shalomhaverim.org
Buscar
Aliyot Parasja Tetzavé

Aliyá 1 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
27:20
וְאַתָּ֞ה תְּצַוֶּ֣ה אֶת־בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל וְיִקְח֨וּ אֵלֶ֤יךָ שֶׁ֙מֶן֙ זַ֣יִת זָ֔ךְ כָּתִ֖ית לַמָּא֑וֹר לְהַעֲלֹ֥ת נֵ֖ר תָּמִֽיד׃
Ve’ata tetsavé et bene Yisrael; veyikjú eléja shémen zayit zakh katít lamaór; leha’alot ner tamíd.
En jij zult de bene Yisrael bevelen dat zij zuivere olijfolie, geperst voor het licht, tot jou brengen, om een lamp voortdurend te laten branden.
27:21
בְּאֹ֣הֶל מוֹעֵד֩ מִח֨וּץ לַפָּרֹ֜כֶת אֲשֶׁ֣ר עַל־הָעֵדֻ֗ת יַעֲרֹ֤ךְ אֹתוֹ֙ אַהֲרֹ֣ן וּבָנָ֔יו מֵעֶ֥רֶב עַד־בֹּ֖קֶר לִפְנֵ֣י יְהֹוָ֑ה חֻקַּ֤ת עוֹלָם֙ לְדֹרֹתָ֔ם מֵאֵ֖ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל׃
BeÓhel Moed mijutz laparójet asher al ha’edut; ya’aroj otó Aharon uvánav me’érev ad bóker lifné Adonay; jukat olam ledorotam me’et bene Yisrael.
In de Óhel Moed, buiten het voorhangsel dat bij de Getuigenis is, zal Aharon het verzorgen met zijn zonen, van avond tot ochtend, voor Hashem; een eeuwige inzetting voor hun generaties, van de bene Yisrael.
28:1
וְאַתָּ֞ה הַקְרֵ֣ב אֵלֶ֗יךָ אֶת־אַהֲרֹ֤ן אָחִ֙יךָ֙ וְאֶת־בָּנָ֣יו אִתּ֔וֹ מִתּ֖וֹךְ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל לְכַהֲנוֹ־לִ֔י אַהֲרֹ֕ן נָדָ֥ב וַאֲבִיה֖וּא אֶלְעָזָ֥ר וְאִיתָמָֽר׃
Ve’ata hakrév eléja et Aharon ajíja ve’et banáv itó mitoj bene Yisrael lejahanó li; Aharon, Nadav vaAvihú, Elazar veItamar.
En jij zult Aharon, je broer, en zijn zonen met hem, uit het midden van de bene Yisrael tot je brengen, om Mij als kohen te dienen: Aharon, Nadav en Avihu, Elazar en Itamar.
28:2
וְעָשִׂ֛יתָ בִגְדֵי־קֹ֥דֶשׁ לְאַהֲרֹ֖ן אָחִ֑יךָ לְכָב֖וֹד וּלְתִפְאָֽרֶת׃
Ve’asíta bigdé kódesh leAharon ajíja lejavód uletifáret.
En jij zult heilige kleding maken voor Aharon, je broer, tot eer en tot luister.
28:3
וְאַתָּ֗ה תְּדַבֵּר֙ אֶל־כָּל־חַכְמֵי־לֵ֔ב אֲשֶׁ֥ר מִלֵּאתִ֖יו ר֣וּחַ חָכְמָ֑ה וְעָשׂ֞וּ אֶת־בִּגְדֵ֤י אַהֲרֹן֙ לְקַדְּשׁ֔וֹ לְכַהֲנוֹ־לִֽי׃
Ve’ata tedabér el kol jajmé lev asher milétiv ruaj jojmá; ve’asú et bigdé Aharon lekadshó lejahanó li.
En jij zult spreken tot allen die wijs van hart zijn, die Ik met een geest van wijsheid vervuld heb; zij zullen de kleding van Aharon maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als kohen dient.
28:4
וְאֵ֙לֶּה֙ הַבְּגָדִ֔ים אֲשֶׁ֥ר יַעֲשׂ֖וּ חֹ֣שֶׁן וְאֵפוֹד֮ וּמְעִיל֒ וּכְתֹ֣נֶת תַּשְׁבֵּ֔ץ מִצְנֶ֖פֶת וְאַבְנֵ֑ט וְעָשׂ֥וּ בִגְדֵי־קֹ֛דֶשׁ לְאַהֲרֹ֥ן אָחִ֖יךָ וּלְבָנָֽיו׃
Ve’ele habegadím asher ya’asú: jóshen ve’efod ume’il, ujetónet tashbets, mitsnéfet veavnet; ve’asú bigdé kódesh leAharon ajíja ulevanáv.
Dit zijn de kledingstukken die zij zullen maken: een borstschild, een efod, een mantel, een geweven tuniek, een tulband en een gordel; zij zullen heilige kleding maken voor Aharon, je broer, en voor zijn zonen.
28:5
וְהֵ֖ם יִקְח֣וּ אֶת־הַזָּהָ֑ב וְאֶת־הַתְּכֵ֤לֶת וְאֶת־הָאַרְגָּמָן֙ וְאֶת־תּוֹלַ֣עַת הַשָּׁנִ֔י וְאֶת־הַשֵּֽׁשׁ׃
Vehem yikjú et hazahav ve’et hatejélet ve’et ha’argamán ve’et tolaat hashani ve’et hasesh.
Zij zullen het goud nemen, het tejelet-blauw, het argaman, het scharlaken en het fijn linnen.
28:6
וְעָשׂוּ אֶת־הָאֵפֹד זָהָב תְּכֵלֶת וְאַרְגָּמָן תּוֹלַעַת שָׁנִי וְשֵׁשׁ מָשְׁזָר מַעֲשֵׂה חֹשֵׁב
Ve'asu et ha-efod zahav tejelet ve'argamán tolaat shaní veshesh moshzar ma'ase joshev.
Zij zullen de Efod maken van goud, tejelet, argamán, tolaat shaní en fijn gedraaid linnen, kunstig geweven werk.
28:7
שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹבְרֹת יִהְיֶה־לּוֹ אֶל־שְׁנֵי קְצֹותָיו וְחֻבָּר
Shtei ketefot joverot yihyeh lo el shnei ketsotav vejubar.
Twee schouderstukken zullen eraan bevestigd zijn aan zijn twee uiteinden, zodat hij verbonden wordt.
28:8
וְחֵשֶׁב אֲפֻדָּתוֹ אֲשֶׁר עָלָיו כְּמַעֲשֵׂהוּ מִמֶּנּוּ יִהְיֶה זָהָב תְּכֵלֶת וְאַרְגָּמָן תּוֹלַעַת שָׁנִי וְשֵׁשׁ מָשְׁזָר
Vejeshev afudato asher alav kema'asehu mimenu yihyeh zahav tejelet ve'argamán tolaat shaní veshesh moshzar.
De kunstig geweven band van de Efod die erop is, zal van hetzelfde werk zijn: goud, tejelet, argamán, tolaat shaní en fijn gedraaid linnen.
28:9
וְלָקַחְתָּ אֶת־שְׁתֵּי אַבְנֵי־שֹׁהַם וּפִתַּחְתָּ עֲלֵיהֶם שְׁמוֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל
Velakajta et shtei avnei shoham ufitahta aleihem shemot Bnei Yisrael.
Je zult twee shoham-stenen nemen en daarop de namen van de Bnei Yisrael graveren.
28:10
שִׁשָּׁה מִשְּׁמוֹתָם עַל־הָאֶבֶן הָאֶחָת וְאֶת־שְׁמוֹת הַשִּׁשָּׁה הַנּוֹתָרִים עַל־הָאֶבֶן הַשֵּׁנִית כְּתוֹלְדֹתָם
Shishá mishmotam al ha'even ha'ejat ve'et shemot hashishá hanotarim al ha'even hashenit ketoldotam.
Zes van hun namen op de ene steen en de overige zes op de tweede steen, volgens hun geboorten.
28:11
מַעֲשֵׂה חָרַשׁ אֶבֶן פִּתּוּחֵי חֹתָם תְּפַתַּח אֶת־שְׁתֵּי הָאֲבָנִים עַל־שְׁמוֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מוּסַבֹּת מִשְׁבְּצוֹת זָהָב תַּעֲשֶׂה אֹתָם
Ma'ase jarash even pitujéi jotam tefatach et shtei ha'avanim al shemot Bnei Yisrael musabot mishbetsot zahav ta'ase otam.
Met het werk van een steengravure, als zegelgravure, zul je de twee stenen graveren met de namen van de Bnei Yisrael; je zult ze zetten in gouden zettingen.
28:12
וְשַׂמְתָּ אֶת־שְׁתֵּי הָאֲבָנִים עַל כִּתְפֹת הָאֵפֹד אַבְנֵי זִכָּרֹן לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל וְנָשָׂא אַהֲרֹן אֶת־שְׁמוֹתָם לִפְנֵי יְהוָה עַל־שְׁתֵּי כְתֵפָיו לְזִכָּרֹן
Vesamta et shtei ha'avanim al kitfot ha-efod avnei zikaron livnei Yisrael, venasá Aharon et shemotam lifnei Adonay al shtei ketefav lezikaron.
Je zult de twee stenen op de schouders van de Efod plaatsen als herinneringsstenen voor de Bnei Yisrael; Aharon zal hun namen dragen voor Adonay op zijn twee schouders tot herinnering.

Aliyá 2 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
28:13
וְעָשִׂ֥יתָ מִשְׁבְּצֹ֖ת זָהָֽב׃
Ve’asíta mishbetsót zahav.
Je zult zettingen van goud maken.
28:14
וּשְׁתֵּ֨י שַׁרְשְׁרֹ֜ת זָהָ֤ב טָהוֹר֙ תַּעֲשֶׂ֔ה אֹתָ֖ם מַעֲשֵׂ֣ה עֲבֹ֑ת וְנָתַתָּ֛ה אֶת־שַׁרְשְׁרֹ֥ת הָעֲבֹתֹ֖ת עַל־הַמִּשְׁבְּצֹֽת׃
Ushté sharshrot zahav tahor ta’asé otam ma’ase avot; venatata et sharshrot ha’avot al hamishbetsot.
En twee kettingen van zuiver goud zul je maken, gevlochten werk; en je zult de gevlochten kettingen aan de zettingen bevestigen.
28:15
וְעָשִׂ֛יתָ חֹ֥שֶׁן מִשְׁפָּ֖ט מַעֲשֵׂ֣ה חֹשֵׁ֑ב כְּמַעֲשֵׂ֤ה אֵפוֹד֙ תַּעֲשֶׂ֔נּוּ זָהָ֥ב תְּכֵ֛לֶת וְאַרְגָּמָ֥ן וְתוֹלַֽעַת־שָׁנִ֖י וְשֵׁ֥שׁ מָשְׁזָֽר׃
Ve’asíta jóshen mishpat ma’ase joshév; kema’ase efod ta’asénu: zahav, tejelet, argaman, tolaat shani, veshesh mashzar.
Je zult een borstschild van oordeel maken, kunstig werk; zoals het werk van de efod zul je het maken: van goud, tejelet, argaman, scharlaken en getwijnd fijn linnen.
28:16
רָב֣וּעַ יִהְיֶ֔ה כָּפ֖וּל זֶ֣רֶת אָרְכּ֑וֹ וְזֶ֥רֶת רָחְבּ֖וֹ׃
Ravúa yihyé kafúl; zéret orko vezéret rojbo.
Vierkant zal het zijn, dubbelgevouwen; een span lang en een span breed.
28:17
וּמִלֵּאתָ֥ בוֹ מִלֻּ֖אַת אֶ֑בֶן אַרְבָּעָ֤ה טוּרִים֙ אָ֔בֶן ט֣וּר אֹ֗דֶם פִּטְדָה֙ וּבָרֶ֔קֶת הַטּ֖וּר הָאֶחָֽד׃
Umiléta vo miluát éven; arba’a turím éven: odem, pitdá uvaréket, hatur ha’ejad.
Je zult het vullen met een zetting van stenen: vier rijen stenen; een rij met odem, pitdá en bareket.
28:18
וְהַטּ֖וּר הַשֵּׁנִ֑י נֹ֥פֶךְ סַפִּ֖יר וְיָהֲלֹֽם׃
Vehatur hashení: nofej, sapir veyahalom.
De tweede rij: nofej, sapir en yahalom.
28:19
וְהַטּ֖וּר הַשְּׁלִישִׁ֑י לֶ֥שֶׁם שְׁב֖וֹ וְאַחְלָֽמָה׃
Vehatur hashlishí: léshem, shevó ve’achlamá.
De derde rij: léshem, shevó en achlamá.
28:20
וְהַטּ֖וּר הָרְבִיעִ֑י תַּרְשִׁישׁ֙ וְשֹׁ֣הַם וְיָשְׁפֵ֔ה מְשֻׁבָּצִ֥ים זָהָ֖ב יִהְי֥וּ בְּמִלּוּאֹתָֽם׃
Vehatur harevi’í: tarshish, shoham veyashfé; meshubatsím zahav yihyú bemiluotam.
De vierde rij: tarshish, shoham en yashfé; in gouden zettingen zullen zij geplaatst worden.
28:21
וְהָֽאֲבָנִ֗ים תִּֽהְיֶ֙יןָ֙ עַל־שְׁמֹ֣ת בְּנֵֽי־יִשְׂרָאֵ֔ל שְׁתֵּ֥ים עֶשְׂרֵ֖ה עַל־שְׁמֹתָ֑ם פִּתּוּחֵ֣י חֹתָ֗ם אִ֚ישׁ עַל־שְׁמ֣וֹ תִּֽהְיֶ֔יןָ לִשְׁנֵ֖י עָשָׂ֥ר שָֽׁבֶט׃
Veha’avaním tihyéna al shemot bene Yisrael; shtém esré al shemotam; pitujéi jotam ish al shemó tihyéna lishné asar shévet.
De stenen zullen overeenkomen met de namen van de bene Yisrael, twaalf naar hun namen; als zegelgravures, ieder met zijn naam, voor de twaalf stammen.
28:22
וְעָשִׂ֥יתָ עַל־הַחֹ֖שֶׁן שַׁרְשְׁרֹ֣ת גַּבְלֻ֑ת מַעֲשֵׂ֥ה עֲבֹ֖ת זָהָ֥ב טָהֽוֹר׃
Ve’asíta al hajóshen sharshrot gablut ma’ase avot zahav tahor.
Je zult aan het borstschild gevlochten kettingen van zuiver goud maken.
28:23
וְעָשִׂיתָ עַל־הַחֹשֶׁן שְׁתֵּי טַבְּעֹת זָהָב וְנָתַתָּ אֶת־שְׁתֵּי הַטַּבָּעֹת עַל־שְׁנֵי קְצוֹת הַחֹשֶׁן
Ve'asíta al ha-joshen shtei taba'ot zahav venatata et shtei hataba'ot al shnei ketsot ha-joshen.
Je zult aan de Joshen twee gouden ringen maken en de twee ringen aan de twee uiteinden van de Joshen bevestigen.
28:24
וְנָתַתָּ אֶת־שְׁתֵּי עֲבֹתֹת הַזָּהָב עַל־שְׁתֵּי הַטַּבָּעֹת אֶל־קְצוֹת הַחֹשֶׁן
Venatata et shtei avotot hazahav al shtei hataba'ot el ketsot ha-joshen.
Je zult de twee gouden kettingen aan de twee ringen aan de uiteinden van de Joshen bevestigen.
28:25
וְאֶת־שְׁתֵּי קְצוֹת שְׁתֵּי הָעֲבֹתֹת תִּתֵּן עַל־שְׁתֵּי הַמִּשְׁבְּצוֹת וְנָתַתָּה אֶל־כִּתְפֹת הָאֵפֹד אֶל־מוּל פָּנָיו
Ve'et shtei ketsot shtei ha'avotot titén al shtei hamishbetsot venatata el kitfot ha-efod el mul panav.
En de twee uiteinden van de twee kettingen zul je aan de twee zettingen bevestigen en ze op de schouders van de Efod plaatsen, aan de voorkant.
28:26
וְעָשִׂיתָ שְׁתֵּי טַבְּעֹת זָהָב וְשַׂמְתָּ אֹתָן עַל־שְׁנֵי קְצוֹת הַחֹשֶׁן עַל־שְׂפָתוֹ אֲשֶׁר אֶל־עֵבֶר הָאֵפֹד בָּיְתָה
Ve'asíta shtei taba'ot zahav vesamta otan al shnei ketsot ha-joshen al sefato asher el ever ha-efod baytah.
Je zult twee gouden ringen maken en ze aan de twee uiteinden van de Joshen plaatsen, aan de binnenzijde tegenover de Efod.
28:27
וְעָשִׂיתָ שְׁתֵּי טַבְּעֹת זָהָב וְנָתַתָּה אֹתָן עַל־שְׁתֵּי כִתְפוֹת הָאֵפֹד מִלְּמַטָּה מִמּוּל פָּנָיו לְעֻמַּת מַחְבַּרְתּוֹ מִמַּעַל לְחֵשֶׁב הָאֵפֹד
Ve'asíta shtei taba'ot zahav venatata otan al shtei kitfot ha-efod milmata mimul panav le'umat mejabarto mima'al lejeshev ha-efod.
Je zult twee gouden ringen maken en ze aan de twee schouders van de Efod bevestigen, beneden aan de voorkant, tegenover zijn verbinding, boven de geweven band van de Efod.
28:28
וְיִרְכְּסוּ אֶת־הַחֹשֶׁן מִטַּבְּעֹתָיו אֶל־טַבְּעֹת הָאֵפֹד בִּפְתִיל תְּכֵלֶת לִהְיוֹת עַל־חֵשֶׁב הָאֵפֹד וְלֹא־יִזַּח הַחֹשֶׁן מֵעַל הָאֵפֹד
Veyirkesu et ha-joshen mitaba'otav el taba'ot ha-efod biftíl tejelet lihyot al jeshev ha-efod velo yizaj ha-joshen me'al ha-efod.
Men zal de Joshen met zijn ringen aan de ringen van de Efod vastmaken met een koord van tejelet, zodat hij op de band van de Efod rust en niet van de Efod losraakt.
28:29
וְנָשָׂא אַהֲרֹן אֶת־שְׁמוֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל בְּחֹשֶׁן הַמִּשְׁפָּט עַל־לִבּוֹ בְּבֹאוֹ אֶל־הַקֹּדֶשׁ לְזִכָּרֹן לִפְנֵי יְהוָה תָּמִיד
Venasá Aharon et shemot Bnei Yisrael bejoshen hamishpat al libo bevo'o el hakodesh lezikaron lifnei Adonay tamid.
Aharon zal de namen van de Bnei Yisrael dragen in de Joshen van het recht op zijn hart wanneer hij het heiligdom binnengaat, tot voortdurende herinnering voor Adonay.
28:30
וְנָתַתָּ אֶל־חֹשֶׁן הַמִּשְׁפָּט אֶת־הָאוּרִים וְאֶת־הַתֻּמִּים וְהָיוּ עַל־לֵב אַהֲרֹן בְּבֹאוֹ לִפְנֵי יְהוָה וְנָשָׂא אַהֲרֹן אֶת־מִשְׁפַּט בְּנֵי יִשְׂרָאֵל עַל־לִבּוֹ לִפְנֵי יְהוָה תָּמִיד
Venatata el joshen hamishpat et ha'urim ve'et hatumim vehayu al lev Aharon bevo'o lifnei Adonay venasá Aharon et mishpat Bnei Yisrael al libo lifnei Adonay tamid.
Je zult in de Joshen van het recht de Urim en de Tumim plaatsen; zij zullen op het hart van Aharon zijn wanneer hij voor Adonay verschijnt. Zo zal Aharon het oordeel van de Bnei Yisrael voortdurend op zijn hart dragen voor Adonay.

Aliyá 3 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
28:31
וְעָשִׂ֛יתָ אֶת־מְעִ֥יל הָאֵפֹ֖ד כְּלִ֥יל תְּכֵֽלֶת׃
Ve’asíta et me’íl ha’efod kelíl tejelet.
Je zult de mantel van de efod geheel van tejelet maken.
28:32
וְהָיָ֣ה פִֽי־רֹאשׁ֣וֹ בְתוֹכ֗וֹ שָׂפָ֤ה יִהְיֶה֙ לְפִ֣יו סָבִ֔יב מַעֲשֵׂ֖ה אֹרֵ֑ג כְּפִ֥י תַחְרָ֖א יִהְיֶה־לּ֥וֹ לֹֽא־יִקָּרֵֽעַ׃
Vehayá pi roshó betojó; safá yihyé lefi savív ma’ase orég; kefi tajrá yihyé lo, lo yikaréa.
Er zal een opening voor het hoofd in het midden zijn; een geweven zoom rondom, zoals de opening van een pantser, zodat hij niet scheurt.
28:33
וְעָשִׂ֣יתָ עַל־שׁוּלָ֗יו רִמֹּנֵ֤י תְכֵ֙לֶת֙ וְאַרְגָּמָ֣ן וְתוֹלַ֣עַת שָׁנִ֔י עַל־שׁוּלָ֖יו סָבִ֑יב וּפַעֲמֹנֵ֥י זָהָ֖ב בְּתוֹכָֽם סָבִֽיב׃
Ve’asíta al shuláv rimoné tejelet ve’argaman vetolaat shani al shuláv savív; ufa’amoné zahav betojam savív.
Aan de zoom zul je granaatappels maken van tejelet, argaman en scharlaken, rondom; en gouden belletjes ertussen.
28:34
פַּעֲמֹ֤ן זָהָב֙ וְרִמּ֔וֹן פַּעֲמֹ֥ן זָהָ֖ב וְרִמּ֑וֹן עַל־שׁוּלֵ֥י הַמְּעִ֖יל סָבִֽיב׃
Pa’amon zahav verimon; pa’amon zahav verimon; al shulé hame’íl savív.
Een gouden bel en een granaatappel; een gouden bel en een granaatappel, rondom aan de zoom van de mantel.
28:35
וְהָיָ֥ה עַל־אַהֲרֹ֖ן לְשָׁרֵ֑ת וְנִשְׁמַ֣ע קוֹל֗וֹ בְּבֹא֤וֹ אֶל־הַקֹּ֙דֶשׁ֙ לִפְנֵ֣י יְהֹוָ֔ה וּבְצֵאת֖וֹ וְלֹ֥א יָמֽוּת׃
Vehayá al Aharon lesharét; venishmá koló bevo’ó el hakódesh lifné Adonay uvetzéto; velo yamut.
Het zal op Aharon zijn wanneer hij dient; zijn geluid zal gehoord worden wanneer hij het heiligdom binnengaat en verlaat, zodat hij niet sterft.
28:36
וְעָשִׂ֛יתָ צִּ֥יץ זָהָ֖ב טָה֑וֹר וּפִתַּחְתָּ֤ עָלָיו֙ פִּתּוּחֵ֣י חֹתָ֔ם קֹ֖דֶשׁ לַיהֹוָֽה׃
Ve’asíta tzitz zahav tahor; ufitajta aláv pitujé jotam: Kodesh laAdonay.
Je zult een plaat van zuiver goud maken en erin graveren als een zegel: “Kodesh laAdonay”.
28:37
וְשַׂמְתָּ֤ אֹתוֹ֙ עַל־פְּתִ֣יל תְּכֵ֔לֶת וְהָיָ֖ה עַל־הַמִּצְנָ֑פֶת אֶל־מ֥וּל פְּנֵֽי־הַמִּצְנֶ֖פֶת יִהְיֶֽה׃
Vesamta otó al petíl tejelet; vehayá al hamitsnéfet; el mul pné hamitsnéfet yihyé.
Je zult het met een tejelet koord aan de tulband bevestigen; aan de voorkant van de tulband zal het zijn.
28:38
וְהָיָה֙ עַל־מֵ֣צַח אַהֲרֹ֔ן וְנָשָׂ֣א אַהֲרֹ֗ן אֶת־עֲוֺ֛ן הַקֳּדָשִׁ֖ים אֲשֶׁ֣ר יַקְדִּ֣ישׁוּ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵ֑ל לְכֹ֤ל מַתְּנֹֽת־קָדְשֵׁיהֶם֙ וְהָיָ֤ה עַל־מִצְחוֹ֙ תָּמִ֔יד לְרָצ֥וֹן לָהֶ֖ם לִפְנֵ֥י יְהֹוָֽה׃
Vehayá al metsaj Aharon; venasa Aharon et avon hakodashím... vehayá al mitzjó tamid leratzon lahem lifné Adonay.
Het zal op het voorhoofd van Aharon zijn; hij zal de ongerechtigheid van de heilige gaven dragen die de bene Yisrael heiligen; het zal voortdurend op zijn voorhoofd zijn, tot welgevallen voor hen voor Hashem.
28:39
וְשִׁבַּצְתָּ֥ הַכְּתֹ֖נֶת שֵׁ֣שׁ וְעָשִׂ֣יתָ מִצְנֶ֑פֶת שֵׁ֔שׁ וְאַבְנֵ֥ט תַּעֲשֶׂ֖ה מַעֲשֵׂ֥ה רֹקֵֽם׃
Veshivatzta haketonet shesh; ve’asíta mitsnéfet shesh; veavnet ta’asé ma’ase rokém.
Je zult de tuniek van fijn linnen weven; een tulband van fijn linnen maken; en een gordel van borduurwerk.
28:40
וְלִבְנֵ֤י אַהֲרֹן֙ תַּעֲשֶׂ֣ה כֻתֳּנֹ֔ת וְעָשִׂ֥יתָ לָהֶ֖ם אַבְנֵטִ֑ים וּמִגְבָּעֹ֣ת תַּעֲשֶׂ֣ה לָהֶ֗ם לְכָב֖וֹד וּלְתִפְאָֽרֶת׃
Velivné Aharon ta’asé kutonot; ve’asíta lahem avnetím; umigba’ot ta’asé lahem lejavod uletifáret.
Voor de zonen van Aharon zul je tunieken maken, gordels en hoofdbedekkingen, tot eer en tot luister.
28:41
וְהִלְבַּשְׁתָּ֣ אֹתָ֗ם אֶת־אַהֲרֹן֙ אָחִ֔יךָ וְאֶת־בָּנָ֖יו אִתּ֑וֹ וּמָשַׁחְתָּ֨ אֹתָ֜ם וּמִלֵּאתָ֤ אֶת־יָדָם֙ וְקִדַּשְׁתָּ֣ אֹתָ֔ם וְכִהֲנ֖וּ לִֽי׃
Vehilbashta otam et Aharon ajíja ve’et banav itó; umashajta otam; umiléta et yadam; vekidashta otam; vejihanú li.
Je zult Aharon en zijn zonen kleden, hen zalven, hun handen vullen en hen heiligen, zodat zij Mij als kohanim dienen.
28:42
וַעֲשֵׂ֤ה לָהֶם֙ מִכְנְסֵי־בָ֔ד לְכַסּ֖וֹת בְּשַׂ֣ר עֶרְוָ֑ה מִמָּתְנַ֥יִם וְעַד־יְרֵכַ֖יִם יִהְיֽוּ׃
Va’asé lahem mijnesé vad lejasot besar ervá; mimatnáyim ve’ad yeréjaim yihyú.
Je zult linnen onderkleding maken om hun naaktheid te bedekken, van heup tot dij.
28:43
וְהָי֣וּ עַל־אַהֲרֹ֣ן וְעַל־בָּנָ֗יו בְּבֹאָ֤ם אֶל־אֹ֙הֶל֙ מוֹעֵ֔ד א֥וֹ בְגִשְׁתָּ֖ם אֶל־הַמִּזְבֵּ֑חַ לְשָׁרֵ֣ת בַּקֹּ֔דֶשׁ וְלֹֽא־יִשְׂא֥וּ עָוֺ֖ן וָמֵ֑תוּ חֻקַּ֤ת עוֹלָם֙ ל֔וֹ וּלְזַרְע֖וֹ אַחֲרָֽיו׃
Vehayú al Aharon ve’al banav bevo’am el Óhel Moed o vegishtam el hamizbéaj lesharét bakódesh; velo yisú avon vametu; jukat olam lo ulezar’ó ajarav.
Zij zullen op Aharon en zijn zonen zijn wanneer zij de Óhel Moed binnengaan of naderen tot het altaar om in het heiligdom te dienen, zodat zij geen schuld dragen en sterven; een eeuwige inzetting voor hem en zijn nageslacht.

Aliyá 4 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
29:1
וְזֶה הַדָּבָר אֲשֶׁר־תַּעֲשֶׂה לָהֶם לְקַדֵּשׁ אֹתָם לְכַהֵן לִי לְקַח פַּר אֶחָד בֶּן־בָּקָר וְאֵילִם שְׁנַיִם תְּמִימִם׃
Vezé hadavár asher ta’asé lahem lekadésh otam lejahan li; lejá par ejad ben bakar ve’eilim shenáyim temimím.
Dit is wat je voor hen zult doen om hen te heiligen om Mij als kohanim te dienen: neem één jonge stier en twee rammen zonder gebrek.
29:2
וְלֶחֶם מַצּוֹת וְחַלֹּת מַצֹּת בְּלוּלֹת בַּשֶּׁמֶן וּרְקִיקֵי מַצּוֹת מְשֻׁחִים בַּשָּׁמֶן סֹלֶת חִטִּים תַּעֲשֶׂה אֹתָם׃
Velejem matzot vejalot matzot belulot bashémen urkiké matzot meshujím bashámen; solet jitím ta’asé otam.
En ongezuurd brood, ongezuurde koeken gemengd met olie, en ongezuurde platte broden met olie bestreken; van fijn tarwemeel zul je ze maken.
29:3
וְנָתַתָּ אֹתָם עַל־סַל אֶחָד וְהִקְרַבְתָּ אֹתָם בַּסָּל וְאֶת־הַפָּר וְאֵת שְׁנֵי הָאֵילִם׃
Venatata otam al sal ejad; vehikravta otam basal, ve’et hapar ve’et shené ha’eilim.
Je zult ze in één mand leggen en ze in de mand aanbieden, samen met de stier en de twee rammen.
29:4
וְאֶת־אַהֲרֹן וְאֶת־בָּנָיו תַּקְרִיב אֶל־פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד וְרָחַצְתָּ אֹתָם בַּמָּיִם׃
Ve’et Aharon ve’et banav takriv el pétaj Óhel Moed; verajatzta otam bamáyim.
Aharon en zijn zonen zul je naar de ingang van de Óhel Moed brengen en hen met water wassen.
29:5
וְלָקַחְתָּ אֶת־הַבְּגָדִים וְהִלְבַּשְׁתָּ אֶת־אַהֲרֹן אֶת־הַכְּתֹנֶת וְאֵת מְעִיל הָאֵפוֹד וְאֶת־הָאֵפוֹד וְאֶת־הַחֹשֶׁן וְאָפַדְתָּ לוֹ בְּחֵשֶׁב הָאֵפוֹד׃
Velakajta et habegadím vehilbashta et Aharon et haketónet ve’et me’il ha’efod ve’et ha’efod ve’et hajóshen; ve’afadta lo bejeshev ha’efod.
Je zult de kleding nemen en Aharon aankleden met de tuniek, de mantel van de efod, de efod en het borstschild; en je zult hem omgorden met de gordel van de efod.
29:6
וְשַׂמְתָּ הַמִּצְנֶפֶת עַל־רֹאשׁוֹ וְנָתַתָּ אֶת־נֵזֶר הַקֹּדֶשׁ עַל־הַמִּצְנָפֶת׃
Vesamta hamitsnéfet al roshó; venatata et nézer hakódesh al hamitsnéfet.
Je zult de tulband op zijn hoofd zetten en de heilige kroon daarop plaatsen.
29:7
וְלָקַחְתָּ אֶת־שֶׁמֶן הַמִּשְׁחָה וְיָצַקְתָּ עַל־רֹאשׁוֹ וּמָשַׁחְתָּ אֹתוֹ׃
Velakajta et shemen hamishjá; veyatzakta al roshó umashajta otó.
Je zult de zalfolie nemen, over zijn hoofd uitgieten en hem zalven.
29:8
וְאֶת־בָּנָיו תַּקְרִיב וְהִלְבַּשְׁתָּ אֹתָם כֻּתֳּנֹת׃
Ve’et banav takriv vehilbashta otam kutonot.
Zijn zonen zul je brengen en hen tunieken aantrekken.
29:9
וְחָגַרְתָּ אֹתָם אַבְנֵט אַהֲרֹן וּבָנָיו וְחָבַשְׁתָּ לָהֶם מִגְבָּעוֹת וְהָיְתָה לָהֶם כְּהֻנָּה לְחֻקַּת עוֹלָם וּמִלֵּאתָ יַד־אַהֲרֹן וְיַד־בָּנָיו׃
Vejagarta otam avnet Aharon uvanav; vejavash­ta lahem migba’ot; vehayta lahem kehuná lejokat olam; umiléta yad Aharon veyad banav.
Je zult hen omgorden met gordels en hen hoofdbedekkingen geven; het kohenschap zal voor hen een eeuwige inzetting zijn; zo zul je de handen van Aharon en zijn zonen vullen.
29:10
וְהִקְרַבְתָּ אֶת־הַפָּר לִפְנֵי אֹהֶל מוֹעֵד וְסָמְכוּ אַהֲרֹן וּבָנָיו אֶת־יְדֵיהֶם עַל־רֹאשׁ הַפָּר
Vehikrivta et hapar lifnei Ohel Mo'ed vesamju Aharon uvanav et yedehem al rosh hapar.
Je zult de stier voor de Ohel Mo'ed brengen; Aharon en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen.
29:11
וְשָׁחַטְתָּ אֶת־הַפָּר לִפְנֵי יְהוָה פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד
Veshajta et hapar lifnei Adonay petaj Ohel Mo'ed.
Je zult de stier slachten voor Adonay bij de ingang van de Ohel Mo'ed.
29:12
וְלָקַחְתָּ מִדַּם הַפָּר וְנָתַתָּה עַל־קַרְנֹת הַמִּזְבֵּחַ בְּאֶצְבָּעֶךָ וְאֶת־כָּל־הַדָּם תִּשְׁפֹּךְ אֶל־יְסוֹד הַמִּזְבֵּחַ
Velakajta midam hapar venatata al karnot hamizbeaj be'etsba'eja ve'et kol hadam tishpoch el yesod hamizbeaj.
Je zult van het bloed van de stier nemen en het met je vinger op de horens van het Mizbeaj aanbrengen; al het overige bloed zul je uitgieten aan de basis van het Mizbeaj.
29:13
וְלָקַחְתָּ אֶת־כָּל־הַחֵלֶב הַמְכַסֶּה אֶת־הַקֶּרֶב וְאֵת הַיֹּתֶרֶת עַל־הַכָּבֵד וְאֵת שְׁתֵּי הַכְּלָיֹת וְאֶת־הַחֵלֶב אֲשֶׁר עֲלֵיהֶן וְהִקְטַרְתָּ הַמִּזְבֵּחָה
Velakajta et kol hajeleb hamejase et hakerev ve'et hayoteret al hakaved ve'et shtei hakelayot ve'et hajeleb asher aleihen vehiktarta hamizbeaja.
Je zult al het vet nemen dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en het vet dat daarop is, en je zult het op het Mizbeaj in rook laten opgaan.
29:14
וְאֶת־בְּשַׂר הַפָּר וְאֶת־עֹרוֹ וְאֶת־פִּרְשׁוֹ תִּשְׂרֹף בָּאֵשׁ מִחוּץ לַמַּחֲנֶה חַטָּאת הוּא
Ve'et besar hapar ve'et oro ve'et pirsho tisrof ba'esh mijutz lamajane jatat hu.
Het vlees van de stier, zijn huid en zijn afval zul je met vuur verbranden buiten het kamp; het is een jatát-offer.
29:15
וְאֶת־הָאַיִל הָאֶחָד תִּקָּח וְסָמְכוּ אַהֲרֹן וּבָנָיו אֶת־יְדֵיהֶם עַל־רֹאשׁ הָאַיִל
Ve'et ha'ayil ha'ejad tikaj vesamju Aharon uvanav et yedehem al rosh ha'ayil.
Je zult de ene ram nemen; Aharon en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen.
29:16
וְשָׁחַטְתָּ אֶת־הָאַיִל וְלָקַחְתָּ אֶת־דָּמוֹ וְזָרַקְתָּ עַל־הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב
Veshajta et ha'ayil velakajta et damo vezarakta al hamizbeaj saviv.
Je zult de ram slachten, zijn bloed nemen en het rondom op het Mizbeaj sprenkelen.
29:17
וְאֶת־הָאַיִל תְּנַתֵּחַ לִנְתָחָיו וְרָחַצְתָּ קִרְבּוֹ וּכְרָעָיו וְנָתַתָּ עַל־נְתָחָיו וְעַל־רֹאשׁוֹ
Ve'et ha'ayil tenateaj lintajav verajatzta kirbo ukra'av venatata al netajav ve'al rosho.
Je zult de ram in stukken snijden, zijn ingewanden en poten wassen en ze op zijn stukken en op zijn hoofd leggen.
29:18
וְהִקְטַרְתָּ אֶת־כָּל־הָאַיִל הַמִּזְבֵּחָה עֹלָה הוּא לַיהוָה רֵיחַ נִיחוֹחַ אִשֶּׁה לַיהוָה הוּא
Vehiktarta et kol ha'ayil hamizbeaja olá hu laAdonay re'aj nijóaj ishe laAdonay hu.
Je zult de hele ram op het Mizbeaj in rook laten opgaan; het is een olá voor Adonay, een aangename geur, een vuuroffer voor Adonay.

Aliyá 5 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
29:19
וְלָקַחְתָּ אֵת הָאַיִל הַשֵּׁנִי וְסָמַךְ אַהֲרֹן וּבָנָיו אֶת־יְדֵיהֶם עַל־רֹאשׁ הָאַיִל׃
Velakajta et ha’áil hashení; vesamaj Aharon uvanav et yedehem al rosh ha’áil.
Je zult de tweede ram nemen; Aharon en zijn zonen zullen hun handen op de kop van de ram leggen.
29:20
וְשָׁחַטְתָּ אֶת־הָאַיִל וְלָקַחְתָּ מִדָּמוֹ וְנָתַתָּ עַל־תְּנוּךְ אֹזֶן אַהֲרֹן וְעַל־תְּנוּךְ אֹזֶן בָּנָיו הַיְמָנִית וְעַל־בֹּהֶן יָדָם הַיְמָנִית וְעַל־בֹּהֶן רַגְלָם הַיְמָנִית וְזָרַקְתָּ אֶת־הַדָּם עַל־הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב׃
Veshajta et ha’áil; velakajta midamó; venatata al tenúj ozen Aharon... vezarakta et hadam al hamizbéaj savív.
Je zult de ram slachten, wat van zijn bloed nemen en het aan de rechteroorlel van Aharon en zijn zonen strijken, aan hun rechterduim en rechtergrote teen; en het bloed rondom op het altaar sprenkelen.
29:21
וְלָקַחְתָּ מִן־הַדָּם אֲשֶׁר עַל־הַמִּזְבֵּחַ וּמִשֶּׁמֶן הַמִּשְׁחָה וְהִזֵּיתָ עַל־אַהֲרֹן וְעַל־בְּגָדָיו וְעַל־בָּנָיו וְעַל־בִּגְדֵי בָנָיו אִתּוֹ וְקָדַשׁ הוּא וּבְגָדָיו וּבָנָיו וּבִגְדֵי בָנָיו אִתּוֹ
Velakajta min hadam asher al hamizbeaj umishémen hamishjá vehizita al Aharon ve'al begadav ve'al banav ve'al bigdei banav ito vekadash hu uvegadav uvanav uvigdei banav ito.
Je zult nemen van het bloed dat op het Mizbeaj is en van de zalfolie, en het sprenkelen op Aharon en op zijn kleding, op zijn zonen en op de kleding van zijn zonen met hem; zo zullen hij, zijn kleding, zijn zonen en de kleding van zijn zonen geheiligd worden.
29:22
וְלָקַחְתָּ מִן־הָאַיִל הַחֵלֶב וְהָאַלְיָה וְאֶת־הַחֵלֶב הַמְכַסֶּה אֶת־הַקֶּרֶב וְאֵת הַיֹּתֶרֶת עַל־הַכָּבֵד וְאֵת שְׁתֵּי הַכְּלָיֹת וְאֶת־הַחֵלֶב אֲשֶׁר עֲלֵיהֶן וְאֵת שׁוֹק הַיָּמִין כִּי אֵיל מִלֻּאִים הוּא
Velakajta min ha'ayil hajeleb veha'alyá ve'et hajeleb hamejase et hakerev ve'et hayoteret al hakaved ve'et shtei hakelayot ve'et hajeleb asher aleihen ve'et shok hayamin ki eil miluim hu.
Je zult van de ram het vet nemen, de vetstaart, het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en het vet dat daarop is, en de rechterbout, want het is een ram van inwijding.
29:23
וְכִכַּר לֶחֶם אַחַת וְחַלַּת לֶחֶם שֶׁמֶן אַחַת וְרָקִיק אֶחָד מִסַּל הַמַּצּוֹת אֲשֶׁר לִפְנֵי יְהוָה
Vekikar lejem ajat vejallat lejem shemen ajat verakik ejad misal hamatsot asher lifnei Adonay.
En één brood, één oliekoek en één dunne koek uit de mand van de matsot die voor Adonay staat.
29:24
וְשַׂמְתָּ הַכֹּל עַל כַּפֵּי אַהֲרֹן וְעַל כַּפֵּי בָנָיו וְהֵנַפְתָּ אֹתָם תְּנוּפָה לִפְנֵי יְהוָה
Vesamta hakol al kapei Aharon ve'al kapei banav vehenáfta otam tenufá lifnei Adonay.
Je zult alles op de handen van Aharon en op de handen van zijn zonen leggen en het als beweegoffer voor Adonay bewegen.
29:25
וְלָקַחְתָּ אֹתָם מִיָּדָם וְהִקְטַרְתָּ הַמִּזְבֵּחָה עַל־הָעֹלָה לְרֵיחַ נִיחוֹחַ לִפְנֵי יְהוָה אִשֶּׁה לַיהוָה הוּא
Velakajta otam miyadam vehiktarta hamizbeaja al ha'olá lereaj nijóaj lifnei Adonay ishe laAdonay hu.
Je zult het uit hun handen nemen en het op het Mizbeaj in rook laten opgaan boven het brandoffer, tot een aangename geur voor Adonay; het is een vuuroffer voor Adonay.
29:26
וְלָקַחְתָּ אֶת־הֶחָזֶה מֵאֵיל הַמִּלֻּאִים אֲשֶׁר לְאַהֲרֹן וְהֵנַפְתָּ אֹתוֹ תְּנוּפָה לִפְנֵי יְהוָה וְהָיָה לְךָ לְמָנָה
Velakajta et hejazé me'eil hamiluim asher leAharon vehenáfta oto tenufá lifnei Adonay vehayá lejá lemaná.
Je zult de borst nemen van de ram van inwijding die voor Aharon is en het als beweegoffer voor Adonay bewegen; het zal jouw deel zijn.
29:27
וְקִדַּשְׁתָּ אֵת חֲזֵה הַתְּנוּפָה וְאֵת שׁוֹק הַתְּרוּמָה אֲשֶׁר הוּנַף וַאֲשֶׁר הוּרָם מֵאֵיל הַמִּלֻּאִים מֵאֲשֶׁר לְאַהֲרֹן וּמֵאֲשֶׁר לְבָנָיו
Vekidashta et jazé hatenufá ve'et shok haterumá asher hunaf va'asher huram me'eil hamiluim me'asher leAharon ume'asher lebanav.
Je zult de borst van het beweegoffer en de schouder van het hefoffer heiligen, die bewogen en opgeheven zijn van de ram van inwijding, van wat voor Aharon en voor zijn zonen is.
29:28
וְהָיָה לְאַהֲרֹן וּלְבָנָיו לְחָק־עוֹלָם מֵאֵת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל כִּי תְרוּמָה הוּא וּתְרוּמָה יִהְיֶה מֵאֵת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מִזִּבְחֵי שַׁלְמֵיהֶם תְּרוּמָתָם לַיהוָה
Vehayá leAharon ulebanav lejak olam me'et Bnei Yisrael ki terumá hu uterumá yihye me'et Bnei Yisrael mizivje shalmehem terumatam laAdonay.
Het zal voor Aharon en zijn zonen een eeuwige inzetting zijn van de Bnei Yisrael, want het is een hefoffer; het zal een hefoffer zijn van de Bnei Yisrael uit hun vredeoffers, hun hefoffer voor Adonay.
29:29
וּבִגְדֵי הַקֹּדֶשׁ אֲשֶׁר לְאַהֲרֹן יִהְיוּ לְבָנָיו אַחֲרָיו לְמָשְׁחָה בָהֶם וּלְמַלֵּא־בָם אֶת־יָדָם
Uvigdei hakodesh asher leAharon yihyu lebanav ajarav lemashjá bahem ulemale bam et yadam.
De heilige kleding van Aharon zal voor zijn zonen na hem zijn om daarin gezalfd te worden en hun handen te vullen.
29:30
שִׁבְעַת יָמִים יִלְבָּשָׁם הַכֹּהֵן תַּחְתָּיו מִבָּנָיו אֲשֶׁר יָבֹא אֶל־אֹהֶל מוֹעֵד לְשָׁרֵת בַּקֹּדֶשׁ
Shivat yamim yilbasham hakohen tajtav mibanav asher yavo el Ohel Mo'ed lesharet bakodesh.
Zeven dagen zal de kohen die hem opvolgt uit zijn zonen ze dragen, wanneer hij de Ohel Mo'ed binnengaat om in het heiligdom te dienen.
29:31
וְאֶת־אֵיל הַמִּלֻּאִים תִּקָּח וּבִשַּׁלְתָּ אֶת־בְּשָׂרוֹ בְּמָקוֹם קָדֹשׁ
Ve'et eil hamiluim tikaj uvisalta et besaro bemakom kadosh.
Je zult de ram van inwijding nemen en zijn vlees koken op een heilige plaats.
29:32
וְאָכַל אַהֲרֹן וּבָנָיו אֶת־בְּשַׂר הָאַיִל וְאֶת־הַלֶּחֶם אֲשֶׁר בַּסַּל פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד
Ve'ajal Aharon uvanav et besar ha'ayil ve'et halejem asher basal petaj Ohel Mo'ed.
Aharon en zijn zonen zullen het vlees van de ram eten en het brood dat in de mand is bij de ingang van de Ohel Mo'ed.
29:33
וְאָכְלוּ אֹתָם אֲשֶׁר כֻּפַּר בָּהֶם לְמַלֵּא אֶת־יָדָם לְקַדֵּשׁ אֹתָם וְזָר לֹא־יֹאכַל כִּי־קֹדֶשׁ הֵם
Ve'ajlu otam asher kupar bahem lemale et yadam lekadesh otam vezar lo yojal ki kodesh hem.
Zij zullen het eten waarmee verzoening is gedaan om hun handen te vullen en hen te heiligen; een vreemde mag het niet eten, want zij zijn heilig.
29:34
וְאִם־יִוָּתֵר מִבְּשַׂר הַמִּלֻּאִים וּמִן־הַלֶּחֶם עַד־הַבֹּקֶר וְשָׂרַפְתָּ אֶת־הַנּוֹתָר בָּאֵשׁ לֹא יֵאָכֵל כִּי־קֹדֶשׁ הוּא
Ve'im yivater mibesar hamiluim umin halejem ad haboker vesarafta et hanotar ba'esh lo ye'achel ki kodesh hu.
Indien er van het vlees van de inwijding of van het brood tot de morgen overblijft, zul je het overgeblevene met vuur verbranden; het mag niet gegeten worden, want het is heilig.
29:35
וְעָשִׂיתָ לְאַהֲרֹן וּלְבָנָיו כָּכָה כְּכֹל אֲשֶׁר־צִוִּיתִי אֹתָךְ שִׁבְעַת יָמִים תְּמַלֵּא יָדָם
Ve'asita leAharon ulebanav kaká kekol asher tziviti otaj shivat yamim temale yadam.
Zo zul je voor Aharon en zijn zonen doen, volgens alles wat Ik je heb bevolen; zeven dagen zul je hun handen vullen.
29:36
וּפַר חַטָּאת תַּעֲשֶׂה לַיּוֹם עַל־הַכִּפֻּרִים וְחִטֵּאתָ עַל־הַמִּזְבֵּחַ בְּכַפֶּרְךָ עָלָיו וּמָשַׁחְתָּ אֹתוֹ לְקַדְּשׁוֹ
Ufar jatat ta'ase layom al hakipurim vejitatá al hamizbeaj bekapereja alav umashajta oto lekadesho.
Elke dag zul je een stier als zondoffer bereiden voor verzoening; je zult het Mizbeaj reinigen wanneer je er verzoening voor doet, en je zult het zalven om het te heiligen.
29:37
שִׁבְעַת יָמִים תְּכַפֵּר עַל־הַמִּזְבֵּחַ וְקִדַּשְׁתָּ אֹתוֹ וְהָיָה הַמִּזְבֵּחַ קֹדֶשׁ קָדָשִׁים כָּל־הַנֹּגֵעַ בַּמִּזְבֵּחַ יִקְדָּשׁ
Shivat yamim tekaper al hamizbeaj vekidashta oto vehayá hamizbeaj kodesh kodashim kol hanogea bamizbeaj yikdash.
Zeven dagen zul je verzoening doen voor het Mizbeaj en het heiligen; het Mizbeaj zal allerheiligst zijn; ieder die het Mizbeaj aanraakt zal heilig worden.

Aliyá 6 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
29:38
וְזֶה אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה עַל־הַמִּזְבֵּחַ כְּבָשִׂים בְּנֵי־שָׁנָה שְׁנַיִם לַיּוֹם תָּמִיד׃
Vezé asher ta’asé al hamizbéaj: kevasím bené shaná shenáyim layom tamid.
Dit is wat je op het altaar zult brengen: twee éénjarige lammeren per dag, voortdurend.
29:39
אֶת־הַכֶּבֶשׂ הָאֶחָד תַּעֲשֶׂה בַבֹּקֶר וְאֵת הַכֶּבֶשׂ הַשֵּׁנִי תַּעֲשֶׂה בֵּין הָעַרְבָּיִם׃
Et hakeves ha’ejad ta’asé babóker; ve’et hakeves hashení ta’asé ben ha’arbayim.
Het ene lam zul je ’s morgens brengen en het tweede lam tussen de avonden.
29:40
וְעִשָּׂרֹן סֹלֶת בָּלוּל בְּרֶבַע הַהִין שֶׁמֶן כָּתִית וְנֵסֶךְ רְבִיעִת הַהִין יָיִן לַכֶּבֶשׂ הָאֶחָד׃
Ve’isaron solet balúl bereva ha’hin shemen katít; venésej revi’ít ha’hin yayin lakeves ha’ejad.
Met een tiende efa fijn meel gemengd met een kwart hin geperste olie, en een plengoffer van een kwart hin wijn voor het ene lam.
29:41
וְאֵת הַכֶּבֶשׂ הַשֵּׁנִי תַּעֲשֶׂה בֵּין הָעַרְבָּיִם כְּמִנְחַת הַבֹּקֶר וּכְנִסְכָּהּ תַּעֲשֶׂה־לָּהּ לְרֵיחַ נִיחֹחַ אִשֶּׁה לַיהֹוָה׃
Ve’et hakeves hashení ta’asé ben ha’arbayim; keminjat habóker ujeniská ta’asé lah; leréaj nijóaj ishe laAdonay.
Het tweede lam zul je tussen de avonden brengen, zoals het ochtendoffer en zijn plengoffer; een aangename geur, een vuuroffer voor Hashem.
29:42
עֹלַת תָּמִיד לְדֹרֹתֵיכֶם פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד לִפְנֵי יְהֹוָה אֲשֶׁר אִוָּעֵד לָכֶם שָׁמָּה לְדַבֵּר אֵלֶיךָ שָׁם׃
Olat tamid ledorotéjem pétaj Óhel Moed lifné Adonay; asher ivá’ed lajem shamá ledaber eléja sham.
Een voortdurend brandoffer voor jullie generaties bij de ingang van de Óhel Moed, voor Hashem, waar Ik jullie zal ontmoeten om daar tot jou te spreken.
29:43
וְנֹעַדְתִּי שָׁמָּה לִבְנֵי יִשְׂרָאֵל וְנִקְדַּשׁ בִּכְבֹדִי׃
Veno’adti shamá livné Yisrael; venikdash bijvodí.
Daar zal Ik Mij laten ontmoeten door de bene Yisrael, en het zal geheiligd worden door Mijn kavod.
29:44
וְקִדַּשְׁתִּי אֶת־אֹהֶל מוֹעֵד וְאֶת־הַמִּזְבֵּחַ וְאֶת־אַהֲרֹן וְאֶת־בָּנָיו אֲקַדֵּשׁ לְכַהֵן לִי׃
Vekidashti et Óhel Moed ve’et hamizbéaj; ve’et Aharon ve’et banav akadesh lejahan li.
Ik zal de Óhel Moed en het altaar heiligen; Aharon en zijn zonen zal Ik heiligen om Mij als kohanim te dienen.
29:45
וְשָׁכַנְתִּי בְּתוֹךְ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וְהָיִיתִי לָהֶם לֵאלֹהִים׃
Veshajanti betoj bené Yisrael; vehayíti lahem leElohim.
Ik zal wonen te midden van de bene Yisrael en Ik zal hun tot Elohim zijn.
29:46
וְיָדְעוּ כִּי אֲנִי יְהֹוָה אֱלֹהֵיהֶם אֲשֶׁר הוֹצֵאתִי אֹתָם מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם לְשָׁכְנִי בְתוֹכָם אֲנִי יְהֹוָה אֱלֹהֵיהֶם׃
Veyade’u ki Aní Adonay Elohehem asher hotzéti otam me’eretz Mitzráyim leshajní betojam; Aní Adonay Elohehem.
Zij zullen weten dat Ik Hashem hun Elohim ben, Die hen uit het land Mitzráyim heeft geleid om in hun midden te wonen; Ik ben Hashem hun Elohim.

Aliyá 7 · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
30:1
וְעָשִׂיתָ מִזְבֵּחַ מִקְטַר קְטֹרֶת עֲצֵי שִׁטִּים תַּעֲשֶׂה אֹתוֹ׃
Ve’asíta mizbéaj miktar ketóret; atzé shitím ta’asé otó.
Je zult een altaar maken om ketóret (reukwerk) te branden; van acaciahout zul je het maken.
30:2
אַמָּה אָרְכּוֹ וְאַמָּה רָחְבּוֹ רָבוּעַ יִהְיֶה וְאַמָּתַיִם קֹמָתוֹ מִמֶּנּוּ קַרְנֹתָיו׃
Amá orjó ve’amá rojbó, ravúa yihyé; ve’amatáyim komató; miménu karnotáv.
Een el lang en een el breed, vierkant zal het zijn; twee ellen hoog; zijn horens zullen er één geheel mee zijn.
30:3
וְצִפִּיתָ אֹתוֹ זָהָב טָהוֹר אֶת־גַּגּוֹ וְאֶת־קִירֹתָיו סָבִיב וְאֶת־קַרְנֹתָיו וְעָשִׂיתָ לּוֹ זֵר זָהָב סָבִיב׃
Vetzipíta otó zahav tahor; et gagó ve’et kirotáv savív ve’et karnotáv; ve’asíta lo zer zahav savív.
Je zult het met zuiver goud overtrekken, zijn bovenkant, zijn wanden rondom en zijn horens; en je zult er een gouden rand rondom maken.
30:4
וּשְׁתֵּי טַבְּעֹת זָהָב תַּעֲשֶׂה לּוֹ מִתַּחַת לְזֵרוֹ עַל שְׁתֵּי צַלְעֹתָיו תַּעֲשֶׂה עַל שְׁנֵי צִדָּיו וְהָיָה לְבָתִּים לְבַדִּים לָשֵׂאת אֹתוֹ בָּהֶם׃
Ushtei taba’ot zahav ta’asé lo mitájat lezeró al shtei tzala’otáv; vehayá levatím lebadím lasét otó bahem.
Je zult twee gouden ringen onder de rand maken, aan zijn twee zijden; zij zullen dienen als houders voor draagstokken om het te dragen.
30:5
וְעָשִׂיתָ אֶת־הַבַּדִּים עֲצֵי שִׁטִּים וְצִפִּיתָ אֹתָם זָהָב׃
Ve’asíta et habadím atzé shitím; vetzipíta otam zahav.
Je zult de draagstokken van acaciahout maken en ze met goud overtrekken.
30:6
וְנָתַתָּ אֹתוֹ לִפְנֵי הַפָּרֹכֶת אֲשֶׁר עַל אֲרוֹן הָעֵדוּת לִפְנֵי הַכַּפֹּרֶת אֲשֶׁר עַל הָעֵדוּת אֲשֶׁר אִוָּעֵד לְךָ שָׁמָּה׃
Venatata otó lifné haparójet asher al Aron ha’Edut; lifné hakapóret asher al ha’Edut; asher ivá’ed lejá shamá.
Je zult het plaatsen vóór de parójet die voor de Aron haEdut is, vóór de kapóret die op de Edut is, waar Ik Mij aan jou zal openbaren.
30:7
וְהִקְטִיר עָלָיו אַהֲרֹן קְטֹרֶת סַמִּים בַּבֹּקֶר בַּבֹּקֶר בְּהֵיטִיבוֹ אֶת־הַנֵּרֹת יַקְטִירֶנָּה׃
Vehiktír aláv Aharon ketóret samím; babóker babóker, beheytivó et hanerot, yaktiréna.
Aharon zal er elke ochtend geurig reukwerk op branden; wanneer hij de lampen verzorgt, zal hij het branden.
30:8
וּבְהַעֲלֹת אַהֲרֹן אֶת־הַנֵּרֹת בֵּין הָעַרְבַּיִם יַקְטִירֶנָּה קְטֹרֶת תָּמִיד לִפְנֵי יְהֹוָה לְדֹרֹתֵיכֶם׃
Uveha’alot Aharon et hanerot ben ha’arbayim yaktiréna; ketóret tamid lifné Adonay ledorotéjem.
En wanneer Aharon de lampen tussen de avonden aansteekt, zal hij het branden; een voortdurend reukwerk voor Hashem, door jullie generaties.
30:9
לֹא־תַעֲלוּ עָלָיו קְטֹרֶת זָרָה וְעֹלָה וּמִנְחָה וְנֵסֶךְ לֹא תִסְּכוּ עָלָיו׃
Lo ta’alu aláv ketóret zará ve’olá uminjá; venésej lo tisku aláv.
Je zult er geen vreemd reukwerk op offeren, noch brandoffer of graanoffer; en geen plengoffer erop uitgieten.
30:10
וְכִפֶּר אַהֲרֹן עַל־קַרְנֹתָיו אַחַת בַּשָּׁנָה מִדַּם חַטַּאת הַכִּפֻּרִים אַחַת בַּשָּׁנָה יְכַפֵּר עָלָיו לְדֹרֹתֵיכֶם קֹדֶשׁ קָדָשִׁים הוּא לַיהֹוָה׃
Vekipér Aharon al karnotáv ajat bashaná midam jatát hakipurím; ajat bashaná yekaper aláv ledorotéjem; kodesh kodashím hu laAdonay.
Aharon zal eenmaal per jaar verzoening doen op zijn horens met het bloed van het zondoffer van Jom HaKipurim; eenmaal per jaar zal hij er verzoening voor doen, door jullie generaties; het is kodesh kodashim voor Hashem.

Maftir · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
25:17
זָכוֹר אֵת אֲשֶׁר־עָשָׂה לְךָ עֲמָלֵק בַּדֶּרֶךְ בְּצֵאתְכֶם מִמִּצְרָיִם׃
Zajor et asher asá lejá Amalek badérej betzetjem miMitzráyim.
Gedenk wat Amalek jou heeft aangedaan op de weg, toen jullie uit Mitzráyim trokken.
25:18
אֲשֶׁר קָרְךָ בַּדֶּרֶךְ וַיְזַנֵּב בְּךָ כָּל־הַנֶּחֱשָׁלִים אַחֲרֶיךָ וְאַתָּה עָיֵף וְיָגֵעַ וְלֹא יָרֵא אֱלֹהִים׃
Asher karchá badérej vayezanév bejá kol hanejeshalím ajaréja; ve’ata ayéf veyagéa; velo yaré Elohim.
Hoe hij jou op de weg aanviel en de zwakken achter je afsneed, toen jij moe en uitgeput was; en hij vreesde Elohim niet.
25:19
וְהָיָה בְּהָנִיחַ יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ לְךָ מִכָּל־אֹיְבֶיךָ מִסָּבִיב בָּאָרֶץ אֲשֶׁר יְהֹוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ נַחֲלָה לְרִשְׁתָּהּ תִּמְחֶה אֶת־זֵכֶר עֲמָלֵק מִתַּחַת הַשָּׁמָיִם לֹא תִּשְׁכָּח׃
Vehayá behanía Adonay Elohéja lejá mikol oyvéja misavív ba’áretz asher Adonay Elohéja notén lejá najalá lerishtá; timjé et zéjer Amalek mitájat hashamáyim; lo tishkáj.
En het zal zijn: wanneer Hashem jouw Elohim jou rust geeft van al je vijanden rondom, in het land dat Hashem jouw Elohim jou geeft als erfdeel om het in bezit te nemen, dan zul je de herinnering aan Amalek uitwissen onder de hemel; vergeet het niet.

Haftará

Haftará Zajor · HO (Nederlands – Judaizado)

#
Hebreeuws
Transliteratie (Sefardí)
Nederlands (Judaizado)
15:1
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל אֶל־שָׁאוּל אֹתִי שָׁלַח יְהֹוָה לִמְשָׁחֳךָ לְמֶלֶךְ עַל־עַמּוֹ עַל־יִשְׂרָאֵל וְעַתָּה שְׁמַע לְקוֹל דִּבְרֵי יְהֹוָה׃
Vayomer Shemuel el Shaúl: otí shalaj Adonay limshajáj lemelekh al amó al Yisrael; ve’ata shemá lekol divré Adonay.
Shemuel zei tot Shaúl: Hashem heeft mij gezonden om jou te zalven tot koning over Zijn volk, over Yisrael; luister nu naar de woorden van Hashem.
15:2
כֹּה אָמַר יְהֹוָה צְבָאוֹת פָּקַדְתִּי אֵת אֲשֶׁר־עָשָׂה עֲמָלֵק לְיִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר־שָׂם לוֹ בַּדֶּרֶךְ בַּעֲלֹתוֹ מִמִּצְרָיִם׃
Ko amar Adonay Tzevaot: pakádti et asher asá Amalek leYisrael asher sam lo badérej ba’alotó miMitzráyim.
Zo zegt Hashem Tzevaot: Ik heb in gedachten wat Amalek Yisrael heeft aangedaan toen hij hen op de weg aanviel bij hun uittocht uit Mitzráyim.
15:3
עַתָּה לֵךְ וְהִכִּיתָ אֶת־עֲמָלֵק וְהַחֲרַמְתֶּם אֶת־כָּל־אֲשֶׁר־לוֹ וְלֹא תַחְמֹל עָלָיו וְהֵמַתָּה מֵאִישׁ עַד־אִשָּׁה מֵעֹלֵל וְעַד־יוֹנֵק מִשּׁוֹר וְעַד־שֶׂה מִגָּמָל וְעַד־חֲמוֹר׃
Atá lej vehikita et Amalek vehajaramta et kol asher lo; velo tajmol alav; vehemeta me’ish ad isha, me’olel ve’ad yonek, mishor ve’ad se, migamal ve’ad jamor.
Ga nu en versla Amalek; wijd alles wat hij heeft aan vernietiging; spaar hem niet, van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, van kameel tot ezel.
15:4
וַיְשַׁמַּע שָׁאוּל אֶת־הָעָם וַיִּפְקְדֵם בַּטְּלָאִים מָאתַיִם אֶלֶף רַגְלִי וַעֲשֶׂרֶת אֲלָפִים אֶת־אִישׁ יְהוּדָה׃
Vayeshama Shaúl et ha’am vayifkedém batela’im; matáyim elef raglí va’aséret alaf et ish Yehudá.
Shaúl verzamelde het volk en telde hen in Telaim: tweehonderdduizend man te voet en tienduizend mannen van Yehudá.
15:5
וַיָּבֹא שָׁאוּל עַד־עִיר עֲמָלֵק וַיָּרֶב בַּנָּחַל׃
Vayavó Shaúl ad ir Amalek vayarev banájal.
Shaúl kwam tot de stad van Amalek en legde een hinderlaag in de vallei.
15:6
וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל־הַקֵּינִי לְכוּ סֻּרוּ רְדוּ מִתּוֹךְ עֲמָלֵקִי פֶּן־אֹסִפְךָ עִמּוֹ וְאַתָּה עָשִׂיתָה חֶסֶד עִם־כָּל־בְּנֵי יִשְׂרָאֵל בַּעֲלֹתָם מִמִּצְרָיִם וַיָּסַר קֵינִי מִתּוֹךְ עֲמָלֵק׃
Vayomer Shaúl el Hakeiní: leju suru redu mitoj Amalekí pen osifjá imó; ve’ata asíta jesed im kol bené Yisrael ba’alotam miMitzráyim; vayasar Keiní mitoj Amalek.
Shaúl zei tot de Keniet: Ga weg uit het midden van Amalek, opdat ik jou niet met hem vernietig; want jij hebt goedheid bewezen aan de bene Yisrael toen zij uit Mitzráyim trokken.
15:7
וַיַּךְ שָׁאוּל אֶת־עֲמָלֵק מֵחֲוִילָה בּוֹאֲךָ שׁוּר אֲשֶׁר עַל־פְּנֵי מִצְרָיִם׃
Vayaj Shaúl et Amalek mejavilá bo’ajá Shur asher al pné Mitzráyim.
Shaúl versloeg Amalek van Chavila tot Shur, dat tegenover Mitzráyim ligt.
15:8
וַיִּתְפֹּשׂ אֶת־אֲגַג מֶלֶךְ עֲמָלֵק חָי וְאֶת־כָּל־הָעָם הֶחֱרִים לְפִי־חָרֶב׃
Vayitpós et Agag melej Amalek jai; ve’et kol ha’am hejerím lefi jarev.
Hij nam Agag, de koning van Amalek, levend gevangen, maar het volk wijdde hij aan vernietiging met het zwaard.
15:9
וַיַּחְמֹל שָׁאוּל וְהָעָם עַל־אֲגָג וְעַל־מֵיטַב הַצֹּאן וְהַבָּקָר וְהַמִּשְׁנִים וְעַל־הַכָּרִים וְעַל־כָּל־הַטּוֹב וְלֹא אָבוּ הַחֲרִימָם וְכָל־הַמְּלָאכָה נְמִבְזָה וְנָמֵס אֹתָהּ הֶחֱרִימוּ׃
Vayajmol Shaúl veha’am al Agag ve’al meitav hatzon vehabakar vehamishním ve’al hakarím ve’al kol hatov; velo avu hajaramám; vechol hamelajá nemivzá venamés otá hejerímu.
Maar Shaúl en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en runderen en al het goede; alleen het verachte vernietigden zij.
15:10
וַיְהִי דְּבַר־יְהֹוָה אֶל־שְׁמוּאֵל לֵאמֹר׃
Vayehí devar Adonay el Shemuel lemor.
Het woord van Hashem kwam tot Shemuel, zeggende:
15:11
נִחַמְתִּי כִּי־הִמְלַכְתִּי אֶת־שָׁאוּל לְמֶלֶךְ כִּי־שָׁב מֵאַחֲרַי וְאֶת־דְּבָרַי לֹא הֵקִים וַיִּחַר לִשְׁמוּאֵל וַיִּזְעַק אֶל־יְהֹוָה כָּל־הַלָּיְלָה׃
Nijamti ki himlajti et Shaúl lemelekh; ki shav me’ajaráy ve’et devaray lo hekim; vayijar liShemuel vayiz’ak el Adonay kol haláyla.
Ik betreur het dat Ik Shaúl tot koning heb aangesteld, want hij is van achter Mij afgeweken en heeft Mijn woorden niet uitgevoerd; Shemuel werd zeer bedroefd en riep tot Hashem de hele nacht.
15:12
וַיַּשְׁכֵּם שְׁמוּאֵל לִקְרַאת שָׁאוּל בַּבֹּקֶר וַיֻּגַּד לִשְׁמוּאֵל לֵאמֹר בָּא שָׁאוּל הַכַּרְמֶלָה וְהִנֵּה מַצִּיב לוֹ יָד וַיִּסֹּב וַיַּעֲבֹר וַיֵּרֶד הַגִּלְגָּל׃
Vayashkém Shemuel likrat Shaúl babóker; vayugad liShemuel lemor: ba Shaúl haKarmelá; vehiné matzív lo yad; vayisov vayavor vayered haGilgal.
Shemuel stond vroeg op om Shaúl te ontmoeten; men vertelde hem dat Shaúl naar Karmel was gegaan en daar een monument voor zichzelf had opgericht.
15:13
וַיָּבֹא שְׁמוּאֵל אֶל־שָׁאוּל וַיֹּאמֶר לוֹ שָׁאוּל בָּרוּךְ אַתָּה לַיהֹוָה הֲקִימֹתִי אֶת־דְּבַר יְהֹוָה׃
Vayavó Shemuel el Shaúl; vayomer lo Shaúl: Baruj atá laAdonay, hakimóti et devar Adonay.
Shemuel kwam bij Shaúl; Shaúl zei: Gezegend ben jij voor Hashem, ik heb het woord van Hashem vervuld.
15:14
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל וּמֶה קוֹל־הַצֹּאן הַזֶּה בְּאָזְנָי וְקוֹל הַבָּקָר אֲשֶׁר אָנֹכִי שֹׁמֵעַ׃
Vayomer Shemuel: Umeh kol hatzon hazé be’oznayi vekol habakar asher anojí shomea?
Shemuel zei: Wat is dan dit geblaat van schapen en geloei van runderen dat ik hoor?
15:15
וַיֹּאמֶר שָׁאוּל מֵעֲמָלֵקִי הֱבִיאוּם אֲשֶׁר חָמַל הָעָם עַל־מֵיטַב הַצֹּאן וְהַבָּקָר לְמַעַן זְבֹחַ לַיהֹוָה אֱלֹהֶיךָ וְאֶת־הַיּוֹתֵר הֶחֱרַמְנוּ׃
Vayomer Shaúl: me’Amalekí heviúm asher jamal ha’am al meitav hatzon vehabakar lema’an zevoaj laAdonay Elohéja; ve’et hayoter hejerámnu.
Shaúl antwoordde: Men heeft ze van Amalek gebracht; het volk spaarde het beste om te offeren aan Hashem jouw Elohim; de rest hebben wij vernietigd.
15:16
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל אֶל־שָׁאוּל הֶרֶף וְאַגִּידָה לְךָ אֵת אֲשֶׁר דִּבֶּר יְהֹוָה אֵלַי הַלָּיְלָה וַיֹּאמֶר לוֹ דַּבֵּר׃
Vayomer Shemuel el Shaúl: heref; ve’agída lejá et asher diber Adonay elay haláyla; vayomer lo: dabér.
Shemuel zei: Houd op, en ik zal je vertellen wat Hashem mij vannacht heeft gezegd.
15:17
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל הֲלוֹא אִם־קָטֹן אַתָּה בְּעֵינֶיךָ רֹאשׁ שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל אָתָּה וַיִּמְשָׁחֲךָ יְהֹוָה לְמֶלֶךְ עַל־יִשְׂרָאֵל׃
Halo im katon atá be’eineja rosh shivté Yisrael atá; vayimshajáj Adonay lemelekh al Yisrael.
Ook al ben je klein in je eigen ogen, ben jij niet hoofd van de stammen van Yisrael? Hashem heeft je tot koning gezalfd.
15:18
וַיִּשְׁלָחֲךָ יְהֹוָה בְּדָרֶךְ וַיֹּאמֶר לֵךְ וְהַחֲרַמְתָּ אֶת־הַחַטָּאִים אֶת־עֲמָלֵק וְנִלְחַמְתָּ בוֹ עַד כַּלּוֹתָם אֹתָם׃
Vayishlajá Adonay badérej vayomer: lej vehajaramta et hajata’im et Amalek; veniljamta bo ad kalotam otam.
Hashem zond je op weg en zei: Ga en vernietig de zondaars, Amalek, totdat zij uitgeroeid zijn.
15:19
וְלָמָּה לֹא־שָׁמַעְתָּ בְּקוֹל יְהֹוָה וַתַּעַט אֶל־הַשָּׁלָל וַתַּעַשׂ הָרַע בְּעֵינֵי יְהֹוָה׃
Velamá lo shamáta bekol Adonay; vata’at el hashalal; vata’as hará be’einé Adonay?
Waarom heb je niet geluisterd naar de stem van Hashem en je op de buit geworpen, en kwaad gedaan in Zijn ogen?
15:20
וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל־שְׁמוּאֵל אֲשֶׁר שָׁמַעְתִּי בְּקוֹל יְהֹוָה וָאֵלֵךְ בַּדֶּרֶךְ אֲשֶׁר שְׁלָחַנִי יְהֹוָה וָאָבִיא אֶת־אֲגַג מֶלֶךְ עֲמָלֵק וְאֶת־עֲמָלֵק הֶחֱרַמְתִּי׃
Vayomer Shaúl el Shemuel: asher shamáti bekol Adonay; va’elej badérej asher shelajani Adonay; va’aví et Agag melej Amalek; ve’et Amalek hejerámti.
Shaúl zei: Ik heb geluisterd naar Hashem; ik heb Agag gebracht en Amalek vernietigd.
15:21
וַיִּקַּח הָעָם מֵהַשָּׁלָל צֹאן וּבָקָר רֵאשִׁית הַחֵרֶם לִזְבֹּחַ לַיהֹוָה אֱלֹהֶיךָ בַּגִּלְגָּל׃
Vayikaj ha’am mehshalal tzon uvakar reshit hajerem lizvoaj laAdonay Elohéja baGilgal.
Maar het volk nam van de buit het beste om te offeren aan Hashem in Gilgal.
15:22
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל הַחֵפֶץ לַיהֹוָה בְּעֹלוֹת וּזְבָחִים כִּשְׁמֹעַ בְּקוֹל יְהֹוָה הִנֵּה שְׁמֹעַ מִזֶּבַח טוֹב לְהַקְשִׁיב מֵחֵלֶב אֵילִים׃
Vayomer Shemuel: hajeffets laAdonay be’olot uzevajim kishmoa bekol Adonay? Hine shemoa mizévaj tov; lehakshiv mejélev eilim.
Shemuel zei: Heeft Hashem meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Zie, gehoorzaamheid is beter dan offer, luisteren beter dan het vet van rammen.
15:23
כִּי חַטַּאת קֶסֶם מֶרִי וְאָוֶן וּתְרָפִים הַפְצַר יַעַן מָאַסְתָּ אֶת־דְּבַר יְהֹוָה וַיִּמְאַסְךָ מִמֶּלֶךְ׃
Ki jatát kesem merí; ve’avén uterafim haftzar; ya’an ma’asta et devar Adonay; vayim’asjá mimelekh.
Want opstandigheid is als waarzeggerij; omdat je het woord van Hashem hebt verworpen, heeft Hij jou als koning verworpen.
15:24
וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל־שְׁמוּאֵל חָטָאתִי כִּי־עָבַרְתִּי אֶת־פִּי־יְהֹוָה וְאֶת־דְּבָרֶיךָ כִּי יָרֵאתִי אֶת־הָעָם וָאֶשְׁמַע בְּקוֹלָם׃
Vayomer Shaúl el Shemuel: jatati ki avarti et pi Adonay ve’et devareja; ki yareti et ha’am va’eshma bekolam.
Shaúl zei tot Shemuel: Ik heb gezondigd, want ik heb het bevel van Hashem en jouw woorden overtreden; ik vreesde het volk en luisterde naar hun stem.
15:25
וְעַתָּה שָׂא נָא אֶת־חַטָּאתִי וְשׁוּב עִמִּי וְאֶשְׁתַּחֲוֶה לַיהֹוָה׃
Ve’ata sa na et jatati; veshúv imi ve’eshtajavé laAdonay.
Nu dan, vergeef toch mijn zonde; keer met mij terug, zodat ik mij voor Hashem kan neerbuigen.
15:26
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל אֶל־שָׁאוּל לֹא אָשׁוּב עִמָּךְ כִּי מָאַסְתָּ אֶת־דְּבַר יְהֹוָה וַיִּמְאַסְךָ יְהֹוָה מִהְיוֹת מֶלֶךְ עַל־יִשְׂרָאֵל׃
Vayomer Shemuel el Shaúl: Lo ashuv imaj; ki ma’asta et devar Adonay, vayim’aseja Adonay mihyot melej al Yisrael.
Shemuel zei: Ik zal niet met je terugkeren, want jij hebt het woord van Hashem verworpen; daarom heeft Hashem jou verworpen als koning over Yisrael.
15:27
וַיִּסֹּב שְׁמוּאֵל לָלֶכֶת וַיַּחֲזֵק בִּכְנַף מְעִילוֹ וַיִּקָּרַע׃
Vayisov Shemuel laléjet; vayajazek biknaf me’iló vayikará.
Shemuel keerde zich om om te gaan; Shaúl greep de zoom van zijn mantel, en die scheurde.
15:28
וַיֹּאמֶר אֵלָיו שְׁמוּאֵל קָרַע יְהֹוָה אֶת־מַמְלְכוּת יִשְׂרָאֵל מֵעָלֶיךָ הַיּוֹם וּנְתָנָהּ לְרֵעֲךָ הַטּוֹב מִמֶּךָּ׃
Vayomer elav Shemuel: Kara Adonay et mamléjut Yisrael me’aleja hayom; unetaná lere’ajá hatov mimeja.
Shemuel zei: Hashem heeft vandaag het koningschap van Yisrael van jou afgescheurd en het gegeven aan een betere dan jij.
15:29
וְגַם נֵצַח יִשְׂרָאֵל לֹא יְשַׁקֵּר וְלֹא יִנָּחֵם כִּי לֹא אָדָם הוּא לְהִנָּחֵם׃
Vegam Netzaj Yisrael lo yeshaker velo yinajem; ki lo adam hu lehenajem.
Ook liegt de Eeuwige van Yisrael niet en heeft geen berouw; Hij is geen mens om berouw te hebben.
15:30
וַיֹּאמֶר חָטָאתִי עַתָּה כַּבְּדֵנִי נָא נֶגֶד זִקְנֵי עַמִּי וְנֶגֶד יִשְׂרָאֵל וְשׁוּב עִמִּי וְהִשְׁתַּחֲוֵיתִי לַיהֹוָה אֱלֹהֶיךָ׃
Vayomer: jatati; ata kabdení na neged zikné ami veneged Yisrael; veshúv imi vehishtajavéti laAdonay Elohéja.
Hij zei: Ik heb gezondigd; eer mij toch voor de oudsten en voor Yisrael; keer met mij terug zodat ik mij neerbuig voor Hashem jouw Elohim.
15:31
וַיָּשָׁב שְׁמוּאֵל אַחֲרֵי שָׁאוּל וַיִּשְׁתַּחוּ שָׁאוּל לַיהֹוָה׃
Vayashov Shemuel ajaré Shaúl; vayishtajú Shaúl laAdonay.
Shemuel keerde terug achter Shaúl, en Shaúl boog zich neer voor Hashem.
15:32
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל הַגִּישׁוּ אֵלַי אֶת־אֲגַג מֶלֶךְ עֲמָלֵק וַיֵּלֶךְ אֵלָיו אֲגַג מַעֲדַנֹּת וַיֹּאמֶר אֲגַג אָכֵן סָר מַר־הַמָּוֶת׃
Vayomer Shemuel: hagíshu elai et Agag melej Amalek; vayélej elav Agag ma’adanót; vayomer Agag: aken sar mar hamávet.
Shemuel zei: Breng Agag hier; Agag kwam aarzelend en zei: Zeker is de bitterheid van de dood geweken.
15:33
וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל כַּאֲשֶׁר שִׁכְּלָה נָשִׁים חַרְבֶּךָ כֵּן תִּשְׁכַּל מִנָּשִׁים אִמֶּךָ וַיְשַׁסֵּף שְׁמוּאֵל אֶת־אֲגַג לִפְנֵי יְהֹוָה בַּגִּלְגָּל׃
Vayomer Shemuel: ka’asher shikelá nashím jarbéja; ken tishkal minashím imeja; vayeshasef Shemuel et Agag lifné Adonay baGilgal.
Shemuel zei: Zoals jouw zwaard vrouwen kinderloos maakte, zo zal jouw moeder kinderloos zijn; en Shemuel doodde Agag voor Hashem in Gilgal.
15:34
וַיֵּלֶךְ שְׁמוּאֵל הָרָמָתָה וְשָׁאוּל עָלָה אֶל־בֵּיתוֹ גִּבְעַת שָׁאוּל׃
Vayélej Shemuel haramatá; veShaúl alá el beitó Giv’at Shaúl.
Shemuel ging naar Ramá; Shaúl ging naar zijn huis in Giv’at Shaúl.