עֶשְׂרִ֤ים וּשְׁנַ֨יִם֙ אֶ֔לֶף וְצֹ֕אן מֵאָ֥ה וְעֶשְׂרִ֖ים אָ֑לֶף וַֽיַּחְנְכוּ֙ אֶת בֵּ֣ית יְהוָ֔ה הַמֶּ֖לֶךְ וְכָל בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽלvayizbach shlomoh et zebach hashlamiym asher zabach lAdonai bakar eshriym vshnayim elef vtson meah veshriym alef vayachnkv et beyt Adonai hamelej vkal bney yishraelEn Salomo offerde ten dankoffer, dat hij de Eeuwige offerde, tweeentwintig duizend runderen, en honderdtwintig duizend schapen. Alzo hebben de koning en al de kinderen Israels het huis des Eeuwigen ingewijd.
11בַּיּ֣וֹם הַה֗וּא קִדַּ֨שׁ הַמֶּ֜לֶךְ אֶת תּ֣וֹךְ הֶחָצֵ֗ר אֲשֶׁר֙ לִפְנֵ֣י בֵית יְהוָ֔ה כִּי עָ֣שָׂה שָׁ֗ם אֶת הָֽעֹלָה֙ וְאֶת הַמִּנְחָ֔ה וְאֵ֖ת חֶלְבֵ֣י הַשְּׁלָמִ֑ים כִּֽי מִזְבַּ֤ח הַנְּחֹ֨שֶׁת֙ אֲשֶׁ֣ר לִפְנֵ֣י יְהוָ֔ה קָטֹ֗ן מֵֽהָכִיל֙ אֶת הָעֹלָ֣ה וְאֶת הַמִּנְחָ֔ה וְאֵ֖ת חֶלְבֵ֥י הַשְּׁלָמִֽיםbayvom hahv kidash hamelej et tvoj hechatser asher lipney beyt Adonai kiy ashah sham et haolah vet haminchah vet chelbey hashlamiym kiy mizbach hanchoshet asher lipney Adonai katon mehakiyl et haolah vet haminchah vet chelbey hashlamiymTen zelfden dage heiligde de koning het middelste des voorhofs, dat voor het huis des Eeuwigen was; want hij bereidde aldaar brandoffer, en spijsoffer, en het vette der dankoffers; omdat het koperen altaar, dat voor het aangezicht des Eeuwigen was, te klein was, om het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette der dankoffers te ontvangen.
12וַיַּ֣עַשׂ שְׁלֹמֹ֣ה בָֽעֵת הַהִ֣יא אֶת הֶחָ֡ג וְכָל יִשְׂרָאֵ֣ל עִמּוֹ֩ קָהָ֨ל גָּד֜וֹל מִלְּב֥וֹא חֲמָ֣ת עַד נַ֣חַל מִצְרַ֗יִם לִפְנֵי֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔ינוּ שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים וְשִׁבְעַ֣ת יָמִ֑ים אַרְבָּעָ֥ה עָשָׂ֖ר יֽוֹםvayaash shlomoh baet hahiy et hechag vkal yishrael imvo kahal gadvol milbvo chamat ad nachal mitsrayim lipney Adonai eloheynv shibat yamiym vshibat yamiym arbaah ashar yvomTer zelfder tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israel met hem, een grote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte toe, voor het aangezicht des Eeuwigen, onze God, zeven dagen, en nog zeven dagen, samen veertien dagen.
13בַּיּ֤וֹם הַשְּׁמִינִי֙ שִׁלַּ֣ח אֶת הָעָ֔ם וַֽיְבָרֲכ֖וּ אֶת הַמֶּ֑לֶךְ וַיֵּלְכ֣וּ לְאָהֳלֵיהֶ֗ם שְׂמֵחִים֙ וְט֣וֹבֵי לֵ֔ב עַ֣ל כָּל הַטּוֹבָ֗ה אֲשֶׁ֨ר עָשָׂ֤ה יְהוָה֙ לְדָוִ֣ד עַבְדּ֔וֹ וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל עַמּֽוֹbayvom hashmiyniy shilach et haam vaybarakv et hamelej vayelkv laholeyhem shmechiym vtvobey leb al kal hatvobah asher ashah Adonai ldavid abdvo vlyishrael amvoOp de achtste dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning; en zij gingen naar hun tenten, blijde en goedsmoeds, over al het goede, dat de Eeuwige aan David, Zijn knecht, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had.